Ik eet, ik eet, tot ik niet meer kan is een roman van Bea Vianen gepubliceerd in 1972. De tweede druk kwam uit in oktober 1984 bij uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem.
Ik eet, ik eet, tot ik niet meer kan is een maatschappijkritische roman over armoede, afkomst, ongelijkheid en seksualiteit. Tegelijkertijd neemt het boek de lezer mee in de wereld van de rijke Surinaamse keuken.
Verhaal
De roman speelt zich af in het Suriname van de jaren zeventig. De zestienjarige Richenel Jubitana komt uit een arm milieu. De familie van zijn moederskant zijn Creolen, de familie van zijn vaders kant zijn Indianen. Hij woont samen met zijn grootmoeder Ouma en zieke moeder in Bloemendaal. Zijn vader woont ergens in Paramaribo, maar die spreekt hij nooit.
Het jongensinternaat in Paramaribo waar Richenel komt te wonen wordt geleid door de strenge en vrome mevrouw Kooi. Hij raakt bevriend met de Hindoestaan Bierbal Sheorattan en Johan Blackman. Voor vijfentwintig gulden per maand worden de jongens verzorgd en onderwezen. De verschillende etnische en sociale milieus waar de jongens afkomstig uit zijn zorgen voor onderlinge strubbelingen en conflicten. Maar hoe verschillend de afkomst van de jongens ook is, de armoede die zij allemaal kennen schept een band en werkt grensoverstijgend. Kenmerkend voor de romanpersonages is dat hun onderlinge verhouding voor een groot deel wordt bepaald door eten.
Het verzet tegen de onderdrukking van mevrouw Kooi eindigt in een ontsnapping uit het internaat. De problematische thematiek vrijheid versus onvrijheid is hiermee echter niet opgelost: hoewel ontsnapt, hebben de jongens nog geen vaste identiteit verworven, geen plek in de maatschappij waar zij heen kunnen vluchten.
Eten & Cultuur Multicultureel Suriname Uit het beeld dat van Suriname wordt geschetst komt duidelijk de multiculturaliteit naar voren. De ene keer wordt dit hoger gewaardeerd dan de andere keer. Een motief in de roman is dan ook het al dan niet kunnen identificeren met één bepaalde cultuur of juist met de mix aan culturen, de massacultuur. Zo levert het aanschouwen van de meest uiteenlopende reclameadvertenties voor voedingswaren in de stad bij Richenel slechts onbegrip en een gevoel van vervreemding op; hij kan zich niet identificeren met deze gemengde massacultuur. Fernandes, Coca Cola, pindakaas, zoutvlees, Espeekippen: ‘De stad zei hem niet zoveel, hij kende er bijna niemand en hij werd ook niet echt verwacht.’ (Vianen 1984:27). Hier komt Richenels minderwaardigheidscomplex naar voren Ouma lijkt zich ook niet helemaal thuis te voelen in de multiculturele samenleving: ‘Die Undistanen rijden als gekken door de stad. Ik zeg altijd: voeding is nog geen opvoeding.’ (Vianen 1984: 39). Hieruit blijkt het belang dat Ouma hecht aan de juiste waarden en normen. De tegenstelling tussen haarzelf en de multiculturele buitenwereld komt naar voren: Ouma is verzorgend voor haar familie en laat dit blijken door eten aan ze te schenken. Zij zorgt voor zowel de voeding als de opvoeding, want het samengaan van deze twee is absoluut geen vanzelfsprekendheid in de wereld. Meerdere malen wordt in de roman benadrukt dat de Hindoestanen er bekend om staan om welvarend, en weldoorvoed te zijn: volgens Ouma ontbreekt het hen echter des te meer aan goede manieren. De Hindoestaan Bierbal voelt zich tevens vervreemd van zijn eigen etniciteit: hij weet dat hij het statussymbool is van mevrouw Kooi vanwege zijn afkomst en voorbeeldige gedrag, maar hij vindt hierin niets terug van zijn ware aard, onder andere door de multiculturele invloeden waaraan hij blootstaat. Ouma heeft ook kritiek op indianen; Richenels vader is een indiaan, en Ouma keurt het feit dat Richenel van ‘indianenvoedsel’ houdt af; hier kan zij zich niet mee identificeren.
