thumb|Zeventiende-eeuwse voorstelling van het Midden-Oosten. De afbeeldingen linksboven en rechtsboven geven de zondeval en de verdrijving uit het Paradijs weer. Veel plaatsen uit Genesis zijn weergegeven: rechts het Paradijs, Babel en Ur. Uiterst rechts de berg Ararat met de ark van Noach. Iets boven het midden ligt Haran. Links aan de Middellandse Zee het land Kanaän, met de namen van diverse volken. In dit gebied liggen onder andere Sichem en Bethel. De Dode Zee is niet weergegeven, op de plek daarvan liggen Sodom en Gomorra. Linksonder Egypte met het land Gosen. thumb|De schepping van de sterren en planeten zoals Michelangelo deze schilderde in de Sixtijnse Kapel, in het Vaticaan. thumb|Een rabbijn bezig met het schrijven van Genesis in het Hebreeuws in de deels verwoeste synagoge van Massada in Israël
Genesis (Grieks: Γένεσις, "ontstaan") is het eerste boek van de Hebreeuwse Bijbel. De Hebreeuwse aanduiding בראשית, Beresjiet betekent "in het begin" en volgt de traditie om de boeken aan te duiden met het eerste woord ervan; in het Nederlands begint het boek met de zin: "In het begin schiep God de hemel en de aarde".
Genesis vormt het eerste deel van een nog grotere vertelconstructie, die de boog van de schepping tot aan het einde van het koninkrijk Juda en de Babylonische ballingschap omspant — Genesis tot en met 2 Koningen. Binnen deze samenhangende verhalen vertelt Genesis het verhaal van het begin, de schepping, via de aartsvaders van de Israëlieten tot aan de ballingschap van Jakobs familie met aanhang in Egypte.
Traditioneel wordt Genesis toegeschreven aan Mozes, maar in de hedendaagse Bijbelwetenschap wordt het werk gezien als een product van de 6e en 5e eeuw v.Chr.John Van Seters (1998): The Pentateuch, in Steven L. McKenzie, Matt Patrick Graham: The Hebrew Bible today: an introduction to critical issues, Westminster John Knox Press, pag. 5G.I. Davies (1998): Introduction to the Pentateuch, in John Barton: Oxford Bible Commentary, Oxford University Press, pag. 37
Auteurschap
Volgens de traditie schreef Mozes Genesis en de vier hierop volgende boeken, die daarom samen de Pentateuch, "vijf boeken" worden genoemd. In de 17e eeuw ontdekten geleerden en wetenschappers dat er allerlei passages in staan die alleen konden zijn geschreven nadat Mozes was overleden en die hij dus niet zelf kon hebben opgeschreven (zoals de passage in Genesis 12:6 "... en de Kanaänieten waren toentertijd in dat land", die impliceert dat de auteur leefde in een tijd dat de Kanaänieten niet meer in dat land waren). Bovendien wees het feit dat er soms meerdere keren dezelfde informatie op een iets andere manier wordt verteld op een samenstelling van meerdere bronnen met een verschillende oorsprong. De reconstructie van de oorspronkelijke tekst en datering van de verschillende elementen heet de documentaire hypothese en is in de wetenschap de gangbare opvatting over het ontstaan van Genesis.
Structuur In Genesis worden gewoonlijk twee hoofddelen onderscheiden: de oergeschiedenis (Genesis 1:1-11:26) en de vertellingen over de aartsvaders (Genesis 11:27-50:26).
Vaak worden de verhalen over Jozef (Genesis 37-50) niet als onderdeel van de vertellingen over de aartsvaders beschouwd. De held van die verhalen is geen representant van heel Israël, maar een losstaand figuur. Vanaf het begin is de geschiedenis van Jozef een hoofdverhaal, zeker vergelijkbaar met de geschiedenis van Jakob. Qua vorm komen ze dichter in de buurt van de wijsheidsliteratuur dan de andere verhalen van Genesis. De verhalen roepen op tot een positieve instelling bij het leven in den vreemde: ook in de grootste chaos blijft God op de achtergrond zorgvuldig de regie houden.
