Het Oudfrans is het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 9e tot de 14e eeuw. Het heeft zich via het Middelfrans ontwikkeld tot het Nieuwfrans, dat door keizer Napoleon Bonaparte tot standaardtaal werd verheven voor internationale betrekkingen, wetgeving, bestuur, rechtspraak en postbezorging in de gebieden waar hij heerste, daaronder de Lage Landen. In wat nu Frankrijk is drong het Nieuwfrans door in literatuur en media. Het Oudfrans is samen met enkele nauw verwante talen zoals het Waals en Picardisch rechtstreeks voortgekomen uit de langues d'oïl.

Oorsprong Latijn De geschiedenis van het Oudfrans begon toen het zuiden van Gallië onder Romeinse bezetting kwam. In 118 v.Chr. werd de eerste belangrijke Romeinse nederzetting in die streek gesticht in Narbonne, de latere hoofdstad van Gallia Narbonensis en het Latijn als algemene taal voor wetgeving en bestuur werd ingevoerd. De soldaten spraken Volks- of vulgair Latijn.

In de tijd van Plautus (ca. 250-184 v.Chr.) was de fonologische structuur van het klassieke Latijn al behoorlijk veranderd; dit leidde uiteindelijk tot het vulgair latijn. Dit was de voorloper van alle Romaanse talen, inclusief het Oudfrans.

Substraat: Gallisch Met de verovering van Gallië door Julius Caesar in de 1e eeuw v.Chr. werd het Latijn de overheersende taal in Noord-Gallië, hoewel de oorspronkelijke bevolking haar eigen taal, het Gallisch (een Keltische taal), nog lang heeft vastgehouden: in de 6e eeuw werd dit nog gesproken door de boeren op het platteland. De invloed van het Gallische substraat is nog terug te zien in de woordenschat van het Oudfrans, dat naar schatting 150 woorden van Gallische herkomst telt, bièvre 'bever', brif 'talent, finesse', grenon 'snor', muchier 'verbergen', seüs 'bloedhond' en seuwe 'touw'. Het Franse woord voor 'paard', cheval, komt uit het klassiek Latijn caballus 'knol', maar dat heeft het ontleend aan Gallische *cappilos 'pakpaard' ( Welsh ceffyl, Bretons kefel). Via het soldatenlatijn is dit woord ook in andere Romaanse talen beland: Catalaans cavall, Italiaans cavallo, Portugees cavalo, Spaans caballo, Roemeens cal, enz.

Superstraat: Frankisch In de 4e en de 5e eeuw vielen steeds meer Germaanse stammen het Romeinse Rijk binnen (zie ook Grote Volksverhuizing). Noord-Gallië werd uiteindelijk bezet door de Franken, die hun eigen taal spraken, het Frankisch. Als gevolg hiervan kwamen veel (wellicht 15 procent van de totale woordenschat) leenwoorden van Frankische oorsprong in het Frans terecht. Enkele voorbeelden zijn bosc, bois ‘bos; hout’ (< *busk; vgl. Nederlands bos, Duits Busch ‘struik’), guarder, warder 'bewaken' (< *wardōn; vgl. Middelnederlands wa(e)rden ‘wachten, bewaken’, Dt. warten) en hache 'aks' (< *hāppia ‘sikkelvormig snoeimes’; vgl. Ndl. heep, hiep, Dt. Hippe). Doordat er meerdere Germaanse stammen tegelijkertijd in Gallië actief waren, waaronder naast de Franken ook de Bourgondiërs en de Visigoten, is van sommige germanismen de precieze herkomst moeilijk te achterhalen.

In deze zelfde periode schoof de Germaans/Romaanse taalgrens op naar het zuiden, maar na de Frankische kerstening werd het Latijn zowel in gesproken als geschreven vorm opnieuw belangrijk zodat deze ontwikkeling weer werd omgedraaid.

Nomenclatuur Men is de benamingen "Frans" en "Frankrijk" - beide afgeleid van het etnoniem Frankisch - vanaf de Middeleeuwen gaan gebruiken voor heel Gallië. De benaming langue d'oïl werd gebruikt om de in Noord-Gallië gesproken dialecten te onderscheiden van die in Zuid-Gallië, het Occitaans. Beide benamingen verwijzen naar het tussenwerpsel ter bevestiging of bestemming, vergelijk Occitaans òc tegenover Oudfrans oïl 'ja', een samentrekking uit o 'ja' + il 'hij' (alleen in de Noord-Gallische dialecten heeft lenitie van de laatste klank van hoc plaatsgehad, wat uiteindelijk leidde tot de vorm oui).

