In de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 2001 is belastbaar inkomen uit sparen en beleggen een categorie inkomsten. Deze vormt box 3 in het boxenstelsel van de wet.Het belastbare inkomen in deze box wordt behandeld in hoofdstuk 5, het tarief in artikel 2.13 van de wet. Anno 2025 gaat het tijdelijk om de inkomsten op basis van fictieve rendementen op werkelijke vermogensbestanddelen, met een tegenbewijsregeling voor als het 'werkelijke rendement' (tussen aanhalingstekens, want kosten zijn niet aftrekbaar) lager is.

De regelgeving voor box 3 is aan voortdurende veranderingen onderhevig. In dit artikel worden een viertal periodes gebruikt, waar de belasting geheven wordt:

Op basis van vermogen (2001 - 2016). Er is een universeel tarief over alle bezittingen. Op basis van forfaitaire vermogensmix (2017 - 2022). Er wordt een mix van vermogensbestandsdelen verondersteld. Elk bestandsdeel krijgt zijn eigen tarief. Op basis van werkelijke vermogensmix (2023 - 2027). De mix van vermogensbestandsdelen wordt niet meer verondersteld maar opgegeven; elk bestandsdeel krijgt zijn eigen tarief. Op basis van werkelijk rendement (gepland vanaf 2028). Door uitspraken van de Hoge Raad mag rechtsherstel worden toegepast. Hierdoor mogen andere berekeningen worden ingediend; de regeling die het laagste belastingtarief oplevert mag worden toegepast:

Over de jaren 2017 tot en met 2022 mag, zolang de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat, de werkelijke vermogensmix worden toegepast; zie de paragraaf Berekening volgens oude en nieuwere regeling. Over de jaren 2017 en later mag, onder voorwaarden, het werkelijk rendement opgegeven worden; zie de paragraaf Tegenbewijsregeling.

Waar gesproken wordt over rendementen en waardeontwikkelingen worden die in euro's bedoeld, dus niet gecorrigeerd voor inflatie.

Introductie

Uitsluiting van vermogen in box 1 en 2 Het gaat in box 3 om vermogen dat geen bron is van inkomen in box 1:

ondernemingsvermogen de eigen woning (geldt als bron van inkomen, namelijk eigenwoningforfait, in box 1, los van de vraag of met de woning samenhangende rente aftrekbaar is en los van de eventuele aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld die het eigenwoningforfait deels compenseert / tenietdoet) vermogen dat onder de terbeschikkingstellingsregeling valt bedrijfsopties recht op een AOW-uitkering of een pensioen de fiscale oudedagsreserve een lijfrente waarvoor de betaalde bedragen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen konden worden afgetrokken

of box 2: aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is het "voordeel uit sparen en beleggen" verminderd met het daarvoor in aanmerking komende deel van de persoonsgebonden aftrek. Voor zover de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar niet vermindert, vermindert de aftrek het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van het jaar, maar niet verder dan tot nihil.

Indexatie Alle in de wet genoemde bedragen die te maken hebben met box 3 worden (voor zover daarvan niet voor het betreffende jaar wettelijk wordt afgeweken) geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor. Voor 2023 is deze 1,063, corresponderend met 6,3% inflatie.Bijstellingsregeling directe belastingen 2023 – De bijstelling voor 2023 van het heffingvrije vermogen is niet van belang, want die wordt door de wet Belastingplan 2023 vervolgens met dezelfde ingangsdatum opnieuw gewijzigd in een specifiek bedrag (dus bijvoorbeeld niet in termen van een absolute of percentuele verhoging van het "tussentijdse" bedrag).

Belang voor andere regelingen Het inkomen in box 3 telt soms wel, soms niet mee bij inkomensafhankelijke bijdragen en toeslagen:

Wel bij: de inkomensafhankelijke bijdragen Wlz, de zorgtoeslag, de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget.

Niet bij: de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

Indien wel, dan heeft vrijstelling van vermogensbestanddelen niet alleen voordeel voor de inkomstenbelasting, maar via vermindering van het in aanmerking genomen inkomen ook voor de betreffende regelingen.

Men krijgt geen huurtoeslag als het vermogen boven het heffingvrije vermogen ligt, zelfs niet als dit vrijgesteld is voor de inkomstenbelasting.

Bij een vermogenstoets gaat het vaak om de "grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001", maar soms wordt verwezen naar de rendementsgrondslag en het heffingvrije vermogen. Soms wordt de vrijstelling groene beleggingen niet in aanmerking genomen. Soms wordt verwezen naar het voordeel uit sparen en beleggen.

Voor de bepaling van een eigen bijdrage wordt het betreffende vermogen soms gelijkgesteld met een extra inkomen van 8% van dit vermogen, boven op het forfaitaire rendement, zodat in totaal wordt gerekend met een inkomen gelijk aan dat in box 1 en 2 plus 12% van het betreffende vermogen.

Op basis van werkelijke vermogensmix (huidige systeem, 2023 - 2027) Het huidige systeem is geïntroduceerd in 2023. Door diverse gerechtelijke uitspraken kan het in sommige gevallen ook toegepast worden op aanslagen van eerdere jaren; zie voor meer details Berekening volgens oude en nieuwere regeling. In dit systeem wordt het vermogen verdeeld in banktegoeden, overige bezitten, en schulden. Elke van deze vermogensbestanddelen (twee positieve en een negatieve) wordt vervolgens belast (twee positieve bedragen en een aftrekpost).

