Timaeus (Grieks: )Ook / perì phýseōs ("Over de Natuur") genoemd. is een theoretische verhandeling van de Griekse filosoof Plato waarin hij zijn natuurfilosofie uiteenzet. De omstreeks 360 v.Chr. geschreven dialoog is een speculatieve beschrijving over de aard van de fysieke wereld en presenteert Plato's kosmogonie in de vorm van een mythe. In historisch opzicht heeft deze dialoog van Plato de meeste invloed gehad, temeer omdat de Timaeus dankzij Cicero's Latijnse vertaling de enige dialoog van Plato was die in de middeleeuwse westerse wereld al bekend was., Geschiedenis van de westerse filosofie: vanuit de politieke en sociale omstandigheden van de Griekse Oudheid tot in de twintigste eeuw, Utrecht, 2008 (= Cothen, 19902), p. 171. De Timaeus is geen gemakkelijke dialoog om te lezen, vooral omdat in het verhaal dat Timaeus van Locri vertelt de wiskunde zo'n grote rol speelt. De Timaeus is te beschouwen als Plato's "theorie over alles","Theorie over alles": te vergelijken met de moderne natuurkundigen die een 'Theorie over alles' trachten te formuleren. Plato beoogde dit door de uiteenzetting over zijn natuurfilosofie in de Timaeus ook. want zowat alles komt aan bod, te beginnen vanaf het ontstaan van het universum tot de menselijke anatomie. De Timaeus dankt zijn bekendheid echter nog het meest aan het feit dat het verhaal samen met de Critias de bron is van de Atlantislegende.
Plaats binnen de dialogen thumb|left|Plato met de 'Timaeus' onder zijn arm, Aristoteles met zijn 'Ethica'. (Detail van een fresco van Raffaello Sanzio:De school van Athene, 1509). Deze dialoog uit Plato's late periode bestaat hoofdzakelijk uit een theologisch, metafysisch en teleologisch referaat van de hoofdpersoon Timaeus van Locri over de schepping van het universum - door een 'demiurg' - als afbeelding van de Platoonse Ideeën.
Op de keper beschouwd is Timaeus geen echte dialoog, maar eerder een lange uiteenzetting, een 'exposé', door Timaeus. Chronologisch behoort de Timaeus tot de 'late dialogen' die Plato tien tot vijftien jaar voor zijn dood schreef. Het werk wordt gesitueerd na Staat en vóór Philebus en de Wetten. Oorspronkelijk had de Timaeus deel moeten uitmaken van een trilogie met de Critias en de Hermocrates (nooit geschreven of gevonden). Deze trilogie was gepland om het ontstaan van het universum, de mens en de maatschappij te kunnen behandelen. Thematisch maakt deze dialoog ook deel uit van een trilogie over de ideale staat: de Staat (over de opvoeding van de staatsman-filosoof en de verschillende regeringsvormen), de Timaeus en de daaropvolgende Critias over Atlantis.
De precieze relatie van de Timaeus met de andere dialogen van Plato is echter niet onbetwist. In academische kringen is de controverse naar aanleiding van het dispuut tussen G.E.L. Owen en H.F. ChernissHet antwoord van Cherniss op Owen: , The Place of Timaeus in Plato's Later Dialogues, in (ed.), Studies in Plato's Metaphysics, Londen, 19682, pp. 339-378. nog niet helemaal tot rust gekomen. Owen publiceerde in 1953 een provocatief artikel dat de orthodoxe chronologie van de dialogen aanviel. Hij stelde dat de Timaeus niet tot Plato's laatste periode, maar eerder tot zijn middenperiode behoorde, en dus Theaetetus en Parmenides voorafging. Tot die conclusie kwam hij door de te stellen dat de stylometrische studies uit de 19e eeuw, waarbij de stilistische kenmerken van de dialogen werden onderzocht, verkeerd waren. Owens theorie steunde eerder op de filosofische ontwikkeling van ideeën zoals hij ze in Plato's teksten aantrof. Zo dacht hij dat de Timaeus na de Staat was geschreven en voorafging aan de Parmenides en de Theaetetus die volgens hem een duidelijke verandering in Plato's denken markeerden. (ed.), The Cambridge Companion to Plato, Cambridge - New York, 1992, p. 15. De orthodoxe chronologie lijkt echter voor het ogenblik na intensief stylometrisch onderzoek toch weer de overhand te hebben gekregen, zodat de Timaeus alsnog bij voorkeur tot Plato's late dialogen wordt gerekend., art. Plato's Timaeus, in SEP (2005-2009).
