thumb|250px|Goudcertificaat van de VS uit 1922 De gouden standaard is een muntstelsel waarin de economische rekeneenheid een vastgesteld gewicht aan goud is. Een bepaald gewicht aan goud staat dan gelijk aan een geldbedrag. De gouden standaard kan als een monetair systeem worden beschouwd, waarbij veranderingen in vraag en aanbod van goud de waarde van goederen en diensten mede bepalen. Wanneer meerdere landen een dergelijke vaste rekeneenheid hanteren, waarbij het gewicht in goud een vaste waarde heeft, worden de wisselkoersen tussen verschillende nationale valuta feitelijk vastgelegd.
Een wereldwijde gouden standaard bestond tot 1971 in de vorm van het systeem van Bretton Woods, waarin de dollar inwisselbaar was voor goud tegen een vaste prijs, en de valuta van overige landen een vaste wisselkoers ten opzichte van de dollar hadden. Een serie economische maatregelen van de Amerikaanse president Richard Nixon, de zogenoemde Nixon-schok, maakte een eind aan dit systeem waarbij de dollar een vaste waarde had ten opzichte van goud.
Vormen Bij de gouden standaard kunnen vier systemen worden onderscheiden:
Goud wordt direct als munteenheid gebruikt (goudcirculatie). Papiergeld wordt uitgegeven dat te allen tijde inwisselbaar is voor goud. De totale waarde van het uitgegeven geld is maximaal zo veel als de totale hoeveelheid goud bij de centrale bank. Dit is de zogenoemde papieren standaard. Geld slechts beperkt inwisselbaar tegen goud, omdat meer papiergeld is uitgegeven dan de waarde van de goudvoorraad van de centrale bank. De overheid garandeert een vaste wisselkoers van de eigen munteenheid tegenover de valuta van een ander land waarvan de muntwaarde aan goud gekoppeld is.
Drie perioden in Nederland Nederland kende voor wat betreft de gouden standaard drie perioden:
De goudenmuntenstandaard tot 1914, waarbij bankbiljetten volledig werden gedekt door goud. Houders van bankbiljetten hadden het recht om bankpapier in te wisselen voor goud. Het muntgeld was "intrinsiek volwaardig" en had een eigen waarde in edele metalen. Tussen 1918 en 1936 kende Nederland de goudkernstandaard, waarbij de bankbiljetten voor 40% waren gedekt door goud, maar waarbij het publiek niet het recht had om bankbiljetten voor goud in te wisselen (behalve uitzonderingen, zoals internationale betalingen). Bovendien kwamen (naast munten met een intrinsieke waarde) ook "onvolwaardige munten" in omloop, de zogenaamde tekenmunten. De waarde ervan werd niet bepaald door de metaalwaarde, maar door het teken dat de overheid erop had aangebracht. Van 1945 tot 1971 kende Nederland de goudwisselstandaard waarbij de gulden via een omweg een band had met goud. Dit liep via het systeem van Bretton Woods waarbij de gulden in vaste verhouding stond tot de dollar die op zijn beurt gekoppeld was aan goud. Daarbij dienden naast eigen goud ook goudwissels (vorderingen in goud) als dekking. Omdat de dollar na de devaluatie in 1971 niet meer inwisselbaar was voor goud, kwam in Nederland een einde aan deze standaard.
Ook de waarde van munten tegenover edelmetaal veranderde diverse keren. In de Muntwet van 1816 werd voor het eerst formeel vastgelegd dat de gulden 9,6 gram fijn zilver moest bevatten. In 1875 voerde de overheid het gouden tientje in als nieuwe standaardmunt. De gulden vertegenwoordigde voortaan ruim 0,6 gram fijn goud. Eind 1946 meldde de Nederlandse regering bij het IMF een zogenoemde goudpariteit aan van 0,335 gram fijn goud. In 1967 besloot de Nederlandse overheid om zilveren guldens te vervangen door nikkelen exemplaren, omdat de zilverprijs enorm was gestegen.