Indeling naar genealogie: de Toledot-indeling De tekst van Genesis bevat een web van tien Toledot-formules. Het in deze formule gebruikte Hebreeuwse woord תּוֹלְדֹת, toledot kan met "genealogie" of "ontstaansgeschiedenis" worden vertaald. "Toledot van X" betekent dan regelmatig de opvolgingsgeschiedenis of de geschiedenis van de nakomelingen van X. De formule werkt als een soort opschrift en geeft de samenhang van de verhalen weer:
Vers Opschrift Toelichting 1:1 - 2:3 vormt een eenheid. De tekst heeft geen opschrift en vormt een soort voorwoord. 2:4 Toledot van hemel en aarde De schepping van de mens, de zondeval en de eerste moord vormen een eenheid. Het is een nageschiedenis van de schepping van hemel en aarde (1:1 - 2:3). 5:1 Boek van de Toledot van Adam De eerste genealogie wordt voorafgegaan door de aanduiding "boek". Het begin van de geschiedenis mondt uit in de verderfelijkheid van de mensheid. 6:9 Toledot van Noach De geschiedenis van de vloed loopt vooruit op het onderscheiden lot van de nakomelingen van Noach. 10:1 Toledot van Noachs zonen Het verschillende lot van de zonen van Noach leidt tot ruimtelijke scheiding van de volken. 11:10 Toledot van Sem Overbrugging naar de verhalen over aartsvader Abraham. 11:27 Toledot van Terach De geschiedenis van Abraham voegt de geschiedenis van de andere afstammelingen van Terach in (Lot, verwante in Mesopotamië). 25:12 Toledot van Ismaël De genealogie sluit de andere afstammingslijn van Ismaël verteltechnisch af. 25:19 Toledot van Isaak De geschiedenis van Jakob is de gemeenschappelijke geschiedenis van Jakob en Esau. 36:1 en 9 Toledot van Esau De genealogie sluit de andere afstammingslijn van Esau verteltechnisch af. 37:2 Toledot van Jakob De zogenoemde Jozefverhalen omspannen de gemeenschappelijke geschiedenis van Jakobs zonen.
Samenvatting van de oergeschiedenis
Schepping (Gen 1 - 2:3) Genesis begint met twee scheppingsverhalen. Het eerste verhaal vertelt hoe God de hemel, aarde, planten, dieren en uiteindelijk de mens in zes dagen schiep. De zevende dag rustte Hij.
Paradijsvertelling (Gen 2:4 - 3:24) miniatuur|Engel met zwaard verdrijft Adam en Eva uit het Hof van Eden nadat ze van de boom gegeten hebben. Hier geschilderd door John Roddam Spencer Stanhope (ca. 1900). In de paradijsvertelling schiep God na de aarde met planten en dieren uit aarde de eerste mens, Adam, en plaatste hem in een prachtige tuin, het paradijs (de Hof van Eden). God verbood Adam te eten van de Boom van de kennis van goed en kwaad. Hij bracht alle dieren naar Adam om hen een naam te geven. Daarna liet God Adam in slaap vallen en maakte uit een van zijn ribben de vrouw, Eva. Eva werd door een slang verleid om een vrucht te eten van de verboden boom en op haar beurt verleidde zij Adam hiertoe. Op dat moment beseften ze dat ze naakt waren en schaamden zich daarvoor, waarna ze zich bedekten met vijgenbladeren. Om te voorkomen dat Adam en Eva ook van de levensboom zouden eten en zo het eeuwig leven zouden verwerven, verdreef God hen uit de tuin van Eden.
Het verhaal van het paradijs heeft een etiologische functie en legt uit waarom slangen geen poten en een slechte verstandhouding met mensen hebben.Genesis 3:14-15. Ook verklaart het de barenspijn van de vrouw als straf van God en stelt - tevens als afstraffing - de man aan als hoofd van de vrouw.Genesis 3:16. Tot slot verklaart het ook waarom het leven de mens niet komt aanwaaien; moeten werken voor je brood is de straf die God de man oplegt.Genesis 3:18 en 19.
De eerste moord (Gen 4) miniatuur|Noach laat de duif los die in een later stadium een olijftak zal meebrengen om aan te tonen dat de zondvloed op haar eind loopt. De duif werd hierdoor, net als de regenboog, een symbool van het christendom. De duif zou later ook met de Heilige Geest geassocieerd raken. Mozaïek van de Basiliek van San Marco in Venetië.
Geslachtsregister (Gen. 5) Hoofdstuk 5 vermeldt de opeenvolgende geslachten van Adam tot Noach. Zoals in veel mythes werden de mensen buitengewoon oud, tot bijna 1.000 jaar. De oudste genoemde persoon is Metusalem, waar de uitdrukking 'zo oud als Metusalem' vandaan komt.
