Paraíba (Portugese IPA: [paɾaˈiba]) is een van de 26 deelstaten van Brazilië. Paraiba ligt in het noordoosten van Brazilië en grenst aan de staat Rio Grande do Norte in het noorden, de Atlantische Oceaan in het oosten, Pernambuco in het zuiden en Ceará in het westen. De staat met de standaardafkorting PB heeft een oppervlakte van ca. 56.470 km² (iets kleiner dan Kroatië).

De hoofdstad is João Pessoa, andere belangrijke steden zijn Campina Grande, Santa Rita, Guarabira, Patos, Sousa, Cajazeiras en Cabedelo. De hoogte is gematigd, 66% van het territorium ligt tussen 300 en 900 m hoogte.

De belangrijkste rivieren zijn Paraíba, Piranhas, Taperoá, Mamanguape, Curimataú, Peixe en Sanhauá.

Paraíba heeft een aantal van de meeste notabele Braziliaanse dichters en schrijvers voortgebracht zoals Augusto dos Anjos (1884-1908), José Américo de Almeida (1887-1980), José Lins do Rêgo (1901-1957), alsook een van de belangrijkste Braziliaanse kunstschilders in de persoon van Pedro Américo (1843-1905), vooral bekend vanwege zijn historische schilderijen.

In Paraíba ligt het oostelijkste punt van het Amerikaans vasteland, bekend als Ponta do Seixas, in João Pessoa. Dankzij deze geografische locatie is João Pessoa toeristisch bekend als "de stad waar de zon het eerst schijnt".

Etymologie Er zijn verschillende verklaringen van de naam Paraíba. De naam is afgeleid van de belangrijkste rivier van de regio, de Rio Paraíba.

Volgens het woordenboek van Houaiss verklaart de etymoloog Antenor Nascentes de oorsprong van de naam uit de Tupi-Guaraní-taal pa’ra (rivier) en a'iba (slecht, onpraktisch). Een andere versie stelt dat de betekenis is "Rivier die de zee omarmt" (pará-ibá). Andere bronnen stellen dat de naam voortkomt uit een inheems woord voor de boom Simarouba versicolor, die overvloedig groeit in de regio en de populaire naam pau-paraíba meekreeg.

Een legende stelt dat Paraíba voortkomt uit Joodse families die zich kwamen vestigen in de staat en "de koe komt" betekent, als teken van hoop.

Geschiedenis De kuststreek van de huidige staat Paraíba was van oudsher bewoond door indiaanse volken als de Tabajara en de Potiguara. De Portugese kolonisator maakte het eerst tot een kapiteinschap van de kolonie Brazilië en in 1822 werd het een provincie van het keizerrijk Brazilië. Sinds de proclamatie van de Republiek Brazilië op 15 november 1889 is Paraíba een deelstaat.

Voor de verovering van Paraíba Het heeft een tijd geduurd eer Portugal begon Brazilië economisch te exploiteren, omdat de Portugese belangen terugkeerden naar de handel in kruiden van Indië en daarbuiten. Aan de Braziliaanse kust ontbrak een rijkdom vergelijkbaar met het goud van de Spaanse kolonies.

Dankzij de Portugese onverschilligheid begonnen piraten het brazielhout te ontginnen. Het hout dat veel voorkwam in de Braziliaanse kolonie werd gebruikt om een pigment te extraheren dat gebruikt werd om textiel te kleuren in Europa. Deze indringers, meestal Fransen, sloten vrij snel vriendschap met de indianen. Hieruit ontstond een zakelijke relatie, gekend als "ruil", waarin de inheemse arbeid werd omgeruild voor snuisterijen zonder grote waarde.

De Portugese kolonie werd verdeeld in vijftien kapiteinschappen. Onder hen het kapiteinschap van Itamaracá, dat zich uitstrekte van de rio Santa Cruz tot de Baai van Verleiding. Aanvankelijk werd het kapiteinschap gegeven aan Pero Lopes de Sousa, die dit echter niet kon aanvaarden. Hij werd vervangen door een beheerder, Francisco Braga, die als gevolg van een rivaliteit met Duarte Coelho, het kapiteinschap liet falen. Hierdoor maakte hij plaats voor João Gonçalves, die een aantal verbeteringen op het bevelhebberschap doorvoerde, zoals de oprichting van het Huis van Ontwerp en de bouw van de werkhuizen.

thumb|left|Kaart van het kapiteinschap Paraíba, 1698. Na de dood van João Gonçalves kwam het bevelhebberschap in verval door de verlening van genade aan criminelen en de voortdurende houtsmokkel.

