De heksenvervolging heeft tussen circa 1450 en 1750 grote delen van Europa in haar greep gehad en vele tienduizenden slachtoffers geëist. De meeste schattingen lopen uiteen van 30.000 tot 60.000 geëxecuteerdenVolgens de Encyclopaedia Britannica zouden 110.000 berecht zijn en tussen de 40.000 en 60.000 terechtgesteld. Brian Levack (The Witch Hunt in Early Modern Europe) ongeveer 60.000 doden. Anne Lewellyn Barstow (Witchcraze) ongeveer 100.000 doden. Ronald Hutton (Triumph of the Moon) ongeveer 40.000 doden. waarvan ongeveer 80% vrouwen. De meeste van die vrouwen waren ouder (meestal rond de 60), zeer arm, alleenstaand en machteloos. Onder hen bevonden zich veel natuurgenezers met kennis van plantkunde, helers en vroedvrouwen die hielpen bij de zwangerschap.

De heksenvervolging vond niet, zoals veel mensen denken, grotendeels in de middeleeuwen plaats, maar voornamelijk in de vroegmoderne tijd.

Hekserij werd aanvankelijk gezien als het op bovennatuurlijke wijze uitroepen van kwaad over anderen. Rond 1375 werd daar door de hogere klasse aan toegevoegd dat de heksen een pact met de duivel gesloten zouden hebben. Een eerlijke procesgang vond echter niet plaats. Vaak waren de aanklagers tevens rechters. Belangrijke rechtsbeginselen zoals geformuleerd door onder andere Cesare Beccaria (1738-1794) zouden pas later ingang vinden en in algemeen geldende wetten worden vastgelegd.

De meeste van hekserij beschuldigden "bekenden" alle beschuldigingen, omdat ze gemarteld werden. Ook wezen zij tijdens de martelingen andere personen aan die zich zogenaamd inlieten met hekserij, die op hun beurt ook weer anderen zouden aanwijzen, hetgeen leidde tot processen met talloze onschuldig veroordeelden. Velen stierven reeds tijdens de martelingen. Indien ze zich na de bekentenis ook nog bekeerden, werden ze gewurgd, voordat ze verbrand werden en zouden ze nog in de hemel kunnen komen; bekeerden ze zich niet, dan belandde de heks levend op de brandstapel. Tot het eind van de 15e eeuw bleven de straffen meestal beperkt tot geldboetes, eventueel gevolgd door een verbanning. Pas later werden de dodelijke vervolgingen gebruikelijk.Eric Raes, Hekserij en exorcisme. Een studie over heksenprocessen in het Mechelse, 1993.

Na 1490 werden de vermeende heksen er door de hogere klasse ook nog van beschuldigd vrijwillig geslachtsgemeenschap ("boelschap") met de duivel te hebben gehad, tijdens de heksensabbatten, occulte bijeenkomsten met ceremonieën, waarover de meest bizarre verhalen de ronde deden. Verdachten werden gedwongen de namen van andere deelnemers aan die sabbatten te noemen. Daardoor ontstonden er op grote schaal procesreeksen en massaprocessen. Ook kinderen, mannen, geestelijken en hoogwaardigheidsbekleders kwamen daarbij op de brandstapel.

Rond 1660 kwam het tot een grote mentaliteitsverandering bij de elite. Men werd sceptisch en verwierp het concept van onstoffelijke wezens. Hierdoor liet de elite zijn ideeën over duivelspact en heksensabbat varen. Rechters begonnen heksenprocessen tegen te werken en de wetgeving werd zodanig aangepast dat heksenprocessen steeds minder tot een veroordeling leidden. De marteling werd als methode bij strafrechtelijk onderzoek afgeschaft.

Rond 1720 waren er in Europa vrijwel nergens meer heksenprocessen. Het laatst gedocumenteerde geval betrof waarschijnlijk op 13 juni 1782 de veroordeling van Anna Göldi (1740-1782) in Glarus, Zwitserland; in een volgend geval in 1789 liet men de aanklacht verlopen. De ”macht van de openbare mening“ liet heksenprocessen inmiddels niet meer toe.vermeld door Baschwitz op pag. 542-543

Over het aantal slachtoffers van de Europese heksenwaan en -vervolging, voor en tijdens de Renaissance, lopen de schattingen uiteen. Een enkele rechter, Nicolas Rémy, beroemde zich er in zijn boek Daemonolatria (Duivelsdienst, 1595) op dat hij in Lotharingen meer dan 800 van hekserij beschuldigde personen had laten verbranden.Nicholas Rémy, Demonolatry, University Books, 1974 Volgens de Zweedse onderzoeker en filmmaker Benjamin Christensen, in 1922 de maker van het docudrama Häxan, beliep het totale aantal in de loop der jaren mogelijk zelfs 8 miljoen personen. Andere schattingen komen uit op lagere aantallen.

