150px|Friedrich Nietzsch150px|Max StirnerDe filosofen Friedrich Nietzsche (links) en Max Stirner (rechts; tekening van Friedrich Engels) De ideeën van de 19e-eeuwse Duitse filosofen Max Stirner en Friedrich Nietzsche zijn vaak met elkaar vergeleken en veel schrijvers hebben ogenschijnlijke overeenkomsten in hun geschriften bediscussieerd, waarbij soms de vraag rees of er van beïnvloeding sprake was geweest."De mogelijkheid dat Nietzsche Max Stirner Der Einzige und sein Eigentum heeft gelezen, ermee bekend was en heeft geplagieerd, is een controversieel vraagstuk geweest en is inmiddels meer dan een eeuw herhaaldelijk bediscussieerd.” Thomas H. Brobjer, "Philologica: A Possible Solution to the Stirner-Nietzsche Question", in The Journal of Nietzsche Studies - Issue 25, Spring 2003, pp. 109-114 Tijdens de eerste jaren van de periode waarin Nietzsche een bekende verschijning werd, was in Duitsland Arthur Schopenhauer de enige denker die nog vaker dan Stirner met zijn ideeën in verband gebracht werd.Terwijl de discussie over de mogelijke invloed nooit helemaal is opgehouden, lag de periode, waarin daarover in de Duitssprekende wereld het meest intensief werd gediscussieerd, tussen ca. 1892 en 1906. Het meest uitgebreide Duitstalige verslag van Nietzsches onthaal, het vierdelige werk van Richard Frank Krummel: Nietzsche und der deutsche Geist, geeft over die periode 83 lemma’s, waarin Stirner en Nietzsche besproken worden. De enige denker die in die periode nog vaker aangehaald wordt in verband met Nietzsche, is Schopenhauer, met ongeveer het dubbele aantal lemma’s. Daarna neemt de discussie geleidelijk af, maar is dan nog steeds van betekenis. Nietzsche en Stirner leveren, tussen 1901 en 1918, 58 lemma’s op en 28 van 1919 tot 1919. Het staat vast dat Nietzsche iets gelezen had over Stirners boek De Enige en zijn Eigendom (Der Einzige und sein Eigentum, 1845), dat was vermeld in Langes Geschichte des Materialismus (1866) en in Eduard von Hartmanns Philosophie des Unbewußten (1869), die de jonge Nietzsche allebei heel goed kende.Nietzsche ontdekte Langes boek meteen nadat het was verschenen en prees het als : het meest belangrijke filosofische werk van de afgelopen tientallen jaren” (brief aan Hermann Mushacke, medio november 1866); wat Hartmann betreft, die ook bezig was met het uitwerken van ideeën van Schopenhauer, koos Nietzsche zijn boek uit voor een bijtende kritiek in het tweede deel van zijn Unzeitgemässe Betrachtungen en richtte zich daarin juist op het hoofdstuk met Stirner, hoewel hij Stirners naam niet noemde; Hartmann schreef: “Nietzsche vermeldt nergens de naam van Stirner of zijn geschriften. Dat hij op de hoogte moet zijn geweest van mijn nadrukkelijke verwijzing naar Stirners standpunt en het belang daarvan in Die Philosophie des Unbewußten, blijkt uit zijn polemische kritiek op precies dat hoofdstuk, waar dat in staat. Dat hij zich door die aanwijzing niet aangespoord voelde om meer te weten te komen over deze denker, die zo verwant met hem zelf is, is weinig aannemelijk.” Eduard von Hartmann, Ethische Studien, Leipzig: Haacke 1898, p. 34-69 Er bestaat echter geen onbetwistbare aanwijzing dat hij het echt gelezen heeft, terwijl voor zover bekend ook nergens in de Nietzsches publicaties, geschriften of briefwisseling de naam Stirner wordt vermeld.Albert Levy, Stirner and Nietzsche, Dissertatie, Parijs, 1904, p. 9

