Paraceratherium is een genus uitgestorven zoogdieren behorend tot de familie Paraceratheriidae (superfamilie Rhinocerotoidea of neushoornachtigen) dat tijdens het tijdvak Oligoceen, 33,9–23,04 miljoen jaar geleden (33,9–23,04 Ma), Cohen, K.M., Finney, S.C., Gibbard, P.L. & Fan, J.-X. (2013; updated). (c) International Commission on Stratigraphy, December 2024. Episodes 36: 199-204 leefde in een groot paleoverspreidingsgebiedPaleobiogeografie is de vakwetenschap die de geografische verspreiding van planten (clade Archaeplastida Adl et al., 2005) en dieren (Rijk Metazoa Haeckel, 1874 of Rijk Animalia Linnaeus, 1758) door de tijd en ruimte heen onderzoekt. Het combineert elementen uit de paleontologie, geologie, evolutiebiologie en biogeografie om de ontwikkeling en verspreiding van meestal uitgestorven soorten in het geologisch verleden te reconstrueren. in Eurazië. De grootste concentratie aan fossielen ligt in Kazakhstan, Mongolië en China (Centraal-Azië). Ten zuiden van dit gebied, in Noord-India (in het zuidoosten van de staat Uttar Pradesh) en Pakistan, en ten westen ervan, in Georgië, Turkije (Anatolië), Bulgarije en Roemenië, werden ook resten gevonden. Paraceratherium was een van de grootste landzoogdieren aller tijden.

Ontdekking en naamgeving thumb|left|350px|Vergelijking tussen de schedels van de typespecimensEen typespecimen (of type-exemplaar) is het fysieke referentie-exemplaar van een organisme dat dient als de officiële basis om een nieuwe wetenschappelijke naam aan een soort (species) of geslacht (genus) toe te kennen. Het is het tastbare bewijs waaraan andere exemplaren getoetst worden. van de Onder-Oligocene Paraceratherium grangeri Osborn, 1923 (boven) (AMNH 18650) uit de Hsanda Gol Beds (Hsanda Gol-formatie) nabij Loh (ajmguud Övörhangaj) (Tsagan Nor geologisch bekken) in de noordelijke Gobiwoestijn van Centraal-Mongolië (soevereine staat Mongolië), en de Boven-Miocene Aceratherium incisivum Kaup (1832) uit de Dinotheriensande van het Mainzer Becken (geologisch bekken) (Eppelsheim, Duitsland). De schedel van Paraceratherium is sterk koepelvormig gewelfd met verhoogde voorhoofds- en neusbeenderen. De diepe inkeping in de neusbeenderen wijst op de aanwezigheid van een korte, zeer beweeglijke grijpslurf of een zeer gespierde, tapirachtige bovenlip, die werd gebruikt om bladeren van takken te strippen. In tegenstelling tot Paraceratherium is de schedel van Aceratherium relatief plat, lang en laag. De neusbeenderen vertonen geen inkeping zodat er geen aanwijzing is voor de aanwezigheid van een grijpslurf, allemaal kenmerken waardoor de schedel van Aceratherium op die van een gewone neushoorn lijkt. De tanden van Paraceratherium zijn sterk gespecialiseerd in het eten van bladeren van struiken en bomen. De voortanden zijn gereduceerd tot een paar kegelvormige snijtanden in zowel de boven- als de onderkaak. De bovenste snijtanden zijn zeer groot en wijzen recht naar beneden, terwijl de onderste veel kleiner zijn en recht vooruit steken. Deze vier snijtanden werden gebruikt voor het afstrippen van bladeren in samenwerking met de grijpslurf. Aceratherium daarentegen heeft een veel minder gespecialiseerd gebit. De bovenste snijtanden zijn klein, terwijl de onderste vergroot zijn tot brede, platte, spadeachtige 'slagtanden' die naar voren en naar boven wijzen. Onder meer de onderscheidende kenmerken van schedel en tanden van beide genera rechtvaardigden het dat de Engelse paleontoloog Sir Clive Forster-Cooper specimina die oorspronkelijk in Aceratherium ondergebracht werden, hernoemd werden naar het nieuwe genus Paraceratherium. Schaal : 1/16. De etymologische betekenis van de genusnaam Paraceratherium is zoveel als 'verwant aan het hoornloze beest'. 