De verzoeningsleer is de christelijke zienswijze dat Jezus Christus verzoening heeft bewerkstelligd tussen God en de mensheid. Deze is volgens veel theologen het centrale leerstuk van het christendom, hoewel er nooit een algemeen aanvaarde leer is vastgesteld. Vaak worden drie soorten onderscheiden: die benadrukken dat Jezus het kwaad dat tussen God en mens staat heeft overwonnen (Christus Victor); die vooral stellen dat God een andere houding heeft aangenomen (satisfactieleer); die het accent leggen op de verandering in de mens door Jezus (Subjectieve verzoeningsleer).De drie verzoeningstypen gaan terug op de onderverdeling van de Zweedse theoloog Gustaf Aulén in diens werk De Christelijke Verzoeningsgedachte, (uit het Zweeds vertaald door J. Henzel,) H.J. Paris, A'dam 1931

Bronmateriaal Historische Jezus De centrale boodschap van Jezus van Nazaret was dat Gods nieuwe wereld ("het koninkrijk van God") op het punt stond aan te breken. Er wordt onder nieuwtestamentici veel over gediscussieerd of Jezus zijn eigen dood heeft gezien als een offer voor anderen. Diverse passages uit de evangeliën (Marcus 10:45 en 14:24) kunnen namelijk zijn ingekleurd door latere christelijke voorstellingen.M. de Jonge, Christologie in context. Jezus in de ogen van zijn eerste volgelingen. Maarssen, 1992, 292-295.

Nieuwe Testament In het Nieuwe Testament is overigens geen uitgewerkte verzoeningsleer te vinden. Alleen de Brief aan de Hebreeën gaat uitgebreider in op de dood van Jezus als eenmalig offer van het nieuwe verbond in contrast met de steeds herhaalde offers van het oude verbond. De zienswijze dat Jezus' sterven en opstanding een vorm van toenadering of verzoening tussen God en mensen teweegbracht, is wel terug te vinden in de oudste brieven van Paulus, die gedateerd worden vóór de evangeliën (rond het jaar 50 n.Chr.). Deze passages zelf grijpen al terug op bestaande tradities (bijvoorbeeld 1 Tessalonicenzen 5:9-10), wat erop wijst dat de interpretatie dat Jezus' dood enige vorm van verzoening bewerkstelligde heel oude papieren heeft.

Kerkvaders (Christus victor)

In de vroege kerk leerde men dat de redding door God tot stand kwam door de menswording, het leven, de dood en de opstanding van Jezus Christus. Een belangrijke gedachte, die bijvoorbeeld bij Irenaeus (2e eeuw n.Chr.) en Athanasius van Alexandrië (4e eeuw n.Chr.) is te vinden, is dat God mens werd, zodat de mens goddelijk kon worden (de zogeheten theosis, deïficatie of vergoddelijking; vgl. 2 Petrus 1:4).

De meeste kerkvaders zagen Jezus' leven en sterven als een vorm van overwinning op het kwaad. Deze manier om naar de betekenis van Jezus te kijken heet ook wel 'Christus victor', latijn voor Christus (als) overwinnaar: hij overwon de barrières die tussen mens en God instaan. Veel theologen zagen dit ook als een bevrijding, een nieuwe exodus: zoals Mozes de Israëlieten meenam uit Egypte, zo heeft Jezus de mensen meegenomen uit het dodenrijk. Het 'losgeld' waarover het Nieuwe Testament spreekt, wordt dan meestal ook gezien als betaald aan de Satan of het dodenrijk.

Teksten uit de evangeliën, die deze visie mogelijk ondersteunen, zijn bijvoorbeeld: Mattheüs 6:14; Marcus 1:4; Marcus 4:13; Lucas 3:3 en Lucas 5:20-24. Hier wordt de nadruk gelegd op geloven als overwinning op het kwaad en ter vergeving van zonden.

