miniatuur|Terechtstelling van Adrianus Blom in Leiden (1856) De doodstraf was in Nederland eeuwenlang de zwaarst mogelijke straf maar werd in 1870 afgeschaft (met uitzondering van oorlogsrecht). In 1983 werd in de Grondwet bepaald dat de doodstraf niet kan worden opgelegd (artikel 114). Sindsdien kent Nederland de doodstraf niet meer, noch voor misdrijven in vredestijd noch voor misdrijven in oorlogstijd.

Geschiedenis Gewoon strafrecht In de Middeleeuwen en ten tijde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden stond de doodstraf op de meest uiteenlopende misdrijven. Afhankelijk van het type misdrijf en de stand van de veroordeelde kon de doodstraf op verschillende manieren worden voltrokken.

Dit veranderde tijdens de Franse bezetting van Nederland, begin 19e eeuw. De Fransen voerden de Code Pénal in, die voorschreef dat de doodstraf voltrokken moest worden door middel van de guillotine. Enkele jaren later werd vastgelegd dat in het Koninkrijk der Nederlanden de doodstraf alleen door het zwaard (onthoofding) of de strop (ophanging) kon worden voltrokken. In de praktijk werden terdoodveroordeelden altijd opgehangen. Terechtstellingen werden nadien steeds zeldzamer. De koning verleende regelmatig gratie en er ontstond ook steeds meer weerstand tegen de 'barbaarse' executies, die in het openbaar werden voltrokken. Executies trokken altijd grote menigten mensen. De allerlaatste terechtstelling voor een misdrijf onder het gewone strafrecht vond 31 oktober 1860 in Maastricht plaats. Johannes Nathan, veroordeeld voor de moord op zijn schoonmoeder, werd die dag om 10.00 uur 's ochtends opgehangen.

Hieronder een overzicht van de laatste tien executies die in Nederland onder het gewone strafrecht werden voltrokken:

Naam Functie/vergrijp Datum voltrekking Locatie executie (ca. 1833) Moord op schoonmoeder Maastricht (1823) Doodslag Gouda (1812) Moord Leeuwarden (1835) Moord en verkrachting Maastricht (1824) Doodslag op dochter ex-werkgever en inbraak Leiden (ca. 1809) Inbraak met geweld en bedreiging 's-Hertogenbosch (ca. 1799) Inbraak met geweld en bedreiging 's-Hertogenbosch (1800) Brandstichting https://www.collectiegelderland.nl/codamuseum/object/dded1f56-728a-ce9f-5178-f9b9dc4c5a9f. Gearchiveerd op 25 september 2022. Apeldoorn (1832) Doodslag Amsterdam (1789) Doodslag op zijn vrouw Middelburg

In 1870 werd de doodstraf in Nederland na een debat van zeven dagen in de Tweede en Eerste Kamer uit het gewone strafrecht gehaald door het invoeren van een nieuwe wet door minister Van Lilaar. De straf werd "wreed en onbeschaafd" gevonden. In de tien jaar daarvóór was de doodstraf overigens al niet meer uitgevoerd. Met deze wijziging van het Wetboek van Strafrecht werd de doodstraf vervangen door levenslange tuchthuisstraf. Dat bleek zes jaar later niet geheel met instemming van de bevolking te zijn: toen Hendrik Jut (bekend van de kop-van-jut) tot levenslang werd veroordeeld, eisten velen dat hij toch de doodstraf zou krijgen. Dit leidde in 1881 tot Kamerdiscussies. Enerzijds waren er de voorstanders van de doodstraf ('jutters'), met name de confessionelen onder leiding van De Savornin Lohman die een Bijbelse grondslag zagen voor de doodstraf, anderzijds waren er de tegenstanders van de doodstraf ('niet-jutters') onder leiding van onder andere Pieter van Bemmelen en minister van justitie Anthony Modderman. De tegenstanders wonnen en het besluit van 1870 bleef gehandhaafd.

Militair strafrecht In het militaire strafrecht en het oorlogsstrafrecht bleef de doodstraf bestaan totdat in 1983 in de Grondwet bepaald werd dat de doodstraf niet mag worden opgelegd (artikel 114). Met ingang van 1990 verdween de straf uit de betreffende wetten.https://web.archive.org/web/20131104061641/http://mpbundels.mindef.nl/11_serie/11_50/11_50_400.htm

Hieronder een overzicht van militairen (land-, lucht- of zeemacht) die in Nederland geëxecuteerd zijn na een veroordeling door de krijgsraad, met een artikel op Wikipedia.