Surinaams-Afrikaanse cultuur Richenel kan zich tevens niet identificeren met de Afrikaans-Surinaamse cultuur van zijn familie. Zijn tante bijvoorbeeld kan als typisch Surinaams beschouwd worden. Zoals eerder beschreven is iedereen voorzien van genoeg eten, een belangrijk aspect in de Surinaamse cultuur. Gastvrijheid en overvloed is van belang, het zou beschamend zijn als blijkt dat iemand niet genoeg eten kan aanbieden aan zijn gasten. Ook als men bij elkaar op bezoek gaat is het de gewoonte om iets lekkers te mee te nemen; in de roman doet Ouma dit overvloedig, maar Richenel lijkt het nooit erg te waarderen: hij schaamt zich voor haar. Ook als zijn tante Richenel ‘zoetgeurende awarra’s en maripa’s’ (Vianen 1984:110) aanbiedt, voelt hij zich gedwongen om deze aan te nemen, al heeft hij er geen behoefte aan; want hij weet dat zij het als een belediging zal opvatten als hij het aanbod afslaat. De passage illustreert zo de beknelling door beleefdheidsregels ten aanzien van voedsel. Onder het kopje Eten & het “oude” Suriname, komt ter sprake dat in de 19e eeuw zout en peper onmisbare smaakmakers waren voor de keuken van de Surinamers van Afrikaanse afkomst. Dit geldt nog steeds. De Surinaamse keuken kruidt haar maaltijden zeer pittig: peper en sambal zijn de belangrijkste smaakmakers. Wat het gebruik van kruiden betreft, onderscheiden enkel de Hindoestanen zich door het gebruik van kerrie en massala (=gele gember, koriander, komijn). Vanwege het tropische klimaat in Suriname, dat veel transpiratie oplevert, is ook zout een belangrijke smaakmaker. De waardering van zout uit zich in het concept ‘switi mofo’ of ‘stimofo’ wat letterlijk ‘zoet’ hapje betekent, maar dat in praktijk vaak allesbehalve zoet is. Albert Helman. Facetten van de Surinaamse samenleving. Zutphen: De Walburg Pers 1977, p. 48
Treef In Suriname bestaat er bij bepaalde groepen al lang een ‘treef-geloof’, voornamelijk onder de Creolen: het nuttigen van bepaalde voedingsmiddelen is voor sommigen verboden, omdat het ernstige ziekten en vooral lepra zou kunnen veroorzaken. Albert Helman. Cultureel mozaïek van Suriname. Zutphen: De Walburg Pers 1977, p.46 Deze verboden kunnen per individu verschillen, maar het heeft onlosmakelijk te maken met de toestanden in de familie. Een treef wordt geërfd van de vaders kant, maar het kan ook voorkomen dat iemands treef wordt geopenbaard in een droom, vaak door een vrouw. Daarnaast moet een vrouw tijdens de zwangerschap rekening houden met zowel haar eigen voedseltaboes, als die van de verwekker Er wordt erg veel waarde aan de treef gehecht: als een kind de treef van zijn vader in acht neemt, en toch last krijgt van een huidaandoening, wordt dit gezien als een sterke aanwijzing dat de vrouw een kind bij een ander heeft verwekt. Tot slot kan treef ook later in het leven verworven worden door het dragen van bepaalde amuletten die dwingen je te onthouden van bepaald voedsel. Albert Helman. Cultureel mozaïek van Suriname. Zutphen: De Walburg Pers 1977, p. 255
Richenel en ouma’s voedseltaboes Richenels houding tegenover ouma is te typeren als een verzetshouding. Ouma beweert het ene, Richenel denkt het andere, het tegenovergestelde, vooral als het op voedsel aankomt. Ouma met haar strenge ideeën en principes duldt echter geen tegenspraak. Om te beginnen is ze voor zichzelf al erg streng: naast de voedingswaren die ze niet lust, heeft ze ook nog eens veel verschillende treefsoorten. Hierbij toont ze zich niet consequent, haar mening over voedsel kan van de ene op de andere dag bijgesteld zijn. Helaas (voor haar omgeving) zijn dit altijd beperkende bijstellingen – het lijstje met voedseltaboes wordt steeds groter, als zij meent causale verbanden ontdekt te hebben tussen bijvoorbeeld het eten van kousebandjes en ‘het gejeuk achter haar oor en van de bruine vleken en wondjes op de voeten van zijn [Richenels] moeder’ (Vianen 1984:15). Richenel heeft de pech dat hij in zijn positie niet om ouma heen kan en hij wel moét gehoorzamen. Zijn wrok toont zich op andere manieren. Zodra Ouma ontdekt dat Richenel, die net in de puberteit gekomen is, last krijgt van vetpuistjes, gaat ze naargeestig op zoek naar de etenswaar die hier de boosdoener moet zijn. Hier komt geen logica aan te pas: ze vergelijkt Richenels puistjes met de wondjes op de voeten van zijn moeder, en trekt daaruit de conclusie dat deze veroorzaakt worden door dezelfde treef, wat een verbod oplevert voor het eten van krabben en garnalen. Maar daar laat ouma het niet bij, nu ze toch op dreef is besluit ze om voor Richenel ook maar meteen een varkensvleesverbod in te voeren.