De 20e-eeuwse massapsycholoog Kurt Baschwitz zou ”de moorddadige geestesverbijstering“ van de heksenvervolgingen betitelen als ”een verdrongen complex van de westerse wereld“. Als overlevende van de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog beschouwde hij de heksenvervolgingen als het meest voor de hand liggend vergelijkingsobject voor de massale verschijnselen van verstandsverbijstering.Kurt Baschwitz, De Strijd met den Duivel (1948), p. 10

Voorgeschiedenis in de Oudheid In de Griekse en Romeinse wetgeving was het belangrijk of iemand daadwerkelijk schade of letsel berokkend had. De "tovenarij", het maken van amuletten en het uitvoeren van bezweringen was immers een dagelijks onderdeel van de heidense religie. De intentie om iemand schade te berokkenen was niet genoeg en men werd doorgaans vrijgesproken. Maar in 184-183 en 180-179 v.Chr. werden grote groepen mensen geëxecuteerd in de beruchte veneficia-zaken. Livius heeft het in zijn werken over tweeduizend mensen. Vaak waren de beschuldigden afkomstig uit een minder gunstige sociale positie, zoals vrouwen, slaven en buitenlanders. Er heerste een sfeer van grote paniek in het land.

Een decreet van keizer Constantius II schreef voor dat bij het bestrijden van de Heidense godsdiensten alle "tovenaars" in Rome voor de wilde dieren geworpen moesten worden. In de provinciae zou hen het vlees met ijzeren haken van het lijf moeten worden gescheurd.

Reeds uit de Middeleeuwen zijn er gevallen bekend waarbij mensen werden veroordeeld op beschuldiging van zwarte magie. Een misoogst of de dood van een dier of een mens was vaak aanleiding tot het zoeken van een zondebok. Vaak bleef de straf echter beperkt tot verbanning of een geldboete. Ook zag men in de Middeleeuwen hekserij vaak als heidens overblijfsel, en was men onder clerus vaak zeker genoeg van de eigen waarheid om de hekserij als een obscuur fenomeen zonder reële uitwerking terzijde te schuiven.

Aanloop tot de heksenvervolging, circa 1330-1450 Magiërs kwamen al voor in alle tijden en de meeste culturen, voor zover dit is nagegaan. Elk dorp had wel een magiër. Zij konden op bovennatuurlijke wijze ingrijpen in het dagelijkse leven. Witte magiërs genazen ziekten of ze vonden gestolen goederen terug. Zij zijn nauwelijks vervolgd.

Zwarte magiërs zouden mensen en dieren ziek maken of laten sterven, misoogsten veroorzaken of handelingen laten mislukken, zoals het karnen van boter uit melk. Men sprak van maleficiën. Deze maleficiën konden zij onder andere doen door aanraking, het uitspreken of opschrijven van een vervloeking, door poppen te maken van hun slachtoffer en daar pinnen in te steken, of door alleen maar ergens naar te kijken. Sommige heksen wisten zelf niet dat ze dit "boze oog" hadden. Verder zouden ze drankjes brouwen om conceptie te voorkomen, impotentie te veroorzaken, of om liefde aan te wakkeren dan wel te laten bekoelen.

Tot 1300 waren er geen heksenprocessen want zwarte magie werd in de dorpen bestraft door de burgerwacht of vigilante, of middels een wraakactie (vendetta).

Tussen 1325-1330 was er een aantal politieke showprocessen waarin vorsten hun tegenstanders ervan beschuldigden met hulp van de duivel samenzweringen tegen hen te smeden. Dit leek enigszins op de latere heksenprocessen.