Waarom goud? Vanwege de zeldzaamheid en duurzaamheid werden goud en zilver eeuwenlang gebruikt als betaalmiddel. De exacte aard van de evolutie van geld varieert aanzienlijk met betrekking tot tijd en plaats, hoewel door historici wordt geloofd dat de hoge bruikbaarheidswaarde van goud en zilver, de dichtheid, corrosiebestendigheid, uniformiteit en gemakkelijke deelbaarheid het voor zowel waardeopslag als tot rekeneenheid voor andere soorten opgeslagen waarde nuttig maakte - in Babylon was een bepaalde hoeveelheid tarwe de rekeneenheid, met een gewicht in goud of zilver dat als eenheid werd gebruikt om waarde te vervoeren. De vroege muntsystemen, die op graankorrels waren gebaseerd, gebruikten goud of zilver om de opgeslagen waarde te vertegenwoordigen. Het bankwezen ontstond toen gedeponeerd goud of zilver van de ene naar de andere rekening kon worden overgebracht door middel van een girosysteem en tegen rente kon worden geleend.
De functie van papiergeld, wanneer gebruikt als deel van een hard geldsysteem, is het gevaar van goud- of zilvertransporten te verminderen, de mogelijkheid van manipulatie van muntstukken te verkleinen, en het verdwijnen van munten uit de geldcirculatie door oppotten en verlies te vermijden. De vroege ontwikkeling van papiergeld werd oorspronkelijk door de onbetrouwbaarheid van vervoer en de gevaren van lange reizen, evenals door de wens van overheden aangespoord om de handelsstroom te controleren of te regelen binnen hun heerschappij. Geld dat door muntstukken wordt gesteund wordt soms representatief geld genoemd en de biljetten worden vaak certificaten genoemd, om hen van andere vormen van papiergeld te onderscheiden.
Lange tijd zijn zilver- en goudgeld naast elkaar in omloop geweest, waarbij zilvergeld domineerde bij de dagelijkse transacties van eenvoudige burgers en goudgeld bij grote transacties. In de 19e eeuw begon het goudgeld de overhand te krijgen en werd het zilvergeld teruggedrongen tot de rol van pasmunt.
Valuta in den beginne Het eerste metaal dat als munt werd gebruikt was zilver, reeds vóór 2000 v.Chr., toen zilveren baren in de handel werden gebruikt en duurde daarna nog 1500 jaar totdat de eerste munten van zuiver goud werd geïntroduceerd. Desalniettemin was goud al veel eerder de basis van handelscontracten in Akkadia, en later in het oude Egypte. Zilver bleef voor alledaagse transacties tot in de 19e eeuw het meest gebruikte muntmetaal. Een gouden munt vertegenwoordigde namelijk een klein kapitaal. Een dukaat van 3,5 gram, bijvoorbeeld, vertegenwoordigde in de Middeleeuwen zeker twee doorsnee weeklonen. De kleine man kreeg dus zelden iets anders dan zilveren of koperen munten in handen. Gouden munten waren het betaalmiddel van de rijken en de kooplieden.
Het Perzische Rijk hief belastingen in goud en, na veroverd te zijn door Alexander de Grote, diende dit goud als basis voor de gouden munten die in zijn imperium gebruikt werden. Het betalen van huurlingen en legers in goud maakte het belang ervan hard: goud werd synoniem aan het betalen voor militaire operaties, zoals door Niccolò Machiavelli tweeduizend jaar later in de Prins wordt vermeld. Het Romeinse Rijk sloeg twee belangrijke gouden muntstukken: de aureus, ongeveer 7 gram goud dat met zilver wordt gelegeerd, en de kleinere solidus, die 4,4 gram woog, waarvan 4,2 gram goud. De Romeinse munten waren bijzonder actief - de Romeinen sloegen en brachten miljoenen muntstukken in omloop tijdens de republiek en het keizerrijk.
Na de ineenstorting van het West-Romeinse Rijk en de uitputting van de goudmijnen in Europa, ging het Byzantijnse Rijk door met het slaan van opvolgers van de solidus; de nomisma of bezant. Zij waren gedwongen om meer en meer onedel metaal met het goud te vermengen tot tegen het eind van het millennium van de munten in omloop slechts 25% van het gewicht uit goud bestond. Dit vertegenwoordigde een enorme daling in echte waarde van de oude 95%-zuivere Romeinse muntstukken. Aldus werd de handel meer en meer geleid via munten in gebruik in de Arabische wereld, die uit Afrikaans goud werden geproduceerd: de denarie of dinar.