In 1574 was er een incident dat bekendstaat als de "Tragedie van Tracunhaém", waarin indianen alle bewoners doodden van een werkhuis genaamd Tracunhaém in Pernambuco. Dit voorval was een reactie op een ontvoering en daaropvolgende verdwijning van een indiaanse, de dochter van cacique Potiguar, in het Werkhuis van Tracunhaém. Na terugkeer van de reddingsgroep, bestaande uit haar broers, verbleven ze bij een fabrieksheer, Diogo Dias. De volgende ochtend was het meisje opnieuw verdwenen en haar broers keerden terug naar hun stam zonder de indiaanse. Haar vader riep de autoriteiten op, die missies stuurden naar Pernambuco zonder enig succes. De Fransen die ze tegenkwamen in Paraíba moedigden de Potiguaren aan te vechten. Kort daarna verenigden alle Potiguarese stamhoofden zich tot de krijgers van Paraíba en Rio Grande do Norte en vielen ze de fabriek van Diogo Dias aan. Honderden indianen namen de fabriek in en lieten een bloedbad achter; ze vermoordden iedereen die ze tegenkwamen: eigenaars, kolonisten en slaven, en staken alle fabrieken in brand.

Na deze tragedie verdeelde Johan III van Portugal Itamaracá, hiermee gaf hij vorm aan Kapiteinschap van Rio Paraíba.

Er heerste een grote bezorgdheid aan de zijde van de Portugezen over het veroveren van het kapiteinschap van Paraíba, wegens het verbond tussen de Potiguaren en de Fransen. Daarenboven zocht men de mogelijkheid om de kolonie uit te breiden naar het noorden.

Veroveringsexpedities thumb|De expeditie van Elias Herckmans naar het binnenland van Paraíba in 1641. Toen de gouverneur-generaal D. Luís de Brito het bevel kreeg om Itamaracá te verdelen, kreeg hij ook het bevel van de koning van Portugal om de indiaanse verantwoordelijken van het bloedbad te straffen, de Fransen te verdrijven en een stad te stichten. Zo begonnen vijf veroveringsexpedities van Paraíba. Hiervoor stuurde koning Sebastiaan van Portugal eerst een diplomatieke onderhandelaar.

Expeditie I (1574) De commandant van deze expeditie was de diplomatieke onderhandelaar D. Fernão da Silva. Bij de aankomst in Brazilië nam Fernão bezit van de grond in naam van de koning zonder enige weerstand, maar dit was slechts een val. Zijn troepen werden verrast door de indianen en hij moest zich terugtrekken tot in Pernambuco.

Expeditie II (1575) Deze tweede expeditie stond onder het gezag van gouverneur-generaal D. Luís de Brito. Zijn expeditie werd gehinderd door ongunstige wind waardoor ze het land van Paraíba niet konden bereiken. Drie jaren later trachtte een andere gouverneur-generaal, Lourenço Veiga, tevergeefs de Rio Paraíba te veroveren.

Expeditie III (1579) Nog onder sterke invloed van "het lot" van de Fransen, dat werd verleend voor 10 jaar, aan bevelhebber Frutuoso Barbosa van het kapiteinschap van Paraíba, werd Olinda verdeeld. Deze maatregel bracht enkel verliezen met zich mee. Toen men een keer van Paraíba kwamen viel een sterke storm op de vloot en tijdens de terugtocht naar Portugal verloor hij zijn vrouw.

Expeditie IV (1582) Met dezelfde bedoeling als de vorige expeditie kwam Frutuoso Barbosa terug, vastbesloten om Paraíba in te nemen, maar ook toen trapte hij in de hinderlagen van de indianen en de Fransen. Barbosa trok zich terug nadat hij een zoon had verloren in de strijd.

Expeditie V (1584) Na zijn aankomst in Paraíba kaapte Frutuoso Barbosa vijf schepen weg van Franse slavenhandelaars. Hij vroeg bijstand van meer troepen in Pernambuco en in Bahia om de Portugese belangen in de regio te verzekeren. In datzelfde jaar kwam er versterking uit Bahia onder leiding van Diogo Flores de Valdés, en uit Pernambuco kwamen troepen onder het commando van D. Filipe de Moura. Uiteindelijk kon hij de Fransen verdrijven en Paraíba veroveren. Na de verovering bouwden ze de forten van São Tiago en São Filipe.