'Paraceratherium' is samengesteld uit het Griekse para; 'naast, nabij of verwant aan' en het Griekse/Latijnse 'Aceratherium'; a (Latijn) = zonder, keras (Grieks) = hoorn, therium (Latijn) = beest/dier. De genusnaam werd in 1911 ingevoerd door de Engelse paleontoloog Sir Clive Forster-Cooper (1880–1947), toenmalig directeur van het Cambridge University Museum of Zoology en van het Natural History Museum in Londen, bij zijn wetenschappelijke beschrijving van de typesoort (type species) Paraceratherium bugtiense Forster-Cooper, 1911. De soortnaam 'bugtiense' verwijst naar de vindplaats in de Dera Bugti Hills (provincie Beloetsjistan (Balochistan), Pakistan) in sedimenten uit het tijdvak Oligoceen (era Kenozoïcum, periode Paleogeen). De genusnaam Paraceratherium verwijst naar het in 1911 al bestaande genus hoornloze Rhinocerotide neushoorn Aceratherium Kaup (1832). Forster-Cooper ontdekte de eerste identificeerbare fossielen van Paraceratherium in 1910. In 1907 en 1908 had de Engelse geoloog Guy Ellcock Pilgrim fossielen ontdekt (een bovenkaak, tanden uit de onderkaak en kaakfragmenten) in basale Miocene lagen in Pakistan (eveneens in de Dera Bugti Hills, typelocatie Lundo Chur) en klassificeerde ze als een nieuwe soort van Aceratherium, nl. Aceratherium bugtiense Pilgrim, 1908 (typesoort). Aceratheriumfossielen komen voor van Oligoceen tot Boven-Mioceen (Khan et al., 2009). Omdat zijn vondsten toch voldoende verschillen vertoonden met de resten van Aceratherium (het genus waarin de typesoort Paraceratherium bugtiense Forster-Cooper (1911) oorspronkelijk geplaatst was),Het was oorspronkelijk geplaatst in Aceratherium bugtiense Forster-Cooper (1911). onder meer kenmerkende grote naar beneden gerichte bovenste snijtanden, vond Forster-Cooper het gerechtvaardigd om een nieuw genus, Paraceratherium, en een nieuwe soort, Paraceratherium bugtiense, in te voeren. Concreet hernoemde hij de 'soort' 'Aceratherium bugtiense' dus tot Paraceratherium bugtiense. De allereerste fossielen van Paraceratherium werden in 1846 gevonden, eveneens in Balochistan (Pakistan) in de Dera Bugti Hills, door een Brits soldaat genaamd Vickary, maar deze fragmentarische resten waren destijds niet identificeerbaar.

Taxonomische geschiedenis Paraceratherium heeft een complexe taxonomische geschiedenis. Initieel werd het in de familie Hyracodontidae Cope, 1879 (superfamilie Rhinocerotoidea), geplaatst, maar de meeste onderzoekers plaatsen het nu in de aparte familie Paraceratheriidae Osborn 1923 (onderfamilie Paraceratheriinae Osborn, 1923),Paraceratheriinae Osborn, 1923 was vroeger Indricotheriinae Borissiak, 1923. Aleksei Alekseevich Borissiak (1872-1944) was een Russisch en Sovjet geoloog en paleontoloog. gebaseerd op de onderscheidende, afgeleide kenmerken (apomorfieën) van het genus. Paraceratherium was vroeger ook bekend onder onder meer de namen Indricotherium Borissiak, 1916 en Baluchitherium Forster-Cooper, 1913. Deze worden door de meeste onderzoekers niet meer als valiede genera, maar als junior synonyms van Paraceratherium Forster-Cooper (1911) beschouwd (bv. Fortelius & Kappelman, 1993; Lucas & Sobus, 1989; Matthew, 1931). Fossielen van Paraceratherium die in het begin van de twintigste eeuw gevonden werden, waren fragmentarisch en werden daardoor door paleontoloog Guy Ellcock Pilgrim in 1908 geclassificeerd als een nieuwe soort binnen het reeds bestaande Rhinocerotide genus Aceratherium Kaup (1832), nl. Aceratherium bugtiense. Traditioneel werden toen veel soorten ondergebracht in het genus Aceratherium louter op basis van het ontbreken van hoorns, waardoor het geslacht als een wastebasket taxon gebruikt werd. Toen Forster-Cooper in 1911 meer complete specimina vond, bleken belangrijke verschillen aan te tonen en te rechtvaardigen dat de soort 'Aceratherium bugtiense' een nieuwe genusnaam vereiste. Daarom werd deze soort door Forster-Cooper hernoemd tot Paraceratherium bugtiense. De etymologische betekenis van deze soortnaam, 'verwant aan het hoornloze beest van de Dera Bugti Hills', benadrukt de nauwe verwantschap met 'Aceratherium bugtiense', maar erkent Paraceratherium bugtiense tegelijkertijd als een aparte, nieuwe soort. Paleontologische revisies van het genus Aceratherium hebben vele er onterecht in ondergebrachte soorten in de loop der tijd uit verwijderd, maar het kon behouden blijven voor specifieke correct gediagnosticeerde soorten uit het Mioceen tijdvak van Eurazië en heeft momenteel nog steeds een geldige taxonomische status.