Aangiften over de jaren 2025, 2026 en 2027 Bij de aangiften over de jaren 2025, 2026 en 2027 kan men kiezen tussen het alleen opgeven van de gegevens voor de bepaling van de verschuldigde belasting volgens het systeem van fictieve rendementen, of ook de gegevens voor de bepaling van de verschuldigde belasting volgens het systeem van het werkelijke rendement volgens de tegenbewijsregeling (zie verderop). De in totaal verschuldigde belasting is in het tweede geval het laagste van de twee uitkomsten. Men kan niet voor een deel van het vermogen het ene systeem kiezen en voor de rest het andere.

Als duidelijk is dat het fictieve rendement lager is, kan men zich de moeite besparen de gegevens voor de bepaling van de verschuldigde belasting volgens het systeem van het werkelijke rendement op te geven. Men moet echter sowieso de gegevens voor de bepaling van de verschuldigde belasting volgens het systeem van fictieve rendementen opgeven.

Bij de aangifte over het jaar 2025 zijn van onder meer de Nederlandse banktegoeden alleen de banken vooringevuld waar men op 1 januari 2025 een rekening had. Als men er voor kiest om ook de gegevens voor de bepaling van de verschuldigde belasting volgens het systeem van het werkelijke rendement op te geven, dan moeten daarbij ook die van niet vooringevulde banken of rekeningen worden ingevuld, zoals die welke men in de loop van 2025 verkregen heeft.

Indeling van vermogen in werkelijke vermogensbestanddelen De rendementsgrondslag is de waarde van de banktegoeden, plus die van overige bezittingen, verminderd met het bedrag van het aftrekbare deel van de schulden. Voor elk van deze vermogenscategorieën is er een forfaitair rendementspercentage, dat voor de banktegoeden en de schulden verschillend is in de oude en de nieuwe regeling.

In 2024 worden volgens de wet de subcategorieën van vermogen als volgt ingedeeld in drie hoofdcategorieën: vermogenscategorie banktegoeden (in de aangifte genoemd 'Bank- en spaarrekeningen'); omvat ook die in vreemde valuta; het betreft betaalrekeningen, spaarrekeningen, spaardeposito's en de spaardelen van beleggingsrekeningen (deposito’s als bedoeld in artikel 1:1 Wft en daarmee naar aard en strekking overeenkomende buitenlandse deposito’s), met uitzondering van vrijgestelde banktegoeden die vallen onder het begrip groene beleggingen vermogenscategorie 'overige bezittingen' beleggingen zoals aandelen, obligaties, opties, winstbewijzen (rechten op een aandeel in de winst van een bedrijf, los van aandelenbezit), met uitzondering van vrijgestelde beleggingen die vallen onder het begrip groene beleggingen onroerende zaken (in de aangifte genoemd 'Woningen en andere onroerende zaken'), met uitzondering van het hoofdverblijf van de belastingplichtige niet-vrijgestelde deel van kapitaalverzekeringenNiet-vrijgesteld deel kapitaalverzekeringen rechten op periodieke uitkeringen nettolijfrente en nettopensioen die niet zijn vrijgesteld overige bezittingen (deze aangiftecategorie moet niet verward worden met de omvangrijker vermogenscategorie met dezelfde naam), onder meer: roerende zaken die de belastingplichtige verhuurt of als belegging heeft cryptogeld Vorderingen; deze laatste omvatten tegoeden bij niet-banken (personen en andere instellingen dan banken), bijvoorbeeld uitgeleend geld, geld dat men tegoed heeft van een instelling of bedrijf, een vaststaande erfenis van een overleden persoon die men nog niet ontvangen heeft, of een door een ander verstrekte schenking op papier;"Voor de categorie beleggingen wordt gekeken naar het meerjarige gemiddelde rendement. En daar rommelt het nog, want in box 3 zijn beleggingen feitelijk een restcategorie, de ‘overige bezittingen’. Wie een vordering heeft, bijvoorbeeld in verband met een familiebanklening, wordt dan aangeslagen voor het ‘meerjarige gemiddelde rendement op beleggingen’. Het zou in zulke gevallen logischer zijn om aan te sluiten bij het percentage dat voor de aftrek van box 3-schulden geldt.'" – https://web.archive.org/web/20220706141255/https://www.fiscalert.nl/fiscaal/artikelen/update-spaartaksdossier'Beleggingen worden gewaardeerd tegen 5,69%. Is er bijvoorbeeld een familielening verstrekt dan kom je in een rare spagaat terecht. Enerzijds stelt de belastingdienst eisen aan de rente op de dergelijke leningen. Een rente die 0,20% boven de marktrente ligt wordt in ieder geval geaccepteerd. Tegelijkertijd wordt bij de belastingheffing in BOX 3 verondersteld dat er 5,69% wordt gerealiseerd. Dat is op z’n minst gezegd merkwaardig te noemen.' – https://www.ldeaccountants.nl/28-04-2022/uitwerking-rechtsherstel-box-3-voor-bezwaarmakers een daadwerkelijk of latent recht op teruggave van een belasting waarop de AWR van toepassing is, is niet belast

vermogenscategorie schulden (in de aangifte genoemd 'Hypotheken en andere schulden'), alleen het deel boven de drempel

Contant geld (alleen het deel boven de vrijstelling) wordt bij het rechtsherstel (nieuwe berekening) ingedeeld in de vermogenscategorie 'overige bezittingen', maar in de Overbruggingswet box 3Overbruggingswet box 3 – Staatsblad, Overbruggingswet box 3 – eerstekamer.nl in de vermogenscategorie banktegoeden, ook als het in buitenlandse valuta wordt aangehouden, zodat een koersresultaat kan worden behaald. Voor het totale bedrag van contant geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, en vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen zoals cadeaubonnen, is er een vrijstelling (2021: € 552; 2022: € 560; 2023: € 596). Bij het bepalen van werkelijk rendement speelt contant geld in euro’s uiteraard geen rol.Herziening Belastingstelsel; Brief regering; Contourennota box 3-heffing op basis van werkelijk rendement