Dit is (letterlijk) onverteerbaar voor Richenel. ‘Ten eerste was er voor hem wat het eten aanging veel minder keus en ten tweede was het onverdraaglijk dat ouma hem tot een invalide verklaarde die voor zijn leven geen garnalen, krabben en geen varken mocht eten.’ (Vianen 1984:16). Dit is een variant van een motief waarvan Michiel van Kempen heeft geconstateerd dat het een veel terugkerend motief is in het werk van Bea Vianen: ‘De taboeïsering van mensen met afwijkend gedrag of een handicap.’ Michiel van Kempen. ‘10. Teksten’ In: Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur. Deel 4 (2002), p.538 Het gaat hier niet zozeer om de taboe met betrekking tot een afwijkend persoon, maar eerder is er het omgekeerde aan de hand: een voedseltaboe, een treef, heeft als gevolg dat een persoon zich invalide gaat voelen. Op zijn eigen, stiekeme manier wreekt hij zich door af en toe dubbeltjes en stuivers uit ouma’s portemonnee te jatten.
Hollandse cultuur Creolen in Suriname gaan eclectisch te werk als het gaat om hun voedselkeuze. Zo hebben ze ook Hollandse maaltijden in hun keuken opgenomen, met een aanzienlijke vet- en zetmeelinhoud. Voorbeelden hiervan zijn zuurkool, bruine bonen met rijst en erwtensoep. Albert Helman. Facetten van de Surinaamse samenleving. Zutphen: De Walburg Pers 1977, p. 49 Hoewel de personages in de roman zich nergens expliciet verzetten tegen de Hollandse onderdrukking, komt toch enkele malen een impliciete dubbelzinnige houding aan het licht; met ouma en mevrouw Kooij als belangrijke symbolische figuren.
Het internaat De dagelijkse cultuur van de jongens uit de roman is voornamelijk een beklemmende cultuur: het internaat met mevrouw Kooi aan het hoofd staat symbool voor de Nederlandse onderdrukking. De lezer maakt kennis met het internaat vanuit Richenels perspectief. Hij wordt er door ouma heengebracht. Zij kent mevrouw Kooi van vroeger en gebiedt Richenel om ontzag en eerbied voor haar te hebben. Dit is de sterkste aanwijzing in de roman dat de familie Kooi gerelateerd is aan het gouverneurswereldje waaraan ouma in het verleden dienstbaar was. De jongens in het internaat moeten zich aan strenge regels houden en worden ook beperkt in wat ze kunnen eten. Mevrouw Kooi is hypocriet: ze doet zich voor alsof zij de verzorgende moeder van de jongens is, terwijl ze in werkelijkheid seksuele fantasieën over ze heeft. De jongens verzetten zich tegen haar onderdrukking en bedenken steeds nieuwe manieren om aan voedsel naar hun eigen keuze te komen. ‘hun gemeenschappelijke angst voor een lege maag was groot en steeg bij de geringste gedachte aan straf om iets wat ze wel of niet hadden gedaan.’ (Vianen 1984:71). Vooral Bierbal is het meesterbrein achter de plannen om geld te stelen van mevrouw Kooi. Hij houdt de wacht terwijl Richenel of Blackman steelt. Hoewel de jongens met hun rebellie een gevoel van saamhorigheid creëren, zijn ze uiteindelijk allen toch van totaal verschillende afkomst en ze vertrouwen elkaar ook lang niet altijd, wat voor vele spanningen zorgt, vooral als het om de verdeling van hun ‘eigen’ voedsel gaat.
Identiteitscrisis