Met de behandeling van de fysieke wereld onderscheidt de Timaeus zich van de andere dialogen van Plato, omdat Plato nergens anders zo uitgebreid speculeert over de schepping van het universum, de dieren en de mens. Daarbij geeft hij de indruk een systeem te willen opbouwen - hoe speculatief ook - met alle elementen die zijn voorgangers, de natuurfilosofen, al aanbrachten. Met Empedocles en de atomisten voert hij de verschillende aard van de fysieke vormen terug op hun samenstellende deeltjes. Van Heraclitus adopteert hij het idee van een voortdurende flux, waardoor alle fysieke fenomenen slechts tijdelijk zijn. Daarnaast neemt hij net als de pythagoreeërs aan dat getallen deel uitmaken van een onderliggende werkelijkheid. Hij gebruikt de woorden en gedachten van Parmenides wanneer hij Zijn en Worden in de Timaeus behandelt, en net als Anaxagoras geeft hij voorrang aan de geest boven het lichaam.: Timaeus, door Plato - zie e-tekst op Classic literature
Mogelijk is voor de lezer het meest in het oog springende verschil met andere dialogen dat niet Socrates, maar een pythagorische filosoof, Timaeus, het woord voert.Socrates had het onderzoek van de natuur in de Phaedo ook duidelijk afgewezen. Dit maakt het discours eerder mystiek en theologisch dan filosofisch. Dit mysticisme van Plato is, zoals de Engelse Plato-vertaler Benjamin Jowett het stelde, eigen aan die tijd, waarin filosofie nog niet volledig gescheiden was van poëzie en mythologie:
"Whereas the so-called mysticism of Plato is purely Greek, arising out of his imperfect knowledge and high aspirations, and is the growth of an age in which philosophy is not wholly separated from poetry and mythology."B.Jowett: Timaeus
Plato's gebruik van de mythe Plato maakt soms gebruik van een mythe om iets te vertellen of een punt te maken, waarbij hij echter niet de bedoeling heeft dat deze mythes even ernstig en precies worden opgevat als meer wetenschappelijk beargumenteerde thema's., A History of Philosophy, I, Londen, 1946. Socrates maakt dit in de 'Phaedo' duidelijk als hij, na een uiteenzetting over het toekomstige leven van de ziel, verklaart dat het een verstandig mens niet past om te beweren dat deze dingen exact zijn zoals hij ze beschreven heeft (Phaedo, 114d 1-2). En in de Timaeus begint Plato zijn uiteenzetting over de samenstelling van lichamen uit elementen door ons eraan te herinneren dat het maar een 'waarschijnlijke' verklaring is: "Daar hebben we het principe dat we ten grondslag leggen aan het vuur en de andere lichamen, en we gaan voort volgens onze redenering, die noodzakelijkheid aan waarschijnlijkheid paart." (53d)
Dit betekent natuurlijk niet dat ervan moet worden uitgegaan dat Plato het niet als een ernstige doctrine opvat wanneer hij gebruikmaakt van een mythe voor de presentatie van zijn denkbeelden. Zelfs indien zijn idee van de pre-existentie van de ziel letterlijk wordt genomen, betekent dit niet dat deze Vormen of Ideeën in een of andere plaats zijn, behalve dan in metaforische zin.
Thematiek In de Timaeus presenteert Plato een nauwgezet uitgewerkt verhaal over het ontstaan van het universum. Hij vertrekt vanuit een soort verwondering - en bewondering - over het feit dat het universum zo ordelijk en mooi geconstrueerd is, wat hem ertoe aanzet om een verklaring voor deze orde te zoeken. Dit ordelijke universum kan volgens hem niet anders dan het product zijn van een goedaardige intelligentie die doelgericht te werk is gegaan. De 'Maker' van het universum is een soort goddelijke knutselaar die hij de demiurg noemt (dêmiourgos, 28a6). Deze figuur is niet gelijk te stellen met een god die alles uit het niets schept, omdat de demiurg zich baseert op de Ideeën (Vormen) die hij als een soort perfect model of paradigma gebruikt, op de manier waarop een metselaar of timmerman zich op het plan van een architect baseert voor de constructie van een huis. Alleen deze Ideeën bezitten de mathematische perfectie die nodig is om de chaos om te vormen tot een mooi geordend geheel.
