De Soevereine Militaire Hospitaalorde van Sint-Jan van Jeruzalem, van Rhodos en van Malta (Italiaans: Sovrano Militare Ordine Ospedaliero di San Giovanni di Gerusalemