De Zendgroep BI-Radiodienst was een zendgroep die door agenten van het Bureau Inlichtingen (BI) in bezet Nederland was opgericht.
Typering De agenten die van de zendgroep deel uitmaakten waren organisators en radiotelegrafisten. De organisators hadden de taak om het Nederlands verzet te coördineren en een basis te leggen voor de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten waarin in een later stadium van de oorlog de verzetsorganisaties; de Ordedienst (OD), de Raad van Verzet (RVV) en de Landelijke Knokploegen (LKP) zouden worden geïntegreerd. De radiotelegrafisten verzorgden het radiocontact tussen de RVV en het BI en de Nederlandse regering in Londen. De zendgroep werd ondersteund door marconisten van de Radiodienst van de Raad van Verzet. In de periode van 11 januari tot en met 8 mei 1944 werden door het BI zeven agenten ten behoeve van de Zendgroep BI-Radiodienst boven bezet Nederland geparachuteerd. De agenten hielden zich voornamelijk bezig met het verzamelen van militaire en economische inlichtingen. Inlichtingen die door de inlichtingendienst van de RVV werden aangeleverd. De Zendgroep was operationeel van januari tot en met december 1944. Van de zeven agenten werden er vijf door de Sicherheitsdienst (SD) gearresteerd en kwamen er vijf om het leven.
De voorgeschiedenis
Naarmate de illegale organisaties in omvang toenamen nam het aantal onderduikers ook evenredig toe. In de praktijk betekende dit dat er fondsen en middelen nodig waren om deze onderduikers te kunnen onderhouden. Er waren diverse hulporganisaties die zich het lot van de onderduikers hadden aangetrokken. Zo waren er de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en het Nationaal Steun Fonds (NSF).
Door diverse agenten van de Zendgroep Barbara zoals; Garrelt van Borssum Buisman (1915-1991), Willem Jan Hubertus Schreinemachers (1910-1987) en Otto Martin Wiedemann (1915-2000), was al menig keer bij de regering om financiering van de hulporganisaties gevraagd. Met Jan Marginus Somer het hoofd van het BI in Londen was hier uitvoerig over gesproken. Somer had op zijn beurt de Nederlandse regering in Londen geïnformeerd. Om meerdere redenen had er tot 1943 door de Nederlandse regering in Londen nog steeds geen financiële steun aan of financiering van de hulporganisaties plaatsgevonden. De complicatie was dat de beide hulporganisaties over de taakverdeling en de prioriteit van de verdeling van de fondsen van mening verschilden. Daarnaast beschikte de Nederlandse regering in Londen over onvoldoende middelen. Door de bemiddeling van Theo Tromp werden de verschillen van mening tussen de hulporganisaties tot overeenstemming gebracht. Dit resultaat werd door de agent Wim Schreinemachers eind 1943 telegrafisch aan het BI in Londen doorgegeven.
"Fiat Libertas"
De agent Martin Wiedemann die in het noorden en het westen van bezet Nederland zijn werkterrein had, verzorgde voor "Fiat Libertas" het radiocontact met het BI en de Nederlandse regering in Londen. Wiedemann had al eens namens de regering tienduizend gulden aan een vertegenwoordiger van deze passeurslijn overgedragen. Maar het was een druppel op een gloeiende plaat gebleken. De organisatie "Fiat Libertas" onderhield nauwe betrekkingen met de LO en de RVV. Aangezien "Fiat Libertas" aan Wiedemann ook belangrijke militaire inlichtingen kon verstrekken, zocht hij naar Nederlandse marconisten om die als lokale telegrafisten voor de Zendgroep Barbara in te kunnen schakelen. Aldus kwam hij in Hilversum bij de Radiodienst van de actieve verzetsleider Jan Thijssen terecht. Thijssen leverde de marconisten. Thijssen was een van de oprichters van de RVV. Als tegenprestatie voor de ondersteuning van de Zendgroep Barbara kreeg de RVV door de bemiddeling van Martin Wiedemann een direct radiocontact met Londen. Thijssen zag kans om via de radiozender de Nederlandse regering in Londen te informeren over de April-meistakingen van 1943. In november 1943 vatte in Londen aldus de mening post dat de RVV kennelijk een belangrijke organisatie was. Om die reden namen de minister van Oorlog Otto Cornelis Adriaan van Lidth de Jeude en de leiding van het BI het besluit om de banden met de RVV nauw te gaan aanhalen.