Toch rees, zogauw Nietzsches werk een groter publiek begon te bereiken, de vraag of hij al dan niet door Stirner was beïnvloed. Al in 1891 (toen Nietzsche nog wel in leven, maar ten gevolge van een geestesziekte uitgeschakeld was) ging Eduard von Hartmann zover dat hij suggereerde dat hij plagiaat had gepleegd op Stirner.Eduard von Hartmann, Nietzsches "neue Moral", in Preussische Jahrbücher, 67. Jg., Aflevering 5, mei 1891, p. 501-521; uitgebreide versie, met een nog nadrukkelijker verwijt van plagiaat in: Ethische Studien, Leipzig, Haacke 1898, p. 34-69 Rond de eeuwwisseling was het geloof dat Nietzsche beïnvloed was door Stirner zo wijdverbreid, dat het haast een gemeenplaats werd, tenminste in Duitsland. Dat was voor een van de waarnemers aanleiding om in 1907 op te merken, dat “Stirners invloed in het huidige Duitsland verbijsterende afmetingen heeft aangenomen en over het algemeen vergelijkbaar is met die van Nietzsche. De twee denkers worden gezien als vertegenwoordigers van in wezen dezelfde filosofie.”Deze schrijver vindt dat met voorzichtig moet zijn bij het vergelijken van deze twee mannen. Toch merkt hij op: “Het is deze intense nuance die van Nietzsche naar Stirner lijkt te wijzen, de schrijver van het opmerkelijke boek Der Einzige und sein Eigentum. Stirners invloed op het huidige Duitsland heeft verbijsterende afmetingen aangenomen en gaat gelijk op die van Nietzsche. Beide denkers worden beschouwd als vertegenwoordigers van in wezen dezelfde filosofie.” Oscar Ewald, "German Philosophy in 1907", in The Philosophical Review, Deel 17, No. 4, juli 1908, p. 400-426

Meteen al aan het begin van wat werd beschreven als de “grote controverse”[in de laatste jaren van de 19e eeuw] "De vraag of Nietzsche Stirner had gelezen is het onderwerp van een uitgebreide discussie” R.A. Nicholls, "Beginnings of the Nietzsche Vogue in Germany", in Modern Philology, Deel. 56, No. 1, aug., 1958, p. 29-30 over Stirners mogelijke invloed — positief of negatief — op Nietzsche, bleken er ernstige problemen over het idee te bestaan.Levy wees er in 1904 op dat de overeenkomsten in de geschriften van beide mannen oppervlakkig leken. Albert Levy, Stirner et Nietzsche, Parijs, 1904 Rond het midden van de 20e eeuw werd het idee van beïnvloeding vaak volledig van de hand gewezen of als onbeantwoordbaar terzijde geschoven.R.A. Nicholls, "Beginnings of the Nietzsche Vogue in Germany", in Modern Philology, Deel. 56, No. 1, aug., 1958, p. 24-37

Het idee dat Nietzsche op een of andere manier door Stirner beïnvloed was, blijft echter voor een beduidende minderheid een aantrekkelijk idee, misschien omdat het nodig lijkt op een redelijke manier de vaak opgemerkte (hoewel aantoonbaar oppervlakkige) overeenkomsten in hun geschriften te verklaren."Stirner is, net als Nietzsche, die duidelijk door hem was beïnvloed, op veel verschillende manieren geïnterpreteerd”, Saul Newman, Lexington Books, 2001, p. 56; "Wij weten zelfs niet zeker of Nietzsche Stirner heeft gelezen. Toch zijn de overeenkomsten te groot om weggeredeneerd te worden.” R. A. Samek, The Meta Phenomenon, p. 70, New York, 1981; Tom Goyens, (in een verwijzing naar Stirners boek Der Einzige und sein Eigentum) "Het boek heeft Friedrich Nietzsche beïnvloed en zelfs Marx en Engels hebben er aandacht aan besteed." T. Goyens, Beer and Revolution: The German Anarchist Movement In New York City, p. 197, Illinois, 2007. De meest in het oog springende problemen met de theorie van de mogelijke invloed van Stirner op Nietzsche, zijn niet beperkt tot het vaststellen dat de een de ander kende of las. Ze bestaan ook uit het precies vaststellen hoe en waarom nu net Stirner een belangrijke invloed zou hebben kunnen gehad op iemand die zo uitgebreid werd gelezen als Nietzsche."We hebben alle redenen om te veronderstellen dat Nietzsche een grondige kennis had van de hegeliaanse stroming, vanaf Hegel tot Stirner zelf. De filosofische kennis van een schrijver wordt niet bepaald door het aantal verwijzingen, noch door de altijd onbetrouwbare en geschatte controlelijsten van bibliotheken, maar door de apologetische of polemische strekking van het werk zelf." Gilles Deleuze, Nietzsche et Philosophie, 1962 (herdruk 2006, p. 153-154)

Historische aanwijzingen voor beïnvloeding en mogelijke banden met Stirner thumb|left|200px| Franz en Ida Overbeck, twee intieme vrienden van Nietzsche, die aangaven dat hij door Stirner was beïnvloed.