Fonologie en voornaamste klankverschuivingen Op fonologisch vlak is het Frans van alle Romaanse talen waarschijnlijk het vernieuwendst geweest, waardoor het heden ten dage het verst afstaat van het Latijn, zowel qua grammatica als qua woordenschat en morfologie. Van de talrijke klankverschuivingen die de ontwikkeling van het Oudfrans hebben gekenmerkt worden hieronder alleen de belangrijkste besproken.

Klinkers Een van de voornaamste klankverschuivingen in het Oudfrans betreft zowel de monoftongering als de diftongering van veel klinkers naargelang hun fonologische context. Het klassiek Latijn had zes monoftongen: /a/, /e/, /i/, /o/, /u/ en /y/, allemaal met een korte en een lange variant, en daarnaast de diftongen æ [aɪ], œ [oɪ̯] en au [aʊ̯]. In het Laatlatijn was het verschil tussen lange en korte klinker niet langer fonematisch, maar dit had slechts een gedeeltelijke samenvalling van de korte en de lange klinkers tot gevolg.

Veel korte klinkers uit het klassiek Latijn werden in het vulgair Latijn geleidelijk aan meer open gearticuleerd, terwijl de articulatie van lange klinkers nagenoeg hetzelfde bleef. Zo werd: ē tot [e], maar e tot [ɛ]. ī tot [i], maar i tot [ɪ]. ō tot [o], maar o tot [ɔ]. ū tot [u], maar u tot [ʊ].

Alleen a en ā vielen samen tot [a]. De y, die voornamelijk in geleerde woorden van Oudgriekse herkomst voorkwam, ging helemaal op in de i. De æ [ɛː] viel samen met de korte e (en werd dus [ɛ]), de œ werd net als de lange e een [e]. De au neigde sterk naar [o] maar bleef in ieder geval in Gallië nog een tijdlang een diftong (dit blijkt zo meteen uit het feit dat de klassieke au in het Oudfrans anders werd behandeld dan zowel de korte als de lange o). Al met al telde het vulgair Latijn dus negen isochrone monoftongen en één diftong.

In het Oudfrans vond opnieuw fonemische neutralisatie plaats: ɪ ging op in e. ʊ ging op in o.

Met de overige zeven basisklanken gebeurde het volgende: In beklemtoonde en open lettergrepen veranderde a vermoedelijk via [aɛ] of [æ] in [e]: māre [ˈmaːre] 'zee' > *[ˈmaɛ.rə] > mer; amāre 'liefhebben, houden van' > amer. In gesloten lettergrepen is /a/ volgens de meeste taalkundigen altijd onveranderd gebleven: parte(m) 'deel' > part. De Proto-Romaanse [ɛ] werd in open lettergrepen gediftongeerd tot ie [iɛ]: mel [mɛɫ] 'honing' > miel [miɛl]. In gesloten lettergrepen bleef de e onveranderd: tempus 'tijd; weer' > tens, tans. e diftongeerde al gauw tot ei: rēge(m) 'koning' > rei; habēre 'hebben' > aveir. [ɔ] werd de vallende diftong uɔ en eindelijk ue: cor [kɔr] 'hart' > quors [kuɔr] > cuer [kuer]. In open lettergrepen verglijdt o via ou tot eu: focus 'vuur' > fou (9e eeuw) > feu (12e). In gesloten lettergrepen ging o op in u: cōrte [kor.te] 'hof' > curt, cort [kurt]. au werd definitief een monoftong, maar niet gebroken: aurum 'goud' > ōrum > or (niet *our of *uer). i en u bleven onveranderd (liber ‘vrij’ > libre; mūrus ‘muur’ > murs). Bij de nieuwe diftongen ai en ui was sprake van een voedende volgorde van regels. De diftongering was echter niet het gevolg van breking, maar een hiaatdelging als gevolg van een eerdere klinkerbotsing, die weer het gevolg was van de deletie van medeklinkers in intervocale positie. Ook de lenitie van medeklinkers tot de halfklinker j leidde in veel gevallen tot nieuwe diftongen: facere 'maken, doen' > faire, lacte 'melk' > lait, nocte(m) 'nacht' > noit > nuit. De diftongen au en eu ontstonden in gesloten lettergrepen voor l.

De hierboven geschetste situatie moet overeenkomen met het Frans uit de 11e eeuw. Woorden uit de tekst van het Roelantslied zouden dan ongeveer zo hebben geklonken: faire ['fajrə], nuit [nujt].

Na 1100 traden opnieuw drastische veranderingen op in de uitspraak, maar niet in de spelling: Aan het begin van de 12e eeuw moet de diftong ei zijn veranderd oi [ɔi]: rei > roi, veir > voir. De achter in de mond gelegen klinker u komt naar voren en verandert in een [y], en bijgevolg verandert ook de tweeklank ue verandert in yə.