Soorten Gebaseerd op recent onderzoek en paleontologische consensus ressorteren onder het geslacht (genus) Paraceratherium verschillende geldige soorten hoornloze neushoornachtigen (Rhinocerotoidea) van reusachtige afmetingen uit het Oligoceen van Eurazië, met Paraceratherium bugtiense als typesoort (type species). Hoewel de taxonomische geschiedenis complex is, worden de volgende soorten erkend : Paraceratherium bugtiense, P. grangeri, P. huangheense, P. asiaticum, P. lepidum, P. linxiaense en P. sp. (Deng et al., 2021).

Paleobiogeografie Paraceratherium had een grote verspreiding in een breed scala aan habitats : van Kazachstan en Mongolië (Centraal-Azië) in het noorden tot Pakistan en India (Zuid-Azië) in het zuiden en van de Balkan in het westen tot China in het oosten. Aangenomen wordt dat het genus in Centraal-Azië ontstond, het gebied dat nu China, Mongolië en Kazakhstan omvat. Het zou zich via voorouderlijke vormen tijdens het Laat-Eoceen (het middelste tijdvak van de periode Paleogeen, era Kenozoïcum) of rond de overgang Eoceen-Oligoceen (het jongste tijdvak van het Paleogeen) vanaf het toenmalige 'Mongoolse plateau' langs de oostkust van de ondiepe Tethyszee en over de toenmalige Tibetaanse regio naar Zuid-Azië (Pakistan en India) verspreid hebben, tezamen met andere landzoogdieren zoals Ruminantia (onderklasse Theriiformes, infraklasse Placentalia, orde Artiodactyla (Evenhoevigen)) en Anthracotheriidae (orde Artiodactyla, onderorde Suina). Deze regio bestonden tijdens het Oligoceen waarschijnlijk uit laaggelegen gebieden van minder dan tweeduizend meter hoogte. Dit wordt aangetoond door fossielen van vissen en planten met tropische kenmerken die worden aangetroffen in de Oligocene lacustriene afzettingen van het centrale Tibetaanse gebied (Su et al., 2019; Botsyun et al., 2019). Tot aan het late Oligoceen laten de evolutie en verspreiding van Paraceratherium bugtiense naar P. linxiaense en P. lepidum zien dat het Tibetaans plateau, zoals het nu is, nog niet bestond en nog geen barrière vormde voor de biogeografische uitwisseling van zelfs de grootste toenmalige landzoogdieren. Fossielen ontdekt in het Kagizman-Tuzlucabekken (geologisch bekken) in Turkije wijzen erop dat het verspreidingsgebied zich ver naar het westen uitstrekte en dat Paraceratherium tijdens het Oligoceen dus ook in Europees-Aziatische regio's voorkwam, zoals resp. zelfs Oost-Europa (Bulgarije, Roemenië en Georgië) en ten zuiden van Centraal-Azië in de provincie Balochistan (Pakistan) en in Noord-India. Hoewel Paraceratherium een grote paleogeografische verspreiding had, bestaan veel van de vondsten uit Oost-Europa en West-Azië (Turkije) uit fragmentarische specimina in vergelijking met de completere vondsten in Centraal-Azië. De globale verspreiding werd sterk beïnvloed door de paleogeografische evolutie van de Alpen-Himalayagebergtegordel tijdens het Oligoceen. De eerste fossielen van Paraceratherium werden in 1910 door de Engelse paleontoloog Sir Clive Forster-Cooper gevonden in de Chitarwataformatie in Dera Bugti (Bugti Hills) (de typelocatie) in Balochistan, Pakistan. Deze vondsten impliceren een sterke geografische verbinding tussen Zuid-Azië en het daarboven gelegen Centraal-Azië, in welke laatste gebied de hoogste concentratie fossielen aangetroffen wordt (Kazakhstan, Mongolië en China).