De oorsprong van de discussie over het feit of Nietzsche het werk van Stirner al dan niet heeft gelezen – en zo ja, of hij dan ook door hem is beïnvloed – lijkt te liggen in ogenschijnlijke overeenkomsten in de ideeën van beide mannen, zoals die in hun geschriften zijn verwoord. Deze overeenkomsten werden al vroeg onderkend en leidden ertoe dat veel mensen, om velerlei redenen, probeerden te precieze aard van enig mogelijk verband te bepalen.

Eduard von Hartmanns boek Die Philosophie des Unbewußten was door Nietzsche aangevallen in het tweede deel van zijn Unzeitgemäße Betrachtungen. In 1891 beweerde Hartmann dat Nietzsche wel op de hoogte moest zijn van Stirner omdat hij, juist in het boek dat Nietzsche onderworpen had aan zijn kritiek, Stirner besproken had. Zoals gezegd beschuldigde von Hartmann Nietzsche ervan dat hij Stirner had geplagieerd. Het is ook bekend dat Nietzsche Langes Geschichte des Materialismus had gelezen, waarin vluchtig wordt verwezen naar Stirners boek Der Einzige und sein Eigentum, als "het meest extreme dat we kennen.” Lange vervolgt met een verwijzing naar de “slechte reputatie” van Stirners boek. Nietzsche kende deze werken van Hartmann en Lange heel goed.Eduard von Hartmann, Nietzsches "nieuwe Moraal", in Preussische Jahrbücher, 67. Jg., Aflever. 5, mei 1891, p. 501-521; uitgebreide versie, met een nadrukkelijker verwijt van plagiaat in: Ethische Studien, Leipzig, Haacke 1898, p. 34-69; T. H. Brobjer, "Nietzsche's Reading and Private Library", 1885-1889, in Journal of the History of Ideas, Deel. 58, No. 4, okt., 1997, p. 663-693

Paul Lauterbach schijnt ook een rol te hebben gespeeld bij het leggen van het verband tussen deze twee denkers. Lauterbach was een goede vriend van Heinrich Köselitz ("Peter Gast," die vele jaren een soort privé-secretaris van Nietzsche was). Lauterbach maakte kennis met Nietzsches werk via Köselitz en was een van de eerste bewonderaars van de filosoof. Hij deed ook veel moeite om Stirner weer onder de aandacht te brengen. Volgens een opvatting was dat een deel van zijn project om Nietzsche op te voeren als “de grote opvolger, ontwikkelaar en creatieve hervormer” van Stirner. Met dat in gedachten schreef hij een inleiding bij de Reclam-uitgave van 1893 van Stirner. Hij besprak het boek in een brief aan Köselitz en schreef: “Mijn inleiding heeft als enige doel onschuldige mensen ertegen [Stirners boek] te beschermen en kwaadwillende in verwarring te brengen en te verlammen, hoofdzakelijk met behulp van Nietzsche.” Deze inleiding verscheen van 1893 – 1924 in alle Reklam-uitgaven van Der Einzige und sein Eigentum.Bernd A. Laska, "Nietzsches initiale Krise. Die Stirner-Nietzsche-Frage in neuem Licht". In Germanic Notes and Reviews, deel 33, n. 2, najaar 2002, pp. 109-133 (Nederlands vertaling online); over Lauterbach vgl. Bernd A. Laska: Ein heimlicher Hit. 150 Jahre Stirners "Einziger". Eine kurze Editionsgeschichte. Nürnberg: LSR-Verlag 1994 (pp. 18-28); Paul Lauterbach, Kurze Einführung zum "Einzigen und sein Eigentum", in Max Stirner, Der Einzige und sein Eigentum. Leipzig, Philipp Reclam juni 1893, p. 3-10, Op p. 8 staat: "Wij willen tot slot de kwestie Stirner een echo meegeven uit de werken van zijn grote navolger, de uitwerker en omwerker van de Ik-leer — Friedrich Nietzsche.". Gearchiveerd op 3 april 2023.