Jhr. Marinus ("Marien") Willem Cornelis de Jonge (Weert, 25 september 1911 – Den Haag, 16 juli 2012) was een Nederlands militair, kolonel der Cavalerie en Engelandvaarder. Hij kwam in Engeland bij de Prinses Irene Brigade en werd na de Tweede Wereldoorlog commandant van het 4e Eskadron Pantserwagens.

Levensloop Marien de Jonge werd in Weert geboren, waar zijn vader als ingenieur werkte aan een spoorbrug. De familie was niet welvarend, maar behoorde tot de jonkheer-aristocratie. Daarna verhuisde de familie naar Nederlands-Indië, waar vader De Jonge op Sumatra bij een houtmaatschappij werkte. Hier werd Mariens broer Ernst geboren.

Enkele jaren later verhuisde het gezin naar Semarang op Java. Het gezin keerde in 1925 terug in Nederland. Marien had zijn scholing op het gymnasium in Baarn en studeerde in 1938 af in rechten aan de Universiteit Leiden. Daarna werkte hij bij het Nationaal Fonds voor Bijzondere Noden. De Jonge trouwde in 1938. Twee weken voor de Duitse invasie in Nederland wordt zijn eerste zoon geboren.

Engelandvaart Nadat Nederland in de middag van 14 mei 1940 capituleerde, werd De Jonge een van de allereerste Engelandvaarders. Hij fietste naar Scheveningen om een mogelijkheid te vinden om naar Engeland te gaan. Hij had geen militaire ervaring, maar vond het zijn plicht om de strijd tegen de vijand voort te zetten. In de haven zag hij dat de reddingsboot Zeemanshoop werd gekaapt door vier Delftse studenten.

Hij sprong aan boord met ongeveer veertig, soms Duitssprekende, Joden. De overtocht ging aanvankelijk gepaard met technische problemen en onenigheid over de bestemming, Zeeland of Engeland. Voor de Engelse kust werd de boot opgepikt door een Britse torpedobootjager, die de Engelandvaarders in Dover afzette.

Toen De Jonge in Londen aankwam, nam hij contact op met Jhr.Ir. O.C.A. van Lidth de Jeude, een familievriend uit zijn jeugd in Baarn, die door de Nederlandse regering in ballingschap was benoemd tot Hoge Commissaris voor de Hulpverlening. De Jonge werd zijn secretaris. Ondertussen meldde hij zich aan voor militaire dienst. In augustus 1940 werd hij opgenomen in het Nederlands Legioen, de voorloper van de Prinses Irene Brigade. Hij volgde een Engelse militaire opleiding en werd in oktober 1941 bevorderd tot luitenant in het Wapen der Cavalerie.

Oorlog in de Oost Na de Japanse aanval op Pearl Harbor in december 1941 vroeg De Jonge om overplaatsing naar Azië om te helpen bij het verdedigen van Nederlands-Indië. Hij sloot zich aan bij het korps Insulinde, een onderdeel van de Brits-Nederlandse commando-eenheid die opereert vanuit Ceylon. Op Ceylon doet De Jonge een commando-opleiding inclusief 'jungle fighting'.

Tijdens de Japanse bezetting werd De Jonge ingezet op Sumatra en neemt daar deel aan diverse sabotage- en verkenningsopdrachten. In 1944 kreeg De Jonge toestemming om terug te keren naar Engeland om een poging te organiseren zijn broer Ernst uit een gevangenis in Haaren te bevrijden. Voor deze operatie kreeg hij uiteindelijk geen toestemming, omdat vermoed werd dat Ernst al naar kamp Rawicz in Polen was overgebracht. Na de Japanse capitulatie in augustus 1945 wordt De Jonge belast met diverse opdrachten op Java.

Politionele acties In de eerste maanden van 1946 keerde De Jonge terug naar Nederland en zag zijn vrouw en zoon voor het eerst sinds mei 1940. Zij waren de oorlog betrekkelijk veilig doorgekomen in het oosten van Nederland bij zijn schoonfamilie. De Jonge was van plan het burgerleven in Nederland op te pakken. Uit plichtsbesef ging hij in op een verzoek om het commando op zich te nemen van een eskadron pantserwagens van het regiment Huzaren van Boreel voor de strijd tegen de opstandelingen in Nederlands-Indië, de zogeheten 'politionele acties'. In januari 1947 vertrok De Jonge naar Indië. Zijn gezin volgde tien maanden later. Begin 1950, na de Nederlandse overgave en erkenning van de onafhankelijke Republiek Indonesië, keerde De Jonge terug naar Nederland.

Van zijn tijd als commandant van het pantsereskadron in Nederlands-Indië schreef De Jonge ruim na zijn pensionering een verslag, dat in 2008 door zijn zoon Jan Mauritz gepubliceerd werd onder de titel "Mijn Ruiters". Niet om een oordeel te vellen over de Nederlandse politionele acties, maar om te vertellen wat er gebeurd was. Het boek werd om zijn historische waarde geprezen, onder meer vanwege de parallellen tussen de strijd in Nederlands-Indië en de moderne guerrilla-oorlogsvoering, zoals in Afghanistan.

Na Indië Terug in Nederland besloot De Jonge beroepsmilitair te worden. Hij was er stellig van overtuigd dat de Derde Wereldoorlog elk moment kon uitbreken. Hij volgde twee jaar de Hogere Krijgsschool in Den Haag en was gedurende zijn carrière adjudant van koningin Juliana. Hij sloot zijn loopbaan af als militair attaché bij de Nederlandse ambassade in Brussel.

De Jonge werd later onderscheiden met de Bronzen Leeuw en de Ridder in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden. Op 8 maart 2012 onthulde de 100-jarige De Jonge op de Leidse studentenvereniging Minerva een plaquette om zijn broer Ernst te eren, die praeses van Minerva, verzetsman en Engelandvaarder was. Marien de Jonge overleed enkele maanden later op 16 juli 2012 in Den Haag.

Onderscheidingen BatonOnderscheidingLand 100px Ridder in de Orde van Oranje-Nassau met de zwaarden 100px Ridder in de Huisorde van Oranje 100px Bronzen Leeuw 100px Oorlogsherinneringskruis 100px Ereteken voor Orde en Vrede 100px Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier 100px Herinneringsmedaille 1962 100px Huwelijksmedaille 1966 100px Inhuldigingsmedaille 1980 100px Commandeur in de Orde van Leopold II

Zie ook Ernst de Jonge, jongere broer. Harm de Jonge, jongste zoon.

Bibliografie M.W.C. de Jonge, Mijn Ruiters. Ervaringen als commandant van het 4e Eskadron Pantserwagens, Huzaren van Boreel, tijdens de politionele acties (1947-1949) in toenmalig Nederlands-Indië. Zierikzee, 2008.

Bronnen

Categorie:Engelandvaarder Marien Categorie:Nederlands militair in de Tweede Wereldoorlog Categorie:Prinses Irene Brigade Categorie:Nederlands honderdplusser Categorie:Nederlands kolonel