Sint-Andries is een plaats in de Belgische provincie West-Vlaanderen, vroeger een onafhankelijke gemeente en sinds 1 januari 1971 een deelgemeente van de provinciehoofdstad Brugge. Sint-Andries ligt ten westen van de historische binnenstad. De deelgemeente heeft een oppervlakte van 20,65 km² en telt 19.818 inwoners (2014). Het had vroeger heel wat kastelen en kasteeltjes op zijn grondgebied, maar vele daarvan zijn ondertussen afgebroken.
Geschiedenis Oudste bewoning De oudste sporen van bebouwing kwamen aan het licht bij opgravingen in 1997-1998. In de buurt van de Refuge en de Zandstraat werden artefacten en fragmenten van werktuigen teruggevonden die te situeren zijn in de late steentijd, het neolithicum, of het begin van de metaaltijden, de vroege bronstijd. Putten uit de metaaltijden wijzen op een pre-Romeinse aanwezigheid, weliswaar in beperkte mate. De onderzochte Romeinse sporen zijn vooral in verband te brengen met een omgrachte nederzetting met bijhorend grafveldje. De bewoning van de site is duidelijk in verschillende fasen op te splitsen.
Bewoningssporen uit de Merovingische periode werden aangetroffen bij opgravingen in de verkaveling van de Kosterijstraat. De vondsten in de Refuge en de Kosterijstraat illustreren bewoning in de Karolingische periode. De domeinen Beisbroek en Tudor maakten in de 7de eeuw deel uit van het Merovingische kroondomein Snellegem. In de 9de eeuw kwam het in handen van Boudewijn I, de eerste graaf van Vlaanderen. Het oostelijke deel was erg moerassig en was gekend onder de naam "Bencebruch". Het was een complex broeken en maakte tot de 10de eeuw deel uit van het grafelijk domein Snellegem.
10e - 15e eeuw Het grondgebied van Sint-Andries en Sint-Baafs was verdeeld over de heerlijkheid van Straeten en het ambacht van Sijsele. De heerlijkheid van Straeten, onderdeel van het ambacht van Straeten en reeds vermeld in 941, oorspronkelijk deel uitmakend van het domein Snellegem, strekte zich uit over Sint-Andries en Varsenare en was als rechtstreeks leengoed van de graaf. De kasteelsite van Straeten bestaat nog steeds in Varsenare. Straeten was opgesplitst in kleinere heerlijkheden zoals Messem en Coudekeuken (Koude Keuken). Het grondgebied van Sint-Baafs behoorde tot het ambacht van Sijsele.
Vroegmiddeleeuwse nederzettingskernen werden aangetroffen in de verkaveling Molendorp. Daar werden verschillende waterputten en paalgaten teruggevonden. Tancmar, heer van Straeten, wilde een klooster stichten op zijn grondgebied. De heerlijkheid was gelegen in de hoek waar drie wegen samenkwamen in Brugge. De weg naar Cassel langs Wijnendale, de weg van Oudenburg op Brugge en die van Gistel. Vanaf de stichting van de Sint-Andriesabdij loopt de geschiedenis van Sint-Andries hier parallel mee. Het charter van de stichting van de abdij dateert van 22 februari 1100, de bekrachtiging door de graaf in juni 1100. De eerste monniken kwamen aan op 1 augustus 1117. In de loop van de 12de eeuw waren er problemen met de moederabdij met als gevolg dat ze in 1187 een erkenning van hun klooster als onafhankelijke abdij aanvroegen. Na veel problemen begon de abdij haar onafhankelijk bestaan op 25 maart 1188. De abdij van Sint-Andries had door de doordachte verwervings- en aankooppolitiek een groot deel van Sint-Andries in haar bezit. De Sint-Andriesabdij kwam in bezit van alle gronden gelegen tussen de Torhoutse Steenweg en de Gistelse Steenweg, vanaf de parochiekerk tot aan de huidige abdij. Rond 1115 werd het domein van "Beysbroeck", de oostelijke helft van de oude fiscus Snellegem, door graaf Boudewijn VII Hapken aan de Sint-Andriesabdij geschonken, er werd een hoeve gebouwd die tot aan de afschaffing van de abdij door haar werd uitgebaat. De 13de eeuw betekende voor de Sint-Andriesabdij een periode van belangrijke economische ontwikkelingen. Ze was gedurende eeuwen feitelijk de grootste machtsfactor op het grondgebied. Hierdoor is er relatief weinig bebouwing. In 1348 stond de Sint-Andriesabdij vijftig hectare grond af aan enkele poorters voor het bouwen van een kartuizerinnenklooster Sint-Anna-ter-Woestijne, gelegen tussen de Doornstraat, de Diksmuidse Heerweg en de Zeeweg. Het klooster was gelegen binnen een brede omwalling.