Andreas Wilhelmus Maria Ausems (1904-1955)
Toen aan het einde van 1943 diverse keren door de agenten van de Zendgroep Barbara en de RVV telegrafisch om hulp aan de Nederlandse regering in Londen was gevraagd en de reacties waren uitgebleven besloot de RVV om in september 1943 een boodschapper naar Londen te sturen. Jan Thijssen, die op dat moment nog voor de radiodienst van de OD werkzaam was, besloot zijn vriend Andreas Wilhelmus Maria Ausems naar Engeland te sturen en aan hem "Het Verslag Ervaringen Hoofd Radiodienst" mee te geven. In het verslag stonden de doelstellingen beschreven die Thijssen met zijn Radiodienst en de RVV nastreefde.
Andries Ausems bereikte via een escaperoute Madrid. In Madrid kwam hij in contact met Jan Marginus Somer van het BI. Via de bemiddeling van Somer bereikte Ausems Londen en was hij in staat om bij het BI en de Nederlandse regering in Londen de boodschap van Jan Thijssen over te brengen. Na gesprekken met Ausems nam de leiding van het BI het besluit om een groep agenten ter omvang van de Zendgroep Barbara, in januari 1944 en de daaropvolgende maanden, voor de nodige steun van de RVV en de daarbij behorende radiodienst, boven bezet Nederland te parachuteren. Minister president Pieter Sjoerds Gerbrandy vond dat de activiteiten van de illegale organisaties in Nederland dienden te worden gecoördineerd. Voor dat doel stelde hij met zijn ministers richtlijnen op. De richtlijnen waren bestemd voor het besturen van de organisaties. De richtlijnen zouden bekend worden als de "Negentien punten van Gerbrandy". De gewenste coördinatie kwam door de bemiddeling van de agenten van het BI in de loop van 1944 tot stand. Hieruit zouden de in september 1944 de Binnenlandse Strijdkrachten ontstaan.
De agenten ten behoeve van de Zendgroep BI-Radiodienst
De agenten die door het BI, ten behoeve van de Zendgroep BI-Radiodienst, boven bezet Nederland, werden geparachuteerd waren;
Harm Steen en Sjef Adriaansen (10/11-01-1944); Andries Ausems en Jacques van Loon ( 29/2-1/3-1944); Jan Faber en Herman Leus (10/11-04-1944); Jan de Bloois (7/8-05-1944);
De organisator en de leider van de zendgroep was de agent Harm Steen. Na zijn arrestatie op 2 maart 1944 werd de leiding bij de zendgroep tijdelijk overgenomen door Andries Ausems. Vanaf 11 april 1944 werd Jan Faber de leider. De agenten werden ondersteund door marconisten van de Radiodienst van de Raad van Verzet.
Harm Steen (1916-1944) en Sjef Adriaansen (1919-1944)
Harm Steen (1916-1944) werd in de nacht van 10 op 11 januari 1944 samen met de agent Josephus Adriaansen (1919-1944), in de omgeving van Breda, boven Noord-Brabant geparachuteerd. Harm Steen was de organisator en de leider van de Zendgroep BI-Radiodienst. Hij werkte in de functie van verbindingsofficier samen met de RVV en de daarmee samenwerkende verzetsorganisaties. Ten behoeve van het NSF had hij een speciale opdracht uit Londen meegekregen. In de functie van radiotelegrafist verzorgde hij het radiocontact tussen de RVV en het BI en de Nederlandse regering in Londen. Tijdens zijn contact met het NSF gebruikte hij de schuilnamen; Hein van Tilburg en Sedburgh. Tijdens de radiocontacten met het BI maakte hij gebruik van de codenaam; Kees, Witte Beeren en Paultje. Tijdens zijn contacten in "het veld" gebruikte hij de schuilnamen; H.J.Broekhuizen, Lange Harm en De Luit. Zijn radiozender werd uitgepeild. Op 2 maart 1944 werd hij door de SD gearresteerd. Op 5 september 1944 werd Harm Steen op de Fusilladeplaats in het Kamp Vught gefusilleerd.
