Met de Martelaren van Gorcum worden negentien katholieke religieuzen en seculiere priesters aangeduid die om hun geloof door de watergeuzen in 1572 zijn vermoord in Den Briel.
Geschiedenis in het kort Tijdens de Opstand werd door de geuzen op 26 juni 1572 de stad Gorinchem ingenomen. Hoewel door de bezetters – die in alliantie met Willem van Oranje stonden – geloofsvrijheid was toegezegd, werden zeventien priesters, zowel seculieren als regulieren, alsmede twee lekenbroeders, gevangengenomen en gefolterd. Op 9 juli 1572 werden zij bij Den Briel opgehangen in een turfschuur die aan een vernietigd klooster toebehoorde; vervolgens werden hun lichamen verminkt. Andere priesters vonden de dood op de brandstapel op de Grote Markt van Den Briel. Een belangrijk deel van de relieken van de martelaren bevindt zich in de Sint-Niklaaskerk aan de Boterstraat in Brussel (België). thumb|Apotheose van de martelaren van Gorkum 1572, prent gemaakt door Jean Baptiste Nolin naar een schilderij van Johan Zierneels, 1675 alt=Schilderij door Johan Zierneels - Verheerlijking van de Martelaren van Gorcum|miniatuur|Schilderij door Johan Zierneels - Verheerlijking van de Martelaren van Gorcum In 1675 werden de martelaren zalig verklaard. In 1867 nam Pius IX hen op in het officiële Romeinse martyrologium (de lijst van heilige martelaren) na hen op het Sint-Pietersplein heilig te hebben verklaard. De schilder Cesare Fracassini schilderde voor de gelegenheid in opdracht van de paus het doek De Martelaren van Gorcum.
Hun gedachtenis is op 9 juli. In 1972 werd de moord op en de marteldood van de martelaren officieel herdacht door kardinaal Alfrink, minister Marga Klompé en koningin Juliana.
Bij de heroprichting van de Nederlandse Provincie van de Minderbroeders Franciscanen (O.F.M.) in 1853 werden de H.H. Martelaren van Gorcum aangesteld tot de patronen daarvan.
Bedevaartskerk In Brielle (Den Briel) bevindt zich aan De Rik de bedevaartskerk die in 1932 werd gebouwd ter ere van de martelaren. Op het achterliggende Martelveld waar zich de turfschuur bevond zijn een kruisgang en een stenen kapel met buitenaltaar opgericht. Aan het water van de aanwezige voormalige kloosterbron worden meerdere wonderbaarlijke genezingen toegeschreven. Het bedevaartscomplex wordt bestuurd door de Bisschoppelijke Brielse Commissie van het bisdom Rotterdam. Jaarlijks is een nationale bedevaart; daarnaast vinden er ook bedevaarten van private groeperingen uit Nederland en Vlaanderen plaats.
Uitgebreide geschiedenis De Opstand
Vervolging van katholieken Hoewel het niet in de bedoeling van Willem van Oranje lag om tot katholiekenvervolging over te gaan, schiep hij er door het omarmen van de geuzen wel de gelegenheid toe. In de veroverde steden werd vrij hardhandig afgerekend met de lokale geestelijkheid. Velen ondergingen martelingen, er werden moorden gepleegd en tientallen geestelijken werden door tribunalen, al dan niet georganiseerd in Den Briel, ter dood veroordeeld. De haatdragendheid en wreedheid van geuzenleiders Willem Lumey en Diederik Sonoy tegenover hun tegenstanders, speelde hierin een grote rol.
Gorcum stapt over naar de Opstand Toen bekend werd dat Dordrecht zonder enig verzet de kant van de geuzen had gekozen, werd het in Gorcum onrustig. Men verwachtte dat nu ook elk moment zij aan de beurt zouden zijn, en dat vermoeden klopte: een dag later, op 25 juni 1572, naderden dertien geuzenschepen de poorten van het stadje. De kleine minderheid die zich tot de aanhangers van de geuzen rekende, durfde zich nu meer te roeren in het gesprek. Het overgrote deel van de overige Gorcummers wist zich met de situatie geen raad en liet het gebeuren over zich heenkomen.
