thumb|Toegang tot het fort thumb|Luchtfoto thumb|Getraliede gang

Breendonk is een Belgisch fort bij Willebroek, twintig kilometer ten zuiden van Antwerpen. Dit ingegraven bolwerk is in 1906-1913 gebouwd als onderdeel van de verdedigingsgordel rond Antwerpen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikten de nazi's het vanaf september 1940 als "opvangkamp" voor dissidenten, verzetslieden, gijzelaars en Joden. Dit SS-Auffanglager werd bestuurd door leden van de SIPO-SD, onder wie verschillende Vlamingen. Ze organiseerden een sinister bewind van deprivatie en folterpraktijken, waartegen de omstandigheden in het Fort van Hoei nog gunstig afstaken. De geïnterneerden werden afgebeuld, uitgehongerd en willekeurig geslagen. Van de 3.590 gevangenen wier passage in Breendonk gedocumenteerd is, stierven er 303 ter plekke (inclusief executies), werden er 54 elders terechtgesteld en lieten er 1.741 naderhand het leven in concentratiekampen.

Na de Bevrijding werd Breendonk tot juni 1947 gebruikt als gevangenis voor collaborateurs. De berechtiging van de "beulen van Breendonk" in Mechelen was een blikvanger in de repressie en leidde tot dertien executies.

Sinds 1947 is de site omgevormd tot het Nationaal Gedenkteken Fort van Breendonk. Het is een van de best bewaarde kampen in Europa.

Tot de Tweede Wereldoorlog De Antwerpse fortengordel De beslissing tot de bouw van het Fort Breendonk werd genomen door de regering-De Smet de Naeyer, die forten rond Antwerpen wenste, later de Stelling van Antwerpen genoemd. Het werd op technische wijze aangeduid als "een fort van tweede orde met samengevoegde caponnières". In 1909 begon de bouw. Het werd een betonnen vesting met in elk der vier hoeken een lange caponnière, omgeven door een brede gracht (zie luchtfoto). De opgegraven aarde uit de gracht werd gebruikt om het beton te camoufleren. De werken liepen tot in 1914.

1913-1942 Een eerste contingent soldaten werd ingekwartierd in 1913. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de fortengordel vanaf 28 september 1914 aangevallen door het Duitse leger onder leiding van generaal Hans Hartwig von Beseler. Koning Albert I verliet Antwerpen op 7 oktober, om zich met zijn leger terug te trekken achter de IJzer. Op 8 oktober gaf het fort zich over, nadat commandant Weyns na een Duits bombardement dodelijk gewond raakte. Tussen de wereldoorlogen werden er af en toe troepen ingekwartierd. Het fort werd een bezienswaardigheid voor de buurtbewoners. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog zag men in dat de oude fortengordel niet aan de moderne oorlogsvoering beantwoordde. Breendonk werd het hoofdkwartier van het Belgische leger en de plek waar de koning bij oorlogsdreiging zou verblijven. Toen op 10 mei 1940 het Duitse leger het neutrale België binnenviel, vertrok Koning Leopold III naar het fort met zijn militaire raadgever generaal Raoul Van Overstraeten. Vanuit Breendonk sprak hij de Belgische bevolking toe en ontving hij de Engelse en Franse bevelhebbers. Toen de trots van het leger, het Fort Eben-Emael, op de eerste oorlogsdag viel en de Duitsers op 16 mei een doorbraak forceerden op de Fransen bij Sedan, besefte de Koning dat een Belgische capitulatie zou volgen. Dit in tegenstelling tot zijn ministers. Die bleven hopen. Het fort werd ontruimd en de Koning en het opperbevel verplaatsten zich naar het kasteel van Wijnendale.

Het Auffanglager Breendonk thumb|Pas aangekomen gevangenen moeten stilstaan gedurende registratie en het uitdelen van de kampkledij; wie bewoog werd zwaar mishandeld (13 juni 1941) thumb|Joodse politieke gevangene(geel lint met rood vierkant)

Na de bezetting van België door nazi-Duitsland werd Breendonk een gevangenkamp en doorgangskamp. Gevangenen verbleven er in afwachting van transport naar concentratiekampen in Duitsland, Oostenrijk en Polen. Breendonk zelf was geen concentratiekamp, hoewel de levensomstandigheden er nauwelijks van verschilden. Het fort van Breendonk was in België de laatste halte voor het vertrek naar Auschwitz en andere kampen. Het eerste transport vond plaats op 22 september 1941 en ging naar Neuengamme bij Hamburg.

