300x250px|class=noresize 300x250px|class=noresize 300x250px|class=noresize De hooiwagen, Prado-versie|- | align="left" | 500x267px|class=noresize | 500x267px|class=noresize | align="right" | 500x267px|class=noresize |- | colspan="3" | De hooiwagen, Escorial-versie|} Het Hooiwagen-drieluik, ook De hooiwagen genoemd, is een drieluik van de Zuid-Nederlandse kunstschilder Jheronimus Bosch. Het stelt van links naar rechts voor: het Paradijs, een allegorische voorstelling rondom een hooiwagen en de hel. Van het drieluik bestaan twee versies: een in het Museo del Prado in Madrid (zie Hooiwagen-drieluik (Prado)) en een in het Escorial (zie Hooiwagen-drieluik (Escorial)).
Middenpaneel Op het middenpaneel is te zien hoe – onder het alziend oog van een Christus als Man van Smarten – een hooiwagen wordt bestormd door een hysterische mensenmenigte, waarvan iedereen een beetje hooi probeert te bemachtigen. De kar wordt voortgetrokken door angstaanjagende demonen, terwijl de kar gevolgd wordt door een stoet hoogwaardigheidsbekleders, waaronder koningen, edelen en een paus. Op de voorgrond is te zien hoe het hooi in de zakken van monniken en kwakzalvers terechtkomt.
Uit verschillende laatmiddeleeuwse bronnen blijkt dat hooi geassocieerd werd met wereldse zaken, zoals bedrog, ijdelheid, materialisme en genotzucht. Hooi komt bijvoorbeeld voor in de spreekwoorden ‘iemands kaproen met hooi vullen’ (iemand bedriegen) en ‘de wereld is een hooistapel, en ieder neemt daarvan zoveel hij vatten kan’.Aangehaald in De Tolnay (1984): p. 24. Ook komt het voor in formuleringen als ‘tis al hoy’ (het is allemaal hooi) en ‘alle vlees is hooi’, steeds verwijzend naar de vergankelijkheid van de mens. Deze uitdrukkingen zijn te herleiden tot de Bijbelpassage:
In de 15e- en 16e-eeuwse Middelnederlandse literatuur worden in dit verband echter ook andere Bijbelpassages aangehaald, zoals Psalm 90:6, Psalm 102:5-12, Matteüs 6:30, 1 Korintiërs 3:12 en Jakobus 1:10-11.Aangehaald in De Bruyn (2001): p. 25. Van alle Middelnederlandse bronnen, waarin hooi op allegorisch-religieuze manier gebruikt wordt, komt het rijmdicht Van den hopper hoeys (Over de hooimijt), afkomstig uit het in de jaren 1460 geschreven Geraardsbergse handschrift, het meest overeen met het Hooiwagen-drieluik van Bosch. De eerste twee strofen van dit gedicht luiden:
thumb|350px|Middenpaneel: De hooiwagen
thumb|210px|left|Detail van middenpaneel: De Bedriegelijke Verlokking Het motief van een hooiwagen in plaats van een hooimijt vond Bosch waarschijnlijk in de wereld om hem heen. Op 15 augustus 1563 vond in Antwerpen een ommegang plaats ter ere van Maria. Deze ommegang bestond onder meer uit zogenaamde ‘punten’, versierde praalwagens met een allegorisch-moraliserend karakter. Een van deze praalwagens wordt omschreven als:
Deze ‘hoywaghen’ komt in grote lijnen overeen met die van Bosch. Ook hij heeft rondom de hooiwagen allerlei soorten slecht volk afgebeeld, terwijl zich boven op de hooiwagen een ‘sater’ bevindt, in de vorm van een blauwe duivel, die een musicerend gezelschap verlokt met zijn mooie fluitspel.Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 133-135. Er is echter ook één belangrijk verschil: in de Antwerpse ommegang wordt slechts één zonde beschreven – de hebzucht – terwijl Bosch meerdere zonden heeft afgebeeld.