In Gorcum bevonden zich een nonnenklooster en een franciscaner mannenklooster. Claes Pieck, de gardiaan van dat laatste klooster, nam de nodige voorzorgsmaatregelen. Hij evacueerde de nonnen naar de even buiten de stad gelegen vesting van baljuw Turck. Anderen moedigde hij aan zo veel mogelijk uit te wijken naar familie of andere kloosters in de omgeving. Ook bracht hij waardevolle spullen, zoals miskelken, in veiligheid. Die zouden immers makkelijk ten prooi vallen aan de geuzen. Voor de franciscanen was de situatie het meest bedreigend: de woede van het geusgezinde volk richtte zich in andere steden juist op hen, omdat zij de naam hadden een rijk leven te leiden, terwijl ze schuilgingen achter een masker van armoede. Dergelijke ressentimentsgevoelens berusten altijd op een kern van waarheid, en ook de katholiek getinte literatuur over de Martelaren erkent dat velen van hen gedurende hun leven fouten hadden gemaakt – niet hun leven, maar hun dood maakt dat de katholieke kerk hen als heiligen beschouwt.
De meeste monniken weigerden hun stad te verlaten. Ook de twee pastoors van Gorcum, Leonardus van Veghel en Claes Poppel, bleven. Tot op het laatst toe bleef Poppel de Heilige Mis opdragen: op 26 juni in de ochtend deed hij dat voor de laatste keer. In een kort boekje over de martelaren schrijft de katholiek C. Blijswijk:
Diezelfde dag besloot het stadsbestuur de geuzen binnen te laten. De pastoors, nonnen en monniken zaten toen, samen met andere overtuigd katholieke inwoners van Gorcum, achter de muren van Turcks vesting. Daar zouden ze niet lang veilig zijn. De overmacht van de Geuzen was te groot en de hulptroepen van de Spaanse legerleider Bossu kwamen veel te laat. Nog geen dag later viel ook de vesting in handen van de geuzen.
Gevangenschap Turck wist bij geuzenleider Marinus Brant te bedingen dat alle geestelijken de vesting vrij mochten verlaten. Al snel bleek echter dat Brant weinig in de melk te brokkelen had: fanatieke geestverwanten uit Gorcum wilden de pastoors en monniken uit hun stad gestraft zien voor het onderdrukken van het protestantisme. De mannen werden gevangengezet en gruwelijk mishandeld. Zo werd gardiaan Claes Pieck bijna gewurgd en werden de pastoors hard geschopt en geslagen. Dit ging een aantal nachten zo door. Het doel was, behalve het uitleven van persoonlijke haat, om de gevangenen ertoe te drijven hun geloof in het Heilig Misoffer en de eucharistische tegenwoordigheid en hun trouw aan de paus van Rome af te zweren. Brant probeerde intussen de geruchten in de stad over de toestand van de geestelijken de kop in te drukken door het bericht te verspreiden dat zij uitstekend werden behandeld. Dat dit niet zo was, bleek toen na drie dagen de protestantse arts Dirck Cortman, toevallig de zwager van priester Claes Pieck, werd toegelaten om de gevangenen de verzorgen. Cortman stelde zijn stadsgenoten op de hoogte van de toestand. Pastoor Lenaert Veghel werd op diezelfde dag vrijgelaten om geestelijke bijstand te verlenen aan drie katholieke leken, die de volgende dag terecht zouden worden gesteld. Voorwaarde was dat hij geen Heilige Mis zou opdragen en volgens ‘het zuivere Evangelie’ zou prediken – de protestantse calvinistische leer dus. Ook moest hij op 2 juli op het feest van Maria Visitatie een preek houden.
Deze preek werd Lenaert uiteraard niet in dank afgenomen. Hij bleef echter op vrije voeten en kreeg van Brant zelfs toestemming om naar Den Bosch te reizen om zijn doodzieke moeder te bezoeken. Het volk wist niets van deze afspraak en toen het merkte dat Lenaert was vertrokken ontstak het in woede. De ‘verrader’ die was ‘gevlucht’ werd vanaf de overkant van de Maas teruggehaald naar Gorcum en weer bij de andere geestelijken in de cel gesmeten. Voor zover het lot van de gevangenen nog niet bezegeld was, was dit nu wel het geval.