De Zweedse (lutherse) theoloog Gustaf Aulén (1879-1977) identificeert Maarten Luther's opvatting over de verzoening met die van Christus Victor.G. Aulén: De Christelijke Verzoeningsgedachte, (uit het Zweeds vert. door J. Henzel,) H.J. Paris, A'dam 1931, pp. 106 e.v. Dit wordt bestreden door o.m. Ritschl en Brunner.G. Aulén: De Christelijke Verzoeningsgedachte, (uit het Zweeds vert. door J. Henzel,) H.J. Paris, A'dam 1931, pp. 104-105

Anselmus van Canterbury

Anselmus van Canterbury (1033-1109 n.Chr.) ontvouwde zijn invloedrijke verzoeningsleer in het werkje Cur Deus homo ("Waarom God mens werd"). Dit was de eerste filosofisch uitgewerkte verzoeningsleer, zonder beroep op de Bijbel, die men doorgaans aanduidt als de satisfactieleer of "verzoening door voldoening". Deze leer wordt meestal begrepen tegen de achtergrond van het feodale tijdperk.De Anselmiaanse verzoeningsleer borduurt overigens wel voort op gedachten die teruggaan op sommige, meest Latijnse, kerkvaders. Zij is echter voornamelijk ontwikkeld analoog aan de middeleeuwse biechtpraktijk: schuldbelijdenis (berouw, opgewekt door zondebewustzijn) ⇒ absolutie (vergeving) ⇒ boete (genoegdoening), zie G. Aulén: De Christelijke Verzoeningsgedachte, (uit het Zweeds vertaald door J. Henzel,) H.J. Paris, A'dam, 1931, p. 90Verg. echter ook A. van Egmond: Het christelijk geloof, Kok/Boekencentrum, Utrecht 2018, p. 502, voetnoot 224, waar de auteur naast de feodale achtergrond ook andere mogelijke gedachtegangen die Anselmus mogelijk hebben geïnspireerd: Germaans recht, Romeins recht, middeleeuws gewoonterecht, biechtpraktijk, mogelijk Irenaeus van Lyon "de eer van God is het heil van de mens" of misschien zelfs het bijbelse begrip van de losser.

Anselmus stelt God voor als een feodaal vorst die in zijn eer is aangetast omdat de mens, die hij geschapen had om hem vrijwillig te dienen, zich vrijwillig onder de macht van de duivel had gesteld (overigens is de eer van God gelegen in de orde en de schoonheid van de schepping, want volgens Anselmus kan God zelf natuurlijk niet aangetast worden). Gods rechtvaardigheid eist nu óf straf óf genoegdoening voor de wanorde die de mens door de zonde heeft aangericht, maar de mens kan die vergoeding niet opbrengen, omdat die niet eens meer in staat is zondeloos te leven. Aan de andere kant wil God niet overgaan tot straffen, omdat dan het doel dat hij beoogt met de schepping in gevaar komt, en omdat hij de mensen liefheeft. Anselmus stelt dan dat het noodzakelijk is dat God mens werd om aan God voldoening te geven. De schuld is immers van de mensen, maar alleen God kan die schuld betalen. Deze God-mens leeft vrijwillig tot eer van God. Omdat deze God-mens de verdienste die uit dit leven voortvloeit zelf niet nodig heeft, komt deze ten goede aan zondaren.Hier ligt het verschil tussen de Anselmiaanse verzoeningsleer en de gereformeerde verzoeningsleer: bij Anselmus draait het om satisfactio, genoegdoening, bij de gereformeerde scholastiek om 'straflijden'. Het een hoeft het ander natuurlijk niet uit te sluiten, sluit elkaar natuurlijk niet uit. Het accentverschil - voldoening óf straf - kan echter een wereld van verschil uitmaken als het gaat om de vraag welk soort Godsbeeld men er op na houdt. Verg. ook: Van Egmond: Het christelijk geloof, pp. 517-518

De Anselmiaanse verzoeningsleer veronderstelt een nauwkeurig uitgewerkte leer omtrent de Drie-eenheid Gods en de daarmee samenhangende tweenaturenleer van Jezus Christus. Zij roept, wanneer uit de context gehaald, eenvoudig allerlei misverstanden opMen denke hier in eerste instantie aan de gedachte dat door het offer van Christus er een gezindheidsverandering bij God heeft plaatsgehad; dit is door Anselmus in ieder geval nimmer bepleit. Hoewel zijn theologie daar misschien wel aanleiding aan geeft. Ten tweede maakt Anselmus een scherp onderscheid voldoening en straf. De kruisiging van Christus is bij Anselmus nadrukkelijk geen straf, maar genoegdoening (voldoening). Juist door Zijn leven in gehoorzaamheid, culminerend in het kruis, heeft Jezus volgens Anselmus de straf afgewend. Satifactio is bij Anselmus dus geen straflijden. Hier geldt echter ook, dat de Anselmiaanse verzoeningsleer wel aanleiding kan geven om voldoening, satisfactio, op te vatten als straflijden. Zie Korff, Christologie II, pp. 74-75 en doet vrij mechanisch en rationalistisch aan.Zij is ook antropocentrisch: het gaat om de verzoening van de mensheid met God en gaat niet zozeer uit van een kosmische verlossing, zoals we aantreffen bij Paulus.

