Inostrancevia is een geslacht van viervoeters uit de Gorgonopsia, een onderorde van de Therapsida, en omvat drie soorten. Deze soorten leefden gedurende het Laat-Perm, ongeveer 250 miljoen jaar geleden, in het tegenwoordige Rusland en Zuid-Afrika.

Soorten Inostranzevia alexandri De typesoort Inostranzevia alexandri werd in 1922 postuum benoemd en beschreven door professor Vladimir Prokhorovich Amalitzky en vernoemd naar zijn oude mentor de Russische geoloog Alexander Inostrantzev. Amalitzky baseerde de soort op twee specimina, PIN 1758 and PIN 2005/1578. Later werd PIN 2005/1578 gekozen als lectotype. Dat is een vrijwel compleet skelet waarvan alleen enkele ribben en wervels ontbreken. De vondsten, gedaan tussen 1899 en 1914 en geprepareerd in Warschau, maken deel uit van de Vyatskian Assemblage, die gevonden is in Sokolki bij de Malaya Severnaya Dvina River in de Archangelsk-regio in het noorden van Europees Rusland en een ouderdom van 250 miljoen jaar heeft.

Naamsverandering en overige soorten In 1927 veranderde Pavel Pravoslavlev de geslachtsnaam in Inostrancevia. Naar moderne regels is dat verboden maar de veranderde naam is geheel ingeburgerd en volgens dezelfde regels maakt dat die naam alsnog geldig. Hij benoemde meteen ook een tweede soort Inostrancevia latifrons, "breed voorhoofd", bestaande uit een schedel en een incompleet skelet. Dit holotype, PIN 2005/1857, is afkomstig uit de Little Dvina Valley in de Archangelsk-regio en behoort eveneens tot de Vyatskian Assemblage. Pravoslavlev benoemde meteen ook een derde en vierde soort: Inostrancevia parva en Inostrancevia proclivis. De eerste soort werd in 1953 het aparte geslacht Pravoslavlevia, de tweede wordt tegenwoordig onderkend als een jonger synoniem van de typesoort.

In 1940 benoemde Efremov een Inostrancevia progressus. In 1955 werd dit het aparte geslacht Sauroctonus.

In 1953 stelde Wjoestsjkow dat het geslacht Amalitzkia identiek was aan Inostrancevia en hernoemde A. wladimiri in Inostrancevia wladimiri. Latere onderzoekers zagen dit allemaal als jongere synoniemen van I. latifrons. De door Pravoslavlev benoemde soorten zijn vermoedelijk meestal rijpingsfasen van de typesoort.

Fragmentarische schedelresten van Inostrancevia uralensis (Tatarinov, 1974) zijn gevonden bij de Ural River in de provincie Orenburg en maken deel uit van de Kotelnich Assemblage. Het holotype is specimen PIN 2896/1, een stuk achterhoofd. Tatarinov zelf twijfelde er al aan of de toewijzing correct was.

In 2022 werd vondsten uit Zuid-Afrika gepresenteerd. Deze fossielen – twee complete schedels en een bijna compleet skelet behorend tot de nieuwe soort I. africana – werden in 2010 gevonden bij Nooitgedacht in het Karoo-bekken en dateren van vlak voor de grens tussen het Perm en Trias. Het holotype is NMQR 4000 en specimen NMQR 3707 is het paratype. De grootste Afrikaanse gorgonopsiërs die tot dan toe bekend waren, behoorden alle tot de Rubidgeinae. I. africana vulde na het uitsterven van de Rubidgeinae in het laatste Perm gedurende een korte periode de rol van toproofdier in zuidelijk Afrika, waarna hij ook zelf uitstierf.

Uiterlijk en levenswijze Inostrancevia is de grootst bekende gorgonopsiër en met een lengte van 320 tot 430 centimeter, bij een gewicht van ruim driehonderd kilogram, had het de grootte van een hedendaagse beer maar met een slank wolfachtig lichaam. De schedel was 45-75 centimeter lang en Inostrancevia had drie typen tanden: twaalf tot vijftien centimeter lange hoektanden (wel aangeduid als sabeltanden) in de bovenkaak, twee formaten snijtanden in de boven- en onderkaak en kleine tanden (postcaninen) achter in de bovenkaak. De hoektanden zijn langer dan bij alle andere basale synapisen met uitzondering van Tiarajudens. Een mogelijke autapomorfie is het bezit van maar vier snijtanden per praemaxilla. De snijtanden hebben twee vervangingstanden per positie. Met de sabeltanden was Inostrancevia in staat door de dikke pantsers van planteneters als Dicynodon trautscholdi en de 2,5 meter lange pareiasauriërs Scutosaurus, Deltavjata en Pareiasaurus te bijten en zo deze dieren te doden, bijvoorbeeld met een beet in de keel of nek. De beet was echter niet krachtig genoeg om botten te breken. Door de lange kaken was de absolute bijtkracht bij de hoektanden niet groot. Ze moesten een hoge sluitsnelheid bereiken voor een diepe doorslag. De bek van Inostrancevia kon zich daartoe tot een hoek van negentig graden openen. De achterste tanden waren klein en scherp. Kiezen ontbraken zoals bij alle gorgonopiërs, waardoor Inostrancevia niet in staat was zijn voedsel te kauwen. Het vlees van het prooidier werd met de scherpe achterste tanden in stukken gescheurd en vervolgens ingeslikt. De onderkaken hebben geen postcaninen. Er staan geen tanden op het verhemeltebeen.