Volgens een verklaring na de oorlog van de eerste kampcommandant Schmitt werd het bevel tot oprichting van dit SS-kamp gegeven door Karl Haselbacher, de leider van de Sipo-SD in België (de Duitse politieke politie en onderdeel van de SS) en door Müller, de Oberfeldcommandant van Brussel.De betrokkenheid van Müller die tot de Wehrmacht behoorde, wordt in twijfel getrokken.

Het fort werd vanaf eind augustus 1940 als gevangenis ingericht. De bewaking bestond uit een klein aantal Wehrmacht-soldaten van een Landesschützenbataillon; oudere soldaten, ongeschikt voor het front. Zij werden ook ingezet op de werf en voor het uitvoeren van executies.Ook is een geval bekend waarbij een lading nieuwelingen onthaald werd door twee rijen Wehrmachtsoldaten en spitsroeden liepen onder de kolfslagen of de schoppen van de soldaten. Dit detachement werd teruggetrokken in 1944. Hoewel vele soldaten een kwalijke reputatie hadden werden ze na de oorlog met rust gelaten.

De Wehrmacht werd aangevuld met een klein Duits SS-garnizoen, vanaf september 1941 enkele Belgische SS-mannen en vanaf 1944 Roemeense en Hongaarse SS'ers.

Op 20 september 1940 kwamen de eerste gevangenen binnen, een Belg en drie Joden uit Centraal-Europa. In de eerste weken verbleven er maximum twintig gevangenen in het fort. Het aantal gevangenen varieerde gedurende het verder verloop van de oorlog tussen twintig en zeshonderd. Sommigen verbleven er slechts één dag, anderen doorleefden deze hel gedurende drie jaar. De gemiddelde tijd was ongeveer drie maanden. In totaal hebben er circa 3600 personen gevangengezeten, van wie 400 à 500 Joden.

Aanvankelijk werd Breendonk vooral gebruikt voor de opsluiting van overtreders van anti-Joodse wetten, smokkelaars, zwarthandelaars of al wie door de Duitsers werd beschouwd als asociaal. In juni 1941 leidde de anticommunistische Operatie Sonnenwende tot een gevoelige verhoging van het aantal geïnterneerden. Vanaf 1942, toen de Joodse gevangenen werden overgebracht naar de Dossinkazerne in Mechelen, werd het kamp vooral aangewend voor de opsluiting van verzetslieden, politieke gevangenen en gijzelaars.

In het kamp hebben in totaal zeker 3590 mensen gevangengezeten, hoewel nooit meer dan 660 tegelijk. Meer dan de helft van hen heeft de oorlog niet overleefd: 303 stierven ter plekke, ten gevolge van martelingen of door executie, 54 werden elders terechtgesteld en 1.741 overleden naderhand in concentratiekampen. Een bekende overlevende die jaren later (in 1966) zijn ervaringen als gemartelde gevangene in het fort beschreef, was Jean Améry.

Kampleiding In de eerste maanden waren er slechts vier SS'ers. De eerste kampcommandant was SS-Sturmbannführer Philipp Schmitt (september 1940 - november 1943). Hij zat vaak in zijn bureau maar was berucht om zijn hond Lump, afgericht om gevangenen te bijten. Na de oorlog werd Schmitt wegens oorlogsmisdaden ter dood veroordeeld. Zijn medewerker, de gewelddadige SS-Untersturmführer Arthur Prauss, zorgde voor de inrichting van het kamp en het dagelijks toezicht op de gevangenen. Schmitt werd opgevolgd door Karl Schönwetter (november 1943 - september 1944).