Naam Functie/vergrijp Datum voltrekking Locatie executie (1823) Poging tot moord op een officier Hellevoetsluis

Nederlandse Antillen en Suriname In Suriname en op de Nederlandse Antillen bleef de doodstraf na 1870 bestaan.

Nederlandse Antillen Het wetboek van de Nederlandse Antillen kende na 1870 de doodstraf nog als een mogelijk op te leggen straf (artikel 9). De doodstraf kon - in theorie - alleen worden opgelegd voor het 'heulen met de vijand met als doel een oorlog te initiëren' en moet worden voltrokken door middel van ophanging. De betreffende passage stamt uit 1918, toen ook in het Nederlandse oorlogsrecht de doodstraf nog bestond. Pas in maart 2010 werd overwogen deze passage te schrappen uit principiële overwegingen.NOS bericht, Antillen schaffen de doodstraf af. Gearchiveerd op 1 oktober 2022. Bij de staatkundige hervormingen van 10 oktober 2010 heeft de Nederlandse wetgever elke vermelding van de doodstraf uit het Wetboek van Strafrecht BES gehaald. Het is niet bekend of de wetgevers in Curaçao en Sint Maarten hetzelfde hebben gedaan. In het nieuwe Wetboek van Strafrecht van Curaçao dat op 15 november 2011 in werking is getreden, komt de doodstraf in ieder geval niet meer voor.

Suriname De laatste doodstraf in Suriname werd uitgevoerd in 1927.

Naam Vergrijp Datum voltrekking Locatie executie (ca. 1902) Roofmoord Paramaribo

Tweede Wereldoorlog Nederland In 1939 werd het debat gevoerd over een mogelijke herinvoering van de doodstraf voor (hoog- en land)verraders. Door de Duitse inval in mei 1940 werd deze discussie beëindigd. Op 12 mei 1940 werd bij de Grebbeberg door de Nederlandse autoriteiten de Nederlandse sergeant Chris Meijer wegens desertie ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. In Breda werden op 12 mei 1940 twee soldaten, Joost van Wingerden uit Zwijndrecht en Hendrikus "Dries" Steenbeek uit Gouda wegens desertie doodgeschoten in de tuin van het politiebureau maar hier was geen veroordeling door een rechter of de krijgsraad aan vooraf gegaan.Twee executies in Breda

Tijdens de bezetting werd de doodstraf door de Duitse bezetter heringevoerd en op grote schaal uitgevoerd. Bovendien voerde de bezetter op grote schaal, zonder procesgang en in weerwil van het oorlogsrecht, represaille-executies uit op de burgerbevolking.

In de nadagen van de Tweede Wereldoorlog besloot de Nederlandse regering in ballingschap tot herinvoering omdat men vreesde dat de bevolking anders "het recht in eigen hand zou gaan nemen". Om geestelijke verwildering te voorkomen mochten er echter niet te veel executies plaatsvinden. In 1945 begon de massale vervolging van landverraders en collaborateurs. Tienduizenden werden veroordeeld door de bijzondere rechtspleging; 154 mensen kregen de doodstraf, van wie er 39 daadwerkelijk werden gefusilleerd. Daarnaast werden drie personen al op 3 mei 1945 hiervoor gefusilleerd. Koningin Juliana verleende regelmatig gratie. Nederland kende in die dagen speciale executieplaatsen. De meeste doodvonnissen werden in hoger beroep omgezet in levenslang, waarna doorgaans vervroegde invrijheidstelling volgde. In 1989 gebeurde dat voor de laatste keer met de Twee van Breda. De laatste daadwerkelijk voltrokken executies vonden plaats op 21 maart 1952, toen twee oorlogsmisdadigers, de Nederlander Andries Pieters en de Duitser Artur Albrecht, op de Waalsdorpervlakte door een vuurpeloton werden geëxecuteerd.