Van de periode 1330-1375 zijn van 25 heksenprocessen in Europa de stukken bewaard gebleven. Heksen werden toen alleen van maleficiën beschuldigd. De heks kreeg daarvoor een passende straf. Een moord die gepleegd zou zijn door toverij werd hetzelfde bestraft als een moord die met een bijl was gepleegd. Mannen en vrouwen van elke rang en stand konden van hekserij beschuldigd worden. Tussen 1300-1400 was 50-60% van de heksen vrouw.

Na 1375 begon de dominicaanse inquisitie zich met de heksenvervolging te bemoeien. De geleerden (theologen, filosofen en rechters) geloofden niet dat zwarte magie en maleficiën mogelijk waren zonder de hulp van de duivel. Daarom beschuldigden zij de heksen ervan, dat zij een ketters pact met de duivel hadden gesloten. De heksen zouden de duivel aanbidden en in ruil daarvoor grote krachten krijgen om kwaad te doen. Rond 1400 was er al sprake van ketterse duivelsverering en van abortus (door kruidendrank) en het vermoorden van baby's om magische dranken te maken. De bekentenissen werden door marteling verkregen. Vanuit het volk kwam tussen 1375 en 1580 bijna nooit een aanklacht over duivelsverering, het volk klaagde alleen over maleficiën.

Tussen 1365 en 1428 zijn van slechts 84 heksenprocessen de stukken bewaard gebleven. Tussen 1430-1500 waren er 300 bewezen heksenprocessen in heel Europa. Tussen 1400-1500 was 60-70% van de heksen vrouw.

Rechtsgang Er waren kerkelijke en de wereldlijke gerechtshoven. Het kerkelijke gerecht was de inquisitie. Deze was al rond 1250 door de kerk ingesteld tegen de ketterij en werd na 1375 ook ingezet tegen de heksen. Dominicanen en (vanaf 1600) jezuïeten hebben vele heksen naar de brandstapel gestuurd, in sommige Europese steden met honderden tegelijk op een dag.Thomas J. Schoeneman, "The Witch Hunt as a Culture Change Phenomenon", in: Brian P. Levack (ed.), Anthropological Studies of Witchcraft, Magic and Religion, 1992, p. 337-362 De inquisitie ging uit van het inquisitoire recht. De verdachte had nauwelijks rechten en mocht gemarteld worden. Als een dergelijk proces eenmaal begonnen was, leidde dit (zeker in Duitsland) meestal ook tot een veroordeling. Het wereldlijke gerecht was aanvankelijk gebaseerd op het accusatoire recht. Beide partijen waren gelijkwaardig en mochten getuigen oproepen. Wat hekserij betrof, moest er een aanklacht uit het volk komen door iemand die zich door de heks benadeeld voelde (middels maleficiën). Maleficiën kwamen echter op bovennatuurlijke wijze tot stand en lieten zich niet eenvoudig bewijzen want er konden geen ooggetuigen van zijn. Als de beschuldigde heks in de gemeenschap populairder was dan de aanklager, kon zij door het oproepen van getuigen terugslaan en de klager een proces wegens smaad aandoen. Er mocht niet gemarteld worden, dus aanklachten over een verbond met de duivel hadden weinig kans van slagen.

Na 1520 centraliseerden absolutistische vorsten de rechtspraak op een manier die hen meer controle over het volk gaf. Het wereldlijke gerecht werd toen in Europa grotendeels inquisitoir, behalve in Engeland, waar het oude accusatoire recht bleef bestaan. De overheid kon nu zelf op onderzoek uitgaan en zelf de aanklacht formuleren. Een aanklacht vanuit het volk was niet langer nodig, hoewel de meeste heksenprocessen nog altijd begonnen met een aanklacht uit het volk.

Intensivering van de heksenvervolging circa 1450-1560 Na 1450 begon het aantal vervolgingen toe te nemen. Tussen 1460-1475 waren er al heel wat heksenprocessen geweest in Europa. Dominicanen waren daar als inquisiteur nauw bij betrokken. Geen dorp zou volgens hen vrij zijn van de heksenplaag.

Vanuit de hervormingsbeweging binnen de kerk (dominicanen en franciscanen) waren er sinds 1375 geschriften verschenen tegen de hekserij. Hierin was sprake van een verbond dat de heks met de duivel gesloten zou hebben. De heks zou de duivel aanbidden en in ruil daarvoor bijzondere krachten krijgen om kwaad aan te richten. Dit verbond werd ketters genoemd.