I. alexandri onderscheidt zich door een nauw achterhoofd, een breed en afgerond ovaal slaapvenster, en zijplaten van het pterygoïde waar tanden op staan. I. latifrons heeft een lage en brede snuit, een groter schedeldak bij de wandbeenderen, minder tanden en minder bulten op het verhemelte. I. uralensis heeft een overdwars gericht langwerpig ovaal slaapvenster dat in het schedeldak steekt. De schedel van I. africana is onder de oogkassen sterk ingesnoerd over de jukbeenderen, heeft een langere snuit, een foramen pineale dat gelegen is in een diepe uitholling in de wandbeenderen en een hoog en massief gebouwd dentarium van de onderkaak.

Het postcraniaal skelet is uitzonderlijk robuust, vooral in plaatvormige schouderblad en het scheenbeen.

De lange renpoten bevonden zich evolutionair in een tussenpositie: nog niet onder het lichaam zoals bij zoogdieren, maar minder gespreid dan bij basale eupelycosauriërs. De achterpoten stonden rechter dan de voorpoten. Hoewel Inostrancevia geen hoge snelheden zal hebben kunnen halen, was hij relatief snel. Vermoedelijk joeg het dier vanuit een hinderlaag. Daarnaast was deze gorgonopsiër vermoedelijk ook een goede zwemmer. Inostrancevia had een vrij korte staart. Het is mogelijk dat Inostrancevia net als de verwante cynodonten endotherm was en haar had, maar sterke directe bewijzen hiervoor ontbreken. De reuk was vermoedelijk het best ontwikkelde zintuig bij Inostrancevia. Binoculair zicht was nog niet ontwikkeld, terwijl ook het gehoor nog in ontwikkeling was bij de gorgonopsiërs en alleen in staat was lage frequenties te horen. De interne structuur van de neusholtes van de gorgonopsiërs, die bestond uit twee kamers, wijst echter wel op een goed ontwikkelde reuk. In de neusholten bevinden zich turbinalen, boekrolachtige structuren die vocht kunnen opvangen uit warme uitgeademde lucht. Dat wijst erop dat het dier warmbloedig was anders zou de adem niet warm zijn.

Fylogenie Inostrancevia werd in eerste instantie in de Gorgonopsidae geplaatst. In 1948 echter benoemde Friedrich von Huene een eigen Inostranceviidae. Dat werd lange tijd door de Russische geleerden aanvaard. Na 2007 veranderde dat toen voor het eerst exacte kladistische analyses van de gorgonopiërs werden uitgevoerd. In 2018 publiceerde Christian F. Kammerer een analyse die twee kladen vond die niet overeenkwamen met de traditionele families. Russische vormen noemde hij "Klade A" en Afrikaanse vormen "Klade B". Inostrancevia nu behoort tot Klade A maar één soort die aan het geslacht is toegewezen is gevonden in Afrika. Zelfs als we daar een apart geslacht van maken, wat naar willekeur kan gebeuren, blijft het tot nieuwe vondsten gedaan zijn, de enige Afrikaanse vertegenwoordiger van Klade A.

het volgende kladogram toont een analyse uit 2026.

Habitat Inostrancevia heeft het tot nu toe grootste bekende bereik van alle gorgonopiërs. Het gebied van Rusland lag ook toen al duizenden kilometers van het zuiden van Pangea verwijderd, zij het onderling bereikbaar door het liggen op een enkel supercontinent. Daarbij moet wel bedacht worden dat de nauwe verwantschp tussen I. africana en de typesoort altijd door nieuw onderzoek weerlegd kan worden en dat er geen gangbare definitie bestaat van het begrip "geslacht".

Hoe dan ook zou Inostrancevia een apexpredator geweest zijn binnen zijn faunae. Het "Russische" gebied lag indertijd op 28–34° N en was een vrij koud landschap met een droog seizoen en doortokken van kleinere rivieren en ondiepe meren. De bossen bestonden uit Peltaspermaceae (zaadvarens) als Tatarina en verder ginkgofyten en coniferen. Varens en sphenophyten waren zeldzaam. Hygrofyten en halofyten leefden aan de kust. De Afrikaanse habitat bestond uit een goed afgewaterde overstromingsvlakte.

Naast Inostrancevia alexandri en I. latifrons maakte Pravoslavleria als derde gorgonopsiër onderdeel uit van de Vyatskian Assemblage. Deze soort was ongeveer 140 centimeter lang. Annatherapsidus en Chthonosaurus waren aquatische therocephaliërs die wat betreft levenswijze vermoedelijk min of meer overeenkwamen met otters. De omnivore Dvinia, Nanocynodon en Uralocynodon behoren tot de oudst bekende cynodonten en hadden het formaat van een hond. Dicynodon trautscholdi was een van de grotere dicynodonten uit het Perm. Ook Archosaurus, procolophonide reptielen (Suchonosaurus), pareiasauriërs (Pareiasaurus, Scutosaurus karpinskii), seymouriamorfen (Karpinskiosaurus), aquatische reptiliomorfen (Chroniosuchus, Jarilinus, Kotlassia, Raphaniscus) en temnospondyle "amfibieën" (Dvinosaurus) behoren tot de Vyatskian Assemblage. De Kotelnich Assemblage omvat als nauwste verwant van Inostrancevia uralensis de gorgonopsiër Viatkogorgon. Andere therapsiden uit de Kotelnich Assemblage zijn Kotelcephalon, Scalopodon, Scalopodontes en Viatkosuchus, allen therocephaliërs en Proburnetia uit de Biarmosuchia, een groep van basale carnivore vormen, de kleine dicynodont Tropidostoma, en Suminia uit de Venyukoiviidae, een groep van primitieve verwanten van de dicynodonten. Ook de pareiasauriërs Scutosaurus karpinskii en Deltavjata vjatkensis maken deel uit van de Kotelnich Assemblage, evenals de aquatische reptiliomorfen Chroniosuchus en Raphaniscus.

Categorie:Gorgonopsia Categorie:Perm