De dinar en dirham waren respectievelijk gouden en zilveren muntstukken oorspronkelijk geslagen door de Byzantijnen en Perzen. De kalifaten in de islamitische wereld keurden deze muntstukken goed, maar de geschiedenis van de dinar wordt gewoonlijk verondersteld te beginnen bij kalief Abd al-Malik (685-705) die de munt hervormde. Hij verwijderde uitbeeldingen uit muntstukken, vestigde standaardverwijzingen naar God op de muntstukken, en bevestigde verhoudingen van zilver met betrekking tot goud. Dit leidde overigens tot een oorlogsverklaring van de Byzantijnse keizer, die niet wilde tolereren dat een ander denariën aanmaakte, laat staan er verwijzingen naar God op plaatste. De groei van islamitische macht en handel maakte de dinar tot eind 13e eeuw het dominante muntstuk van de westelijke kust van Afrika tot aan noordelijk India, en hij bleef daarna nog honderden jaren een van de overheersende muntstukken. Wel werd de handel tussen het oosten en westen van het rijk bemoeilijkt door waardeschommelingen van de dinar en dirham, soms was de dinar 5 keer zoveel waard als de dirham, soms 20 keer zoveel.
Van de val van het Romeinse Rijk tot het eind van de 13e eeuw behielp Europa zich grotendeels met zilveren munten. Eeuwenlang was de zilveren denarius of penning vrijwel de enige munt.
Door de rijke handelsteden Florence en Genua werden rond 1250 gouden munten geïntroduceerd. In 1284 sloeg de Republiek Venetië zijn eerste stevige gouden muntstuk, de dukaat, die voor de volgende 600 jaar de norm voor Europese munten zou worden. Rond dit moment werden door andere Europese staten andere muntstukken, zoals de florijn, nobel, groot, zloty, en guinea geïntroduceerd om de groeiende handel te vereenvoudigen. De dukaat zou wegens de leidende rol van Venetië in handel met de islamitische wereld en zijn vermogen om verse voorraden goud veilig te stellen de norm blijven waartegen andere muntstukken werden gemeten. Elders in Europa was van de aanmunting van goud op enige schaal pas sprake vanaf ongeveer 1340.
Maar ook in de komende zes eeuwen, tot ca. 1870, bleven zilver en goud de muntmetalen, min of meer op voet van gelijkheid. Deze dubbele standaard had één groot nadeel: vanwege het fluctuerende aanbod van de beide metalen, fluctueerde ook de waardeverhouding tussen goud en zilver. Dat betekende dat er geen vaste waardeverhouding kon worden vastgesteld tussen de gouden en de zilveren munten. Gedurende de Middeleeuwen was de prijsverhouding tussen goud en zilver tamelijk stabiel (van 10 tot 12 op 1), maar in de 16e eeuw nam het aanbod van zilver sterk toe, zodat het zilver ten opzichte van goud aan waarde begon te verliezen (in de 18e en eerste helft 19e eeuw lag de verhouding eerder op 15 à 16 op 1).
Beginnend met de verovering van het Azteekse rijk en het Incarijk, kreeg Spanje naast vooral veel zilver ook toegang tot grote hoeveelheden nieuw goud om munten van te slaan. De primaire Spaanse gouden rekeneenheid was de escudo, en het basismuntstuk het stuk van 8 escudo's de "doblón", die oorspronkelijk vastgesteld werd op 27,4680 gram 22 karaats goud (althans in de eenheden van vandaag) en werd getaxeerd op 16 keer het gelijkwaardige gewicht aan zilver. De brede beschikbaarheid van gemalen en kolven gouden muntstukken maakte het voor de Antillen mogelijk om in 1704 goud tot het enig wettelijk betaalmiddel te maken. De omloop van Spaanse muntstukken zou tot de rekeneenheid voor de Verenigde Staten leiden; de "dollar", die op de Spaanse zilveren real werd gebaseerd. De muntmarkt van Philadelphia ging in Spaanse koloniale muntstukken handel drijven.
Geschiedenis van de moderne gouden standaard