Naar Den Briel De sfeer in Gorcum werd gespannener: ook katholieken durfden zich meer en meer in het debat te mengen. Om te voorkomen dat dit zou escaleren, werden de gevangenen tot op hun ondergoed uitgekleed en met de boot eerst naar Dordrecht en daarna naar Den Briel gebracht. Bij de passage van het schip aan Dordrecht moesten de negentien gevangenen het dek op, zodat ze beschimpt konden worden door de vele nieuwsgierigen. Ook bij de aankomst in Brielle wachtte hen een honend onthaal. Op de kade stond een galg opgesteld, waaromheen de gevangenen enkele rondjes moesten lopen. Ondertussen moesten ze het Salve Regina en andere Mariahymnen zingen en deed de beul alsof hij de galg klaarmaakte voor hun executie. Dat was echter slechts intimidatie: zogenaamd ‘in processie’ moesten de geestelijken door het centrum van Den Briel trekken, waar alweer een galg stond opgesteld. Ditmaal moesten ze onder andere het Te Deum en de Litanie van alle Heiligen zingen.
Ze werden opgesloten in de gevangenis. Daar vertoefden nog drie andere katholieken, die ook op hun executie wachtten. Steeds meer mensen, onder andere de zus van Lenaert Veghel en de twee protestantse broers van Claes Pieck, probeerden voldoende geld op te brengen voor de vrijlating van de gevangenen, of praatten op Lumey en andere geuzen in om de voltrekking van de doodstraf af te wenden. Brant deed nog een poging contact te krijgen met Willem van Oranje. Op 7 juli kwam Willems bericht bij hem aan, waarin hij aangaf dat de gevangenen absoluut vrijgelaten moesten worden. Brant stuurde een kopie van dit bericht naar Lumey. Toen Lumey las dat de van oorsprong eenvoudige turfschipper Brant zich ‘mijne Heere’ liet noemen, ontstak hij in woede over zoveel grootheidswaan. Later drong het bovendien tot hem door dat hij slechts een kopie van Willems bevel had gekregen. Hij voelde zich beledigd en besloot de orders van de prins te negeren.
Het twistgesprek Op 8 juli besloten de geuzen, in een poging de leiders van de groep gevangenen te bewegen hun katholieke geloof te verzaken, een verhoor te organiseren. Deelnemers waren twee protestantse predikanten, enkele vooraanstaande geuzen en de belangrijkste Gorcumse geestelijken. Gardiaan Claes Pieck werd als eerste gevraagd de paus en de roomse afgoderij te verzaken. D. de Lange, eveneens een katholiek, die zich voor zijn boek 'De Martelaren van Gorcum' baseerde op de overlevering van tijdgenoten van de martelaren, omschrijft Piecks antwoord:
Ook pastoor Lenaert weigert het Heilig Misoffer, het pontificaat en de zeven sacramenten te verloochenen. Hij vraagt om een eerlijk apologetisch dispuut in een neutrale omgeving. Als de predikanten erin slagen hem te overtuigen, zal hij zijn katholieke geloof afzweren. Iedereen stemt hiermee in, Lenaert en Claes Pieck worden uitgekozen om eraan deel te nemen. Deze twee katholieken werden voor het dispuut gekoppeld aan twee protestantse predikanten, onder wie Andries Cornelissen.
Het dispuut duurt hierna nog heel kort. De omstanders hebben door dat Veghel en Pieck in het dispuut op z'n minst de gelijken zijn van de protestantse predikanten en barsten uit in luid rumoer. Lenaert en Claes werden de zaal uitgedreven. Vervolgens ging het verhoor verder. Jeroen van Weert, ondergardiaan, moest zich verantwoorden en ook hij bleef trouw aan de gehele rooms-katholieke geloofsleer. Wel werd hij geconfronteerd met een vijand: in de zaal zat een geus die enkele jaren eerder door hem uit Bergen op Zoom was verbannen wegens ketterij. Pastoor Claes Poppel en de Norbertijnse priesters Adriaan van Hilvarenbeek en Jacques Lacops werden vooral opgeroepen om het Heilig Misoffer en de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie te verloochenen. Ook zij weigerden dit standvastig. Lacops werd tot slot nog door Lumey zelf toegesproken, zelfs bedreigd, maar bleef zijn geloof trouw.
De laatste dag: de turfschuur in Rugge thumb|Ophanging van de martelaren in Den Briel (Cesare Fracassini, 1867)