Sjef Adriaansen (1919-1944) was als radiotelegrafist aan Harm Steen toegevoegd. Hij zorgde voor de opvang van de agenten die ten behoeve van de Zendgroep BI-Radiodienst boven bezet gebied werden geparachuteerd. Tijdens de radiocontacten met het BI maakte Adriaansen gebruik van de codenaam; Leonards, Willem Bogers en Witte Beeren. Tijdens zijn contacten in "het veld" gebruikte hij de schuilnamen; J. Bastiaanse. Zijn radiozender werd uitgepeild. Hij werd op 14 juli 1944 gearresteerd. Op 5 september 1944 werd hij op de Fusilladeplaats in Kamp Vught gefusilleerd.
Opdracht
Harm Steen was de organisator en de leider van de zendgroep. Aan Steen was door de Nederlandse regering in Londen een bedrag van tien miljoen gulden in de vorm van een regeringsvolmacht meegegeven. De regeringsvolmacht was bestemd voor mr. Walraven van Hall. Van Hall was in bezet Nederland de intermediair en bindende factor tussen de hulporganisaties. Hij zou de kredietfinanciering verdelen over het NSF en de LO en de daarmee samenwerkende hulpdiensten. Daarnaast had Harm Steen in een gordel honderd dertigduizend gulden uit Londen meegekregen. Een bedrag van honderdduizend gulden was bestemd voor de RVV. De resterende dertigduizend gulden waren bestemd als kosten van levensonderhoud voor de agenten van de zendgroep.
Plaats van tewerkstelling
Het eerste aanloopadres dat Harm Steen en Sjef Adriaansen na hun landing bezochten was bij de “Spartanen” in Princenhage. Het aanloopadres was de rijwiel- en motorfietsenhandel van Rinus van Nunen. Het bedrijf was herkenbaar aan een uithangbord dat aan de voorpui hing. Het was een reclamebord van het merk “Sparta”. Zowel de schuilnaam van de contactpersoon als het wachtwoord om bij de familie binnen te kunnen komen was; de “Spartanen”. De tocht naar Princenhage was niet zonder risico. De brief met de kredietfinanciering van tien miljoen gulden en de gordel met daarin honderd dertigduizend gulden kon bij aanhouding tot verdenking van een bankroof leiden. Na aankomst bij de “Spartanen” in Princenhage reisde Harm Steen gelijk door naar Zaandam. In Zaandam woonde Hein Optenvelde de contactpersoon van de RVV. Vanuit Zaandam bezocht hij Walraven van Hall, in Amsterdam, de contactpersoon en intermediair tussen de verschillende hulporganisaties.
Sjef Adriaansen bleef in Princenhage achter. In de molen van de molenaar Frans van der Reijt richtte Adriaansen een seinpost in. Vanuit de molen in Princenhage verzorgde hij het radiocontact tussen de RVV en het BI en de Nederlandse regering in Londen. Vanuit zijn onderduikadres bereidde hij de opvang van de agenten van de Zendgroep BI-Radiodienst voor. Toen de tijd rijp was, bracht Adriaansen de radiozendontvanger van Harm Steen naar Zaandam. Tevens werd aan Steen een zendplan en een code overhandigd waarmee Optenvelde en Steen ten behoeve van de RVV berichten naar het BI en de Nederlandse regering in Londen konden doorseinen. In de werkplaats van het radiotechnisch bedrijf van Optenvelde werd een seinpost ingericht. Optenvelde zette lokale marconisten van de radiodienst in om de zendgroep uit te bouwen.
In Princenhage was de molenaar Van der Reijt Adriaansen op alle mogelijke manieren behulpzaam. In de eerste week van februari 1944 ontving Adriaansen van het BI in Londen het bericht dat bijna de gehele Zendgroep Barbara was opgerold. Alleen de agent Jan Hendrik Diesfeldt was nog over. Adriaansen dook bij de molenaar onder. Uit veiligheidsoverwegingen nam Adriaansen het besluit om zo weinig mogelijk vanuit de molen en het huis van de "Spartanen" te seinen. Hij verplaatste zijn seinpost naar een schoolgebouw in Princenhage. Daarna verplaatsten hij zich in Noord-Brabant van seinpost naar seinpost. In het voorjaar en in de zomer van 1944 richtte hij in totaal zeventien seinposten in. Sjef Adriaansen was voornamelijk werkzaam in het gebied tussen Breda, Bergen op Zoom en Rotterdam.
Andreas Wilhelmus Maria Ausems (1904-1955) en Jacobus Eugène van Loon ( 1919)