De zondvloed (Gen. 6 - 9) Na de zondeval ontwikkelde de mensheid zich van kwaad tot erger. Daar kwam bij dat de zonen van God (volgens sommigen gevallen engelen) trouwden met menselijke vrouwen en reuzen verwekten, die nephilim werden genoemd. God besloot de mensheid te straffen door een zondvloed. Alleen Noach en zijn gezin (zijn vrouw, drie zonen en hun vrouwen) zouden behouden blijven door op Gods bevel een ark te bouwen en daarin alle dieren mee te nemen (van alle reine dieren zeven paartjes, van de onreine één). Noach was toen 600 jaar oud. Toen zond God de vloed: 40 dagen en nachten regende het. Uiteindelijk zakte het water en belandde de ark op de berg Ararat.Genesis 8:4 God beloofde nooit meer een zondvloed over de aarde te brengen en bevestigde dit met het teken van de regenboog. Hierna gaf God de opdracht om zich te verspreiden en de aarde te vullen met nakomelingen.
Volkenlijst (Gen. 10) Hoofdstuk 10 bevat een geslachtsregister van de nakomelingen van Noach, de volkenlijst. Het beschrijft hoe de toenmalig bekende aarde verdeeld werd onder de nakomelingen van de zonen van Noach, Jafet (wiens nakomelingen naar het noordelijke deel van het Midden-Oosten trokken), Sem (wiens nakomelingen naar het zich rond de Eufraat en de Tigris uitstrekten) en Cham, wiens nakomelingen naar noordelijk Afrika trokken. De plaatsing van Chams nakomelingen in Afrika in combinatie met het voorgaande hoofdstuk (Genesis 9:18-9:27) waarin Cham vervloekt wordt door zijn vader Noach nadat hij Noach beneveld en naakt in zijn tent zag liggen en dit vertelde aan zijn broers, zou de basis worden van de Chamitische vloek die in latere tijden gebruikt werd om de tot slaafmaking van Afrikanen een theologische basis te geven.thumb|Torenbouw van Babel, schilderij van Pieter Bruegel de Oude (1563) Toren van Babel (Gen. 11) De mensen bleven toch bij elkaar wonen en bouwen een stad in de vlakte van Sinear en wilden daar een toren die tot de hemel reikte, om daarmee de eenheid te behouden en roem te vergaren, de Toren van Babel. God kwam naar de aarde om verwarring in de taal te stichten, waardoor men elkaar niet meer verstond en men zich ten slotte opsplitste in verschillende volkeren. Dit verklaart de verspreiding van de mensheid over de aarde.
De rest van dit hoofdstuk bevat geslachtsregisters van de nakomelingen van Sem en Terach. Opvallend in deze geslachtsregisters is dat de ouderdom van de opeenvolgende geslachten snel afnam. Dit moet waarschijnlijk gezien worden in de context van Genesis 6:3-4, waarin God besluit de mensen niet ouder dan 120 jaar te laten worden.
Samenvatting van de verhalen over de aartsvaders Abraham (Gen. 12-25) miniatuur|Lot en zijn dochters vluchten weg uit het brandende Sodom. In het midden zijn vrouw. Mozaïek uit de 12e eeuw, onderdeel van de Dom van Monreale. miniatuur|Rebekka treft Abrahams knecht bij de put en zal hem en zijn kamelen te drinken geven. Dit wordt door de knecht opgevat als teken van God dat zij Isaaks vrouw moet worden. Hier verbeeld door Giovanni Antonio Pellegrini (1708-1713) Abrahams vader Terach vertrok uit Ur naar Haran en nam zijn zoon die op dat moment nog Abram heette mee. In Haran kreeg Abraham de opdracht van God zijn land te verlaten. Samen met zijn neef Lot trok hij naar Kanaän, waar God hem vertelde dat zijn nageslacht daar zou wonen. God beloofde Abraham dat hij tot een groot volk zou worden. Omdat er op dat moment honger was in dat gebied, trok Abraham naar Egypte, waar Sarai, die zijn halfzuster was, haar huwelijk ontkende en zich voor zijn zuster uitgaf om hem te beschermen tegen mannen die hem zouden doden om met haar te kunnen trouwen. De farao trouwde haar, sliep met haar en stuurde haar, toen hem duidelijk werd dat het ongeluk dat hem vanaf dat moment ten deel viel, uit huwelijk met haar, weg. In Genesis 20 herhaalt deze geschiedenis zich met koning Abimelech. Abimelech gelooft echter in God en wordt op tijd gewaarschuwd over het huwelijk tussen Sara en Abraham. Hij stuurt haar terug naar Abraham en nodigt hen uit om in zijn land te blijven wonen.