Verovering van Paraíba De algemeen onderhandelaar Martim Leitão vormde een leger bestaande uit blanken, indianen, slaven en zelfs religieuzen. Toen ze aankwamen konden ze de indianen oppakken zonder enige vorm van geweld. Toen hij te weten kwam dat het indianen waren, liet Martim Leitão ze vrij, hierbij bevestigend dat zijn strijd tegen de Potiguaras werd gevoerd, de rivalen van de Tabajaras. Na dit incident, hebben de Tabajaras vriendschap met Leitão verworpen, dit omdat ze verraad vreesden.

Na enige tijd kwamen Leitão en zijn troepen uiteindelijk aan in de forten (Forte de São Filipe en São Filipe e Santiago) die in verval waren door zowel armoede als intriges tussen Spanjaarden en Portugezen. Martim Leitão liet de Spanjaard Francisco Castejón naar het kantoor van Frutuoso Barbosa overbrengen. Deze uitwisseling verergerde de situatie, omdat Castejon het fort verliet, het liet vernietigen en alle artillerie in de zee gooide. Leitão werd gearresteerd en terug naar Spanje gestuurd.

In de eerste helft van augustus 1585 verenigden de Portugezen zich met de Tabajaras, waardoor de Potiguaras zich terugtrokken. De verovering van Paraíba werd beëindigd door de unie van een Portugees en een inheems stamhoofd genaamd Pirajibe, wat "Visarm" betekent.

Oprichting van Paraíba Martim Leitão nodigde onder meer metsers, timmermannen, ingenieurs uit om de stad Stad van Onze Lieve Vrouw ter Sneeuw te bouwen. Bij de start van de werkzaamheden verdreef Leitão aan de Baai van Verleiding de rest van de Fransen die nog in Paraíba verbleven. Leitão benoemde João Tavares tot kapitein van het fort. In Paraíba werd de derde Braziliaanse stad opgericht, de laatste in de zestiende eeuw.

Bestuurlijke indeling thumb|235px|Kaart van de mesoregio's van Paraíba

De deelstaat Paraíba is ingedeeld in 4 mesoregio's, 23 microregio's en 223 gemeenten.

Officiële Symbolen Vlag thumb|150px|Vlag van Paraíba De vlag van Paraíba werd goedgekeurd door de Liberale Alliantie op 25 september 1930, door Wet nº 704, ter vervanging van een oude staatsvlag, die gedurende vijftien jaar standhield (van 1907 tot 1922).

Ze werd samengesteld uit de kleuren rood en zwart, rood stelt de Liberale Alliantie voor en zwart het verdriet van Paraíba voor de dood van João Pessoa, president van de staat in 1929 en vicepresident van Brazilië in 1930, naast president Getúlio Vargas. Voor velen echter betekent het rood het bloed dat er gevloeid heeft door het geweld van de dood van João Pessoa en het zwart de strijd hiervoor.

Het woord "NEGO" op de vlag is een vervoeging van het werkwoord "negar" (ontkennen), het antwoord op de vraag van de toenmalige president van Brazilië, over de aanstelling van de aangeduide opvolger van João Pessoa, Washington Luís. Op 26 juli 1965, werd de rood-zwarte vlag geformaliseerd door de gouverneur van de staat, Pedro Moreno Gondim, door het Decreet nº 3.919, als "Vlag van de Ontkenning".

Het zwart beslaat een derde van de vlag; het rood twee derden. Het woord Nego staat over de rode kleur.

Wapenschild thumb|150px|Wapenschild van Paraíba Het Wapenschild van Paraíba werd goedgekeurd door de President van de Provincie Paraíba, Castro Pinto (1912-1915). Hij gebruikte het als zegel voor op de officiële documenten. Het teken wordt gevormd door drie hoeken aan de bovenkant en een aan de onderkant. De sterren vertegenwoordigen de administratieve afdelingen van de staat. Bovenaan een grote ster, met vijf punten en een centrale cirkel, waarin een Frygische muts als teken van vrijheid is te zien.

In de escudo zijn twee elementen te onderscheiden: een man die een kudde leidt en een opkomende zon. Zij zijn omringd door een baal suikerriet links en rechts een baal katoen. De twee balen worden samengehouden door een lus waarin de datum van oprichting van Paraíba staat geschreven: 5 augustus 1585.

Volkslied Tekst: Francisco Aurélio de Figueiredo e Melo (1856-1916) Muziek: Abdon Felinto Milanez (1858-1927) Eerste opvoering: 30 juni 1905

Geografie