In de tweede helft van de 13e eeuw worden diftongen ofwel gemonoftongeerd, of het zwaartepunt verschuift naar het tweede element: De diftong ai [aj] verandert in ɛ (waardoor bijvoorbeeld faire en trouvere gaan rijmen), au verandert in o. eu verandert in [œ] (gesloten) ~ [ø] (open). ie verandert in jɛ (gesloten) ~ je (open) (miel: [miɛl] > [mjɛl]). oi [ɔi] verandert in wɛ. ue verandert in [œ] (gesloten) ~ [ø] (open) (cuer > cœur) ui verandert in [ɥi] (nuit [nɥit]).

Het wegvallen van de s voor medeklinkers leidde tot verlenging van de voorafgaande klinker. Rond 1300 verschilt het Franse klinkersysteem nog op twee punten van dat van het Nieuwfrans: oi klinkt als wɛ, niet als wa. de sjwa aan het einde van woorden, die tegenwoordig alleen nog maar wordt geschreven, is ook in de spreektaal nog te horen.

Syncope Syncope van onbeklemtoonde lettergrepen moet al zijn begonnen in het Laatlatijn, maar het duurde eeuwen voordat dit proces was voltooid. Dit is te zien aan een Oudfranse vorm als dei(f)t 'hij is schuldig; moet', die is ontstaan uit dēbet; als gevolg van syncope in combinatie met lenitie was de lettergreep in het Oudfrans al gesloten, en de diftongering van e in ei moet al hebben plaatsgevonden vóór de syncope, dus toen de lettergreep nog open was.

Syncope is met name van belang bij de vervoeging van sommige onregelmatige Franse werkwoorden (zie hieronder).

Oxytonie In de Nieuwfranse spreektaal zijn de meeste woorden oxytona, wat wil zeggen dat de klemtoon op de laatste lettergreep ligt. In het Oud- en Middelfrans bestonden twee mogelijkheden: de klemtoon viel op de laatste lettergreep of op de voorlaatste, waarbij de klinker in de laatste lettergreep was gereduceerd tot een sjwa. Dit was het gevolg van de syncope waarbij de plaats van de klemtoon niet meeveranderde; de klassiek Latijnse proparoxytona waren hierdoor veranderd in paroxytona (cálidus > caldus > chalt, chaut ‘warm’), terwijl bij de klassiek Latijnse paroxytonen de klemtoon was verschoven naar de laatste lettergreep (zoals in dēbet > deift ‘hij is schuldig; moet’). In geschreven teksten uit het midden van de 9e eeuw eindigen Oudfranse woorden nog op -us, -o of -a , maar dit veranderde al heel snel daarna in -s of -e.

Neusklinkers Net als het Nieuwfrans kende ook het Oudfrans al neusklinkers. In tegenstelling tot tegenwoordig werd de medeklinker die de nasalering veroorzaakt had nog uitgesproken. In het woord vin [vĩn] ‘wijn’ was waarschijnlijk een i-achtige klinker te horen in plaats van de huidige [vɛ̃], en ook de combinaties en en ain moeten anders hebben geklonken.

Medeklinkers De consonantmutaties die de ontwikkeling van het Oudfrans hebben gekenmerkt zijn grotendeels hetzelfde als in andere Romaanse talen: De h werd net als tegenwoordig in het Oudfrans nog geschreven, maar moet al heel vroeg zijn verdwenen (zie ook h-deletie). De stemloze velare plosief k (met het grafeem c) werd gepalataliseerd voor de klinkers e en i en in sommige gevallen - bijvoorbeeld in de Parijse dialecten - ook voor a. Dit werd gevolgd door assibilatie, en uiteindelijk leidde dit eerst tot de affricaten en uiteindelijk de sibilanten /ʦ/ en /ʧ/, afhankelijk van de taalvariant (in het Picardisch wordt cerf uitgesproken als /ʧɛrf/, en chambre als /kɑ̃mbrə/). Deze nieuwe klank heeft tot op de dag van vandaag het Latijnse grafeem c behouden. Evenzo is de stemhebbende velare plosief g- in veel gevallen veranderd in /j/, en daarna /ʤ/: jocus [ˈjɔ.kʊs] > gius, geus [ˈʤe.us] 'spel, speel; speelgoed'. Typisch Frans is verder de lenitie gevolgd door deletie van f, p en c voor en na klinkers; de al besproken Oudfranse vorm deift veranderde aldus eerst in deit, vervolgens in doit.

Spelling Met de letter z werd de combinatie ts weergegeven. Aan het woordeinde stond -x in principe voor -us. De Oudfranse spelling kende nog geen accent aigu, grave of circonflexe. De cedille bestond al wel; zo was het grafeem Ç een afkorting van de digraaf cz waarmee werd aangeduid dat een c als ts diende te worden uitgesproken en niet als k.

Grammatica