Onder de bijzondere rechtspleging zijn de volgende doodstraffen uitgevoerd:

Naam Functie/vergrijp Datum voltrekking Locatie executie (1903) Commandant van de SD Friesland (Duitser) Waalsdorpervlakte (1881) Colonne Henneicke Weesperkarspel (1912) Politieman, mishandeling, drievoudige moord Vught (1907) Commandant kamp Amersfoort (Duitser) Weesperkarspel (Fort Bijlmer) (1884) Hulpverlening aan de vijand Waalsdorpervlakte (1918) Verraad Weteringschans Weesperkarspel (Fort Bijlmer) (1920) SD'er, moord, mishandeling Groningen (1905) Verraad van Joden Weesperkarspel (Fort Bijlmer) (1910) Bewaker kamp Erica, mishandeling, moord Vught (1914) SD'er, 8 maal moord, mishandeling, marteling Groningen (1906) SD'er, moord Groningen (1895) Landwachter, mishandeling. Arnhem (Galgenberg) (1920) Executies Groningen (1888) Politieman, mishandeling Arnhem (Galgenberg) (1898) SD'er, jodenjager. Weesperkarspel (1896) Verraad Vught (1902) Politieman, mishandeling, Aktion Silbertanne Weesperkarspel (fort Bijlmer) (1911) Executies (Duitser) Arnhem (Galgenberg) (1883) Hulpverlening bij Duitse aanval op Nederland in 1940 Weesperkarspel (fort Bijlmer) (1910) SD'er, moord, mishandeling. Arnhem (Galgenberg) (1890) Politieman, executies, mishandeling Groningen (1915) SD'er, arrestaties van joden Waalsdorpervlakte (1898) Politieman, Aktion Silbertanne Weesperkarspel (Fort Bijlmer) (1918) SD'er, 8 maal moord, mishandeling, marteling Groningen (1906) Hoofd SD Groningen (Duitser) Groningen (1900) Colonne Henneicke Weesperkarspel (1896) Politieman, Lid Germaansche SS in Nederland, Aktion Silbertanne, mishandeling, executies Weesperkarspel (fort Bijlmer) (1894) Hulpverlening aan de vijand Waalsdorpervlakte (1916) Mishandeling, executies Waalsdorpervlakte (1895) Höherer SS- und Polizeiführer Nordwest (Nederland) (Oostenrijker) Waalsdorpervlakte (1895) SD-agent, V-Mann Weesperkarspel (fort Bijlmer) (1915) Landwachter, moord Vught (1909) Landwachter, Norger bloedploeg Groningen (1902) Politieman, executies, mishandeling Groningen (1898) Mishandeling, moord Vught (1917) SS'er, executies Den Haag (1912) SD-agent, V-Mann Waalsdorpervlakte (1885) Burgemeester, mishandeling, arrestaties Weesperkarspel (fort Bijlmer) (1903) Verraad van joden en onderduikers Groningen

Nederlands-Indië In Nederlands-Indië werden in 1945 twaalf Temporaire Krijgsraden ingesteld die belast waren met de berechting van de Japanners die zich aan oorlogsmisdaden schuldig hadden gemaakt. In augustus 1946 vond het eerste proces tegen de Japanse kapitein Kenichi Sonei plaats in Batavia en in juni 1949 werd het laatste vonnis uitgesproken. Op Java en Sumatra, waar relatief veel Europeanen woonden en werden vastgehouden in Jappenkampen, werden vooral misdaden tegen de Europeanen onderzocht. In de Grote Oost, waar relatief weinig Europeanen woonden en waren vastgehouden, richtten de processen zich vooral op misdaden tegen de Indonesische bevolking. In totaal werden ruim 1.000 Japanse en 43 Koreaanse en Formosaanse kampbewaarders voor het gerecht gedaagd. Het verzamelen van bewijs tegen hen was veelal al begonnen tijdens de oorlog. In de laatste maanden van 1945 en in de eerste maanden van 1946 werden verder onder slachtoffers en getuigen duizenden verklaringen afgenomen aan boord van bijvoorbeeld repatriëringsschepen en in Nederlands-Indië zelf. Op de rechtsgang was veel aan te merken: het vooronderzoek hoefde niet te voldoen aan de waarborgregels van het normale strafrecht en voor de verschillende krijgsraden werden de regels rond de bewijslast aanzienlijk versoepeld. Bij het opleggen van de doodstraf werd de Australische rechtspraak gehanteerd. Er werd intensief samengewerkt met geallieerden in Singapore en Tokio, maar er ontbrak internationaal toezicht (zoals bij het Proces van Tokio). De gevangenen werden vaak slecht behandeld door hun bewakers die in veel gevallen eerder zelf in een Jappenkamp hadden gezeten.

In tegenstelling tot de Nederlandse bijzondere rechtspleging en de Australische, Britse, Chinese en Filipijnse geallieerde rechtbanken die vonnissen uitspraken over Japanse krijgsgevangenen was het aantal gevallen van vrijspraak gering: slechts 55 (5%) werden vrijgesproken en 983 werden veroordeeld. Dit was vergelijkbaar met de Amerikaanse krijgsraden in de Filipijnen en Japan.