thumb|350px|Frans Hogenberg. Al Hoy. 1559. Gravure. Brussel, Koninklijke Bibliotheek Dat het hooi in de late middeleeuwen werd geassocieerd met een reeks van zonden wordt bevestigd door de in 1559 uitgegeven prent Al Hoy (Allemaal hooi) van de Zuid-Nederlandse prentkunstenaar Frans Hogenberg in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. Op deze prent is het volk rondom de hooiwagen in groepjes verdeeld en voorzien van bijschriften. Zo staat bij een van deze groepjes te lezen:
Op het middenpaneel van het Hooiwagen-drieluik heeft de schilder op de voorgrond ook een aantal groepjes afgebeeld, die elk met één of meerdere zonden in verband kunnen worden gebracht. In het midden heeft hij een kwakzalver afgebeeld, te herkennen aan het snoer van tanden om zijn hals en de nep-oorkonde op tafel. Uit zijn geldbeugel steekt een bosje hooi. Het hooi staat hier dus symbool voor hebzucht.De Bruyn (2001): p. 27, 29.
thumb|left|300px|Detail van middenpaneel: Blinde man en twee Romavrouwen Links daarvan bevinden zich twee Romavrouwen, te herkennen aan hun opvallende, witte hoofddeksels en hun donkere huidskleur. Een van deze vrouwen wast het achterwerk van een naakt kind, terwijl de andere vrouw de hand leest van een blanke burgervrouw. De Roma vestigden zich omstreeks 1420 in de Nederlanden en stonden in Bosch’ tijd in een kwaad daglicht, omdat ze zich schuldig zouden maken aan bedelarij, stroperij, diefstal en zelfs het ontvoeren en verhandelen van kinderen. Het witte zwijntje achter de zittende Romavrouw verwijst mogelijk naar de zondaar die zich eerst bekeert en vervolgens weer in zonde vervalt, als een gewassen zeug, die zich opnieuw in de modder wentelt (2 Petrus 2 : 20-22). Dit hangt mogelijk samen met het beeld dat men destijds van de Roma had. De eerste Roma zouden zich voor hebben gedaan als pelgrims en later zouden ze beweerd hebben goede christenen te zijn.
De haring aan de stok boven het vuur illustreert mogelijk het gezegde ‘haring braden om de kuit’ (op bedrieglijke wijze winst proberen te maken), zoals dit ook voorkomt op het schilderij Nederlandse spreekwoorden van Pieter Bruegel de Oude in de Gemäldegalerie in Berlijn. Hiermee beklemtoont de schilder het bedrog van de Romavrouwen. De blinde bedelaar, die begeleid wordt door een jongen, geheel links, is een bekend motief in de Middelnederlandse literatuur. Het gedrag van de bedelaar wordt in deze bronnen afgekeurd, niet alleen vanwege de bedelarij, die als schadelijk voor de maatschappij werd gezien, maar ook omdat hij hier een jongen voor gebruikt. De insignes op zijn hoed geven aan dat het hier om valse pelgrims gaat.
thumb|290px|Detail van middenpaneel: Geestelijken vullen hun zakken Rechtsonder bevinden zich een aantal kloosterlingen rondom een tafel. In dit tafereel maakt de schilder weer gebruik van de hooi-allegorie. De dikke pater, die in zijn stoel het glas heft, verwijst naar de wellust en luiheid van de geestelijke stand. Voor hem staat een grote zak met hooi die door zijn nonnen wordt gevuld. Hiermee verwijst Bosch naar de hang naar materieel gewin, waarvan in veel kloosters sprake was. Links daarvan biedt een non een doedelzakspeler wat hooi aan in ruil voor een worst. De worst werd in de middeleeuwse beeldende kunst en literatuur niet zelden gebruikt als fallussymbool (zie ook het mogelijk aan Bosch ontleende schilderij De blaasbalghersteller). Bovendien stonden rondreizende musici in de middeleeuwen in een zeer slecht daglicht; zo worden ze in Dat Boeck vanden Voirsienichheit Godes voorgesteld als handlangers van de duivel, die de burgerij aanzet tot bandeloos en zedenverwilderend gedrag.De Bruyn (2001): p. 29-32.