Het ontstaan van het universum wordt hier dus verklaard vanuit een 'plan', een doel, waardoor de Timaeus te beschouwen is als een kosmogonie die steunt op een teleologisch principe. Deze ordening is dus geenszins toeval volgens Plato, maar het werk van een intelligentie, een nous, gepersonifieerd door een verre van almachtige, maar goedbedoelende goddelijke 'vakman'. Het universum en al zijn samenstellende delen worden door deze demiurg zo geordend dat de best mogelijke uitkomst verzekerd is, en omdat ook de mens een deel daarvan is, bestaat de hoop dat goedheid het kwaad kan overwinnen.
De indeling van de Timaeus is als volgt:, Geschiedenis van de Westerse Filosofie: vanuit de politieke en sociale omstandigheden van de Griekse Oudheid tot in de twintigste eeuw, Utrecht, 2008 (= Cothen, 19902). eerst een samenvatting van de eerste vijf boeken van de Staat vervolgens wordt de mythe van Atlantis verteld, een eiland 'ten westen van de Zuilen van Heracles' vervolgens vertelt Timaeus, een pythagorisch sterrenkundige, de geschiedenis van de wereld tot de schepping van de mens
400 px|thumb|Fictieve kaart van Atlantis door Patroclus Kampanakis uit 1891
Setting De dialoog vindt plaats een dag nadat Socrates zijn idee van de ideale staat heeft gepresenteerd (zie Staat). Hij is van mening dat deze uiteenzetting nog niet voldoende duidelijk was en vat de bedoeling van de vorige dialoog in de Staat als volgt samen: (17b):"Als ik het niet mis heb, had ik het gisteren in hoofdzaak over de staat: welke staatsvorm is, volgens mijn inzicht, de beste en uit welke mannen moet zulke regering zijn samengesteld?"Gebruikte vertaling: (trad.), Plato, Verzameld Werk, V, Ambo, Baarn - Antwerpen, 1980. En wat verder geeft hij Timaeus zijn wens te kennen welk thema deze dialoog zou moeten behandelen: (19c):"Graag wilde ik weleens iemand het verhaal horen doen van de strijd die een staat levert: hoe hij die kamp voert tegen andere staten."
Hemocrates wenst Socrates' verzoek in te willigen en zegt dat Critias net het juiste verhaal kent (20b) om daar aan te voldoen. Critias begint dan het verhaal over Atlantis te vertellen, en hoe Athene toentertijd een ideale staat was die het aandurfde om ten strijde te trekken tegen Atlantis (25a). Maar dan bedenkt hij zich en zegt dat Timaeus het gedeelte van het verhaal zal vertellen vanaf het ontstaan van het universum tot de komst van de mens. Het verhaal van Atlantis wordt uitgesteld (en wordt verteld in de Critias). Dan volgt de belangrijkste uiteenzetting van de dialoog, als Timaeus het woord neemt.
Personages De sprekers in de dialoog zijn dezelfde als bij de Critias: Socrates, de Atheense filosoof. Socrates was Plato's leermeester. Socrates' onrechtvaardige veroordeling schokte Plato zodanig dat hij zich afkeerde van de politiek en zijn leven wilde wijden aan de filosofie. Socrates schreef zelf nooit iets op. Wat we over zijn optreden, zijn invloed en filosofie weten, kennen we voornamelijk uit Plato's dialogen.Behalve Plato schreven ook Xenophon en Aristoteles over Socrates. Hij speelt vooral een rol in Plato's vroege dialogen, waarin duidelijk wordt dat hij zich hoofdzakelijk met ethische en kennistheoretische kwesties bezighield. In zijn latere dialogen zoals de Timaeus 'gebruikt' Plato hem eerder om zijn eigen, meer abstracte theorieën uit te leggen.