De parochie van Sint-Baafs werd reeds vermeld in 1216 en behoorde tot het patronaat van de bisschop van Doornik, zoals de Sint-Salvatorskerk.
Door de vlugge ontwikkeling tijdens de 12de en 13de eeuw kreeg Brugge in 1275 toestemming van de gravin Margaretha van Constantinopel haar grondgebied rond de stad uit te breiden. Het gebied werd voorzien van palen, vandaar de naam "Paallanden".
Ten noorden van het territorium van de Sint-Andriesabdij bevinden zich de oude kasteelsites. De site "Koude Keuken" werd reeds vermeld in 1326 en was een belangrijke heerlijkheid en leengoed van de Burg van Brugge. Het kasteel behield na de restauratie circa 1900, naar ontwerp van architect Charles De Wulf, gedeeltelijk de oude structuur, weergegeven bij Sanderus (1641). Het kasteel Messem, leen van de Burg van Brugge, bestond reeds in 1310. In de 18de eeuw werd er een zomerverblijf gebouwd terwijl het neerhof met duiventoren uit de 17de eeuw dateert. Het enige dat overblijft van de site is de hoeve en een deel van de vroegere duiventoren geïntegreerd in een nieuw volume. "'t Hof ter Zaele" is gelegen tussen Ter Lucht en Noordveld. Het was een leengoed afhankelijk van het Hof ter Straeten en dat onder het gezag stond van de Burg van Brugge. Thans heeft het boerenhuis een typisch 18de-eeuws uitzicht met mansardedak en interieuraankleding.
Tussen de Legeweg en het kanaal Brugge-Oostende en ook in het stuk ten noorden van de vaart (de Moeren) hadden verschillende Brugse kerkelijke instellingen gronden liggen: het Sint-Janshospitaal, de Sint-Andriesabdij, het Magdalenagodshuis, de kerk van Sint-Baafs, hospitaal van de Potterie, enz. De hoeve "De Potterie" wordt reeds vermeld in een oorkonde daterend van 9 september 1279 en was eigendom van het klooster der Potterie. Tot op heden bestaat die hoeve aan de Legeweg 327, met imposante bergschuur. Reeds in 1261 was een galg, eigendom van de stad Brugge, in gebruik aan de Diksmuidse Heerweg. De naam van het Galgenbos herinnert hier nog aan, hoewel de galg zelf buiten het huidige bos gestaan moet hebben. In 1292 kocht de stad Brugge een stuk grond in de omgeving van de huidige Magdalenastraat. Daar werd de stadsvijver gegraven voor de waterbevoorrading van de stad Brugge via een moerbuis en de boterbeek. In 1382-1384 volgde een verdieping en verbreding van de stadswallen waardoor het waterreservoir overbodig werd. Later werden na demping van de vijver pesthuizen op die plaats gebouwd.
16e - 17e eeuw: godsdiensttroebelen Een beeld van het toenmalige Sint-Andries is te verkrijgen aan de hand van de kaart van het Brugse Vrije van de hand van Pieter Pourbus. Het plan werd vervaardigd tussen 1561-1571 en brengt een weergave van hoeves en kasteeldomeinen en vormt als dusdanig een belangrijke iconografische bron die een inzicht biedt in de structuur van de gebouwen, de straten en de verhouding tussen bebouwde en niet bebouwde ruimten.
In 1566 vond de godsdienstoorlog plaats. De alleenstaande kloosters zoals het klooster van Sint-Anna-ter Woestijne ontsnapten niet aan de godsdiensttroebelen en moesten vluchten binnen de muren van de stad Brugge. In 1577 volgde de sloop van onder meer de Sint-Baafskerk en het Magdalenahospitaal op bevel van de stedelijke overheid. In 1580 werd het klooster van Sint-Anna-ter-Woestijne en de Sint-Theobaldkapel afgebroken naar aanleiding van de godsdiensttroebelen. Ook de parochiekerk van Sint-Baafs ontsnapte niet aan de godsdiensttroebelen en werd in 1612 volledig gesloopt. In 1610 kregen de bewoners toelating om een nieuwe kerk te bouwen, maar van deze toelating werd geen gebruik gemaakt. De parochie werd in 1647 afgeschaft en weer bij Sint-Salvators gevoegd. Ook hoeves hadden te lijden onder de godsdiensttroebelen. De hoeve "De Friessche schuur" (Legeweg) met imposante toegangspoort dateert vermoedelijk uit de 17de eeuw en is tot stand gekomen na een periode van godsdienstoorlogen.