Heidelbergse Catechismus De Heidelbergse Catechismus vertegenwoordigt de klassieke calvinistische leer. De verzoeningsleer in deze Catechismus wordt uiteengezet in de afdelingen ("zondagen") 3 tot 6. De mens is "ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad." God "vertoornt Zich schrikkelijk" over de zonden, "en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen." "Zijn gerechtigheid eist dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde." Wij moeten "óf door onszelven, óf door een ander, volkomenlijk betalen." De mens kan niet betalen, maar Jezus Christus, die tegelijk mens en God is, kan dat wel.

Deze verzoeningsleer is duidelijk geënt op de leer van Anselmus, maar legt ook andere accenten. Anselmus maakt bijvoorbeeld onderscheid tussen genoegdoening en strafF.W.A. Korff: Christologie II, Callenbach N.V., Nijkerk 1941, p. 75, terwijl in de Heidelbergse Catechismus deze samenvallen. Critici van de klassieke calvinistische opvatting noemen deze leer wel "bloed-theologie", omdat God eerst bloed zou moeten zien voordat hij de zonden zou kunnen vergeven. De luthers orthodoxe verzoeningsleer is vrijwel identiek aan die van de calvinistische orthodoxie.De calvinistische theoloog F.W.A. Korff (1887-1942) beschouwd de calvinistische satisfactieleer echter als volledig Anselmiaans en verwerpt daarmee de gedachte dat de gereformeerde satisfactieleer streng moet worden onderscheiden van de Anselmiaanse: "Als bijv. de Heidelberger Catechismus in Antw. 11 zegt: 'God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig, daarom zo eist Zijn gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft wordt', dan kan men het grootste deel van deze zinsnede lezen, als was zij zonder meer Anselmiaans. De verhouding van majesteit en gerechtigheid schijnt hier volkomen dezelfde wijze bepaald te worden als in 'Cur Deus Homo'. Dat er niettemin iets en wel iets zeer gewichtigs veranderd is, toont zich aan het slot, waar gesproken wordt van 'straf' over de zonde. Bij Anselmus was satisfactie het tegendeel van straf, hij sprak van: voldoening of straf ... Nu is de tegenstelling ook bij Anselmus niet zó volstrekt als het lijkt; op een andere plaats [in 'Cur Deus Homo'] kan hij zelfs spreken van de 'straf van de Godmensch'." F.W.A. Korff: Christologie II, Callenbach N.V., Nijkerk 1941, pp. 74-75"Bij Thomas van Aquino vallen straf en voldoening overigens ook al samen, Korff: Christologie II, Callenbach N.V., Nijkerk 1941, p. 75Van Egmond: Het christelijk geloof, pp. 518-519, wijst er op dat de zogenaamde "bloed-theologie" ontwikkeld is tussen 1100 en 1500. Hij schrijft (518): "Daarvan is bij Anselmus geen sprake. Straf dragen is sowieso iets heel anders dan schuld betalen. Maar bovendien worden nu [in de bloed-theologie] de Vader en de Zoon tegen elkaar uitgespeeld: de Vader is de toornende, straffende en de Zoon de lijdende, dragende."A.F. Schravensande: Hilbrandt Boschma. Nederlands-hervormd, proefschrift, 2021, p. 127: "In later eeuwen werd de nadruk in meer volkse versies van het protestantisme gelegd op de toorn van God over de zonden van de mensen, in plaats van op Gods liefde. De heersende tijdgeest kon aan Gods ‘gerechtigheid’ het karakter geven van vergelding, van wraakzucht die door het offer van Jezus als zondebok gestild moest worden."