Achter de hooiwagen rijdt een stoet hoogwaardigheidsbekleders te paard bestaande uit een Duitse keizer (met de keizerskroon), een paus (met de Pauselijke Tiara), een Bourgondische hertog (met de muts met ‘tongen’), een Franse koning (met de muts met fleurs-de-lys) en waarschijnlijk ook een Oosters-orthodoxe patriarch. Boven de stoet wapperen drie vaandels met onder meer de fleur-de-lys van Frankrijk en de dubbele adelaar van Duitsland. Hiermee geeft de schilder aan dat ook de hoogste standen te zeer hechten aan aardse zaken.De Bruyn (2001): p. 33. Kritiek op de paus was in Bosch’ tijd echter niet nieuw, zoals de volgende passage uit de Vierde Martijn (Brabant, 1299) aantoont:
thumb|left|250px|Detail van middenpaneel: De machtigen der aarde
Bovendien was een paardrijdende paus in de late middeleeuwen de metafoor bij uitstek voor hoogmoed.De Bruyn (2001): p. 34. Zo schreef de Antwerpse rederijkster Anna Bijns:
Ook maakt de paus een na u-gebaar richting de keizer, waarmee de schilder zijn schijnheiligheid onderstreept. Hiervoor is te midden van een groep personen, die aan hun trechtervormige hoedjes te herkennen zijn als Joden, een man met een witte tulband afgebeeld. Deze figuur houdt zijn hand op zijn buik alsof hij zwanger is. Waarschijnlijk is deze figuur de Antichrist. De Antichrist werd in de middeleeuwen vereenzelvigd met de Romeinse keizer Nero, die volgens een legende zwanger was van een worm. Ook was de gedachte dat de Antichrist geboren zou worden uit het Joodse volk in Bosch’ tijd wijd verspreid.De Bruyn (2001): p. 45-46.
thumb|left|Detail van middenpaneel: Duivelse wagenmenners De hooiwagen wordt getrokken door een aantal demonen, die samengesteld zijn uit mens-, dier- en plantachtige elementen. Ze trekken de wagen – en daarmee ook de nietsvermoedende en door het hooi verblinde mensheid – in de richting van het rechterpaneel. De demonen worden gemend door een met dorre takken begroeide duivel. Dit motief illustreert mogelijk het spreekwoord ‘den hoywagen drijven’ (iemand beliegen of voor de gek houden), terwijl zijn donkerblauwe kap verwijst naar het spreekwoord ‘iemand de blauwe huik omgangen’ (iemand bedriegen).De Bruyn (2001): p. 35-36.
Achter de groep demonen is te zien hoe een groep Joden – opnieuw te herkennen aan hun hoofddeksels – een grot verlaat en zich net als de rest van de mensheid op het hooi stort. Deze voorstelling is waarschijnlijk gebaseerd op een aan Ezechiël 38-39 en Openbaringen 20:8 ontleende legende, waarin een groep door Alexander de Grote in een grot opgesloten Joden aan het einde der tijden wordt bevrijd en onder leiding van de Antichrist het christendom grote schade toebrengt.De Bruyn (2001): p. 47.
thumb|De zeven hoofdzonden. Afkomstig uit Giovanni Boccaccio (15e eeuw) De mulieribus claris. Boven op de hooiwagen lijkt een struik te groeien. In deze struik bevindt zich een zoenend paartje. Dit motief komt overeen met een 15e-eeuwse prent uit Giovanni Boccaccio's De mulieribus claris, waarin het verwijst naar de hoofdzonde onkuisheid.De Bruyn (2001): p. 37. Het muziekmakende paar, dat zich voor deze struik bevindt, doet denken aan het muziekmakende paar op Bruegels Triomf van de Dood. Muziekmaken werd in de late middeleeuwen geassocieerd met ijdelheid, omdat het ervoor zorgde dat men het geloof verwaarloosde.De Bruyn (2001): p. 39. Waar men bij Bruegel muziek maakt op de klanken van de dood, laat Bosch hen begeleiden door een blauwe, fluitspelende duivel.De Bruyn (2001): p. 38. De kleur blauw was in Bosch’ tijd de kleur van het bedrog. Ook tijdens de Mariaommegang in Antwerpen bevond zich boven op de hooiwagen een duivel, die ‘Bedriegelijke Verlokking’ genoemd werd. Dit verleidingsmotief wordt versterkt door de steenuil rechts, die in deze context gebruikt wordt als lokmiddel bij de vogelvangst (zie ook Bosch’ Uilennest).De Bruyn (2001): p. 40-41. Geheel links steekt uit de struik een stok met daarop een kan bevestigd. Dit motief wordt van de 15e tot en met de 17e eeuw gebruikt als uithangteken van herbergen. Dit onderstreept het zondige karakter van de voorstelling.De Bruyn (2001): p. 42.