Beide kampcommandanten waren regelmatig afwezig: Schmitt had ook het bevel over het kamp in de Dossinkazerne in Mechelen en zijn opvolger Schönwetter was regelmatig ziek of verzuimde zijn taak. Gedurende die periodes werd het kamp bestuurd door hun plaatsvervangers. Deze plaatsvervangers waren SS-Hauptsturmführer Karl Lamotke (1895-1973), SS-Obersturmführer Johann Kantschuster (1897, vermist na 1945), SS-Hauptsturmführer Rudolf Steckman (1912, vermist na 1945 en officieel doodverklaard in 1956) en SS-Obersturmführer Gustav Kämper (1913 - ?).

Lamotke, Steckman en Kämper bleven nagenoeg onbekend bij de gevangenen en hielden zich gedeeltelijk op de achtergrond met kantoorwerk. De gewelddadige Kantschuster, die bijna steeds dronken was, werd na de oorlog beschuldigd van moorddadige activiteiten. Hij overtrof in wreedheid zelfs Arthur Prauss. Hij duwde onder andere een gevangene in een ketel kokend water. Hij schoot een Joodse gevangene dood omdat de gesel waarmee die afgeranseld werd bleef haperen toen de man zijn gezicht probeerde te beschermen tegen de zweepslagen.

Dagelijks leven thumb|Gevangenen opgesteld voor het appel (13 juni 1941) In het begin was het kampregime hard, maar toch nog enigszins te verduren. Het steeds hardere werktempo en de strengere discipline maken het gevangenschap potentieel dodelijk. Op 17 februari 1941 viel de eerste dode, Julius Nathan, een Joodse immigrant. De situatie verergerde nog na de inval van de Duitsers in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941. Een aantal Russen en communisten werd opgepakt en in Breendonk opgesloten, waardoor de kampbevolking verdubbelde. Vanaf dit moment vielen er maandelijks doden door dwangarbeid, ondervoeding en zware mishandelingen.

thumb|Kamer met twee rijen stapelbedden voor 48 personen De gevangenen werden ondergebracht in betonnen kazematten, achtenveertig personen per kamer, verdeeld over twee rijen bedden met telkens drie bedden boven elkaar gestapeld. Deze kamers waren kil tot ijzig koud. Hoewel er een potkachel stond, brandde die bijna nooit. De ramen mochten nooit open. De aanwezigheid van zoveel mensen in een kleine ruimte zonder enige luchtverversing maakte de lucht zo vochtig dat er schimmel op de muren verscheen. Per kamer van 48 personen waren er twee emmers voor het toilet. Deze liepen elke nacht over. Deze emmers moesten bovendien dienen om de vloer schoon te maken. De stank was vreselijk.

De gevangenen sliepen per twee op een stromatras vol ongedierte. Elke morgen om halfzes (in sommige periodes om vier uur) was het appel aan bed. Dan kreeg men twee minuten om het bed op te maken. Indien de bewaker ook maar één oneffenheid kon ontdekken bij de "Bettenbau" kreeg de gevangene die dag geen eten. Vervolgens kregen de gevangenen twee minuten om zich te wassen (zonder zeep en zonder handdoek). Gedurende een inspectie of appel kon men steeds slagen verwachten.

De gevangenen werden op een hongerrantsoen geplaatst en kregen per dag 250 gram brood, vier koppen ersatz-koffie en een liter watersoep, gemaakt met rapen en bieten. Een dergelijk regime veroorzaakte diarree, die vaak dodelijk was voor deze verzwakte gevangenen. Een gevangene die zijn behoefte moest doen moest toestemming vragen aan de bewaker. Er kon toestemming verleend worden, maar evengoed kon dit geweigerd worden, gevolgd door een slag met de knuppel of de zweep.

Sommige gevangenen probeerden gras te eten toen de honger te sterk werd, maar werden hiervoor zwaar gestraft. De voedselpakketten die door het Rode Kruis werden opgezonden werden door de SS'ers voor de varkens geworpen, terwijl de gevangenen toekeken.

Daarbij moesten de gevangenen dwangarbeid verrichten. Om halfacht moesten de gevangenen in rijen van drie naar de arbeidsplaats marcheren, begeleid door SS'ers met de zweep in de hand. Dit waren leren zwepen, versterkt met staaldraad. De SS'ers vermaakten zich door een slachtoffer uit te kiezen en deze met de zweep af te ranselen, bij voorkeur op zweren (iedereen had zweren) of op de oren.