In de loop van de 16de eeuw ontstonden een aantal kasteeldomeinen. Het kasteel Steentien, vermeld en afgebeeld in het werk van Sanderus (1641), was een belangrijke site. In 1618 werd het vermeld als "Huis van plaisance". Het huidig uitzicht dateert van 1870 en is het resultaat van een vergroting en gedeeltelijke heropbouw van kasteel.
Het "Kasteel Ter Lucht" met bijhorende hoeve en kapel van Onze-Lieve-Vrouw van 't Boompje, met het tot op heden gaaf bewaarde 18de-eeuwse interieur deels van de hand van Pieter Pepers, werd op initiatief van Andries de la Coste gebouwd. Het huidig uitzicht van het kasteel is het resultaat van een restauratie waarbij een deel van de oude kern werd bewaard.
Het domein "Bloemendale" vertoont de typische opper- en neerhofstructuur. Door de eeuwen heen onderging het verschillende verbouwingen. De hoeve verschuilt achter de gevels in historiserende stijl een oudere kern. Ook het kasteel, verbouwd in 1908 volgens de toen heersende stijl, verschuilt een oudere kern.
18e - begin 19e eeuw: Oostenrijkse Nederlanden en Frans bewind De kaart van de Oostenrijkse Nederlanden, opgemaakt door de Oostenrijkse graaf de Ferraris in 1770-1777, geeft een beeld van de bebouwing in de parochie. In de dorpskern vallen de kerk en de kloostergebouwen op met aan de overzijde de pastorie, de woning van de koster en een herberg. Ook die gebouwen hielden verband met het klooster. De weg naar Gistel was een kronkelende weg afgezoomd met bomen.
De Torhoutse Steenweg werd in 1751 aangelegd, in het tracé van een reeds bestaande aarden weg, in één rechte lijn en afgeboord met bomen. Het initiatief ging uit van Karl-Theodor von Neuberg, heer van Wijnendale, die het wegtraject Brugge–Roeselare–Menen wilde verbeteren. In 1754 waren de werken voltooid. Er ontstonden toen "diligence"-verbindingen tussen Brugge en Menen.
De Gistelse Steenweg werd rond 1775 aangelegd (verbreed, rechtgetrokken en verhard) en voorzien van twee bomenrijen van afwisselend abeel en beuk. Hiervoor was baron le Bailly de Tilleghem initiatiefnemer. Tussen de Smedenpoort en het dorp van Sint-Andries waren velden en weiden aanwezig. Er stonden zeven woningen aan Petit Paris, verder "De Witten Beer" aan het kruispunt met de Torhoutse Steenweg, "Het Pannehuis" aan de splitsing met de Zandstraat, de "Raverie" en de "Lange Munte", twee tegenover elkaar gelegen herbergen, dicht bij het oude Sint-Baafs. Op het dorpsplein stonden drie huizen aan de kant van de kerk en zes aan de overkant, de pastorie en een rij kleine huisjes. Van het dorp tot de grens met Varsenare trof men aan der rechterzijde slechts drie landelijke woningen. Er was dus weinig bewoning langs de 3,8 km lange weg.
180px|thumb|Kasteel Tudor Onder het Frans bewind werden in 1796 de parochies Sint-Andries en Sint-Baafs één gemeente, samen met de voormalige Paallanden. Als gevolg van de sekwestratie van religieuze gebouwen werd de Sint-Andriesabdij in 1797 verkocht als "nationaal goed". Bijna onmiddellijk hierna werden de abdijgebouwen gesloopt en de kunstschatten en het meubilair verkocht. Ook het domein Beisbroek, eigendom van het klooster, werd in 1798 verkocht. Het deel ten zuiden van de Diksmuidse Heirweg werd eigendom van Emmanuel van Outryve d’Ydewalle, het deel ten noorden van zijn schoonbroer Jacques de l'Espée. Op de gronden van de familie van Outryve d'Ydewalle werden de kastelen Perenboomveld, Tudor en Ter Heide gebouwd. Het kasteel Perenboomveld verschuilt achter zijn neorococo-uitzicht van 1899-1903 een oudere kern. Het kasteel Tudor, in dezelfde periode gebouwd, illustreert de tudorstijl.
De familie de l’Espée liet het kasteel Beisbroek rond 1835 bouwen in sobere classicistische stijl. De heide werd ontgonnen door aanleg van voornoemde bossen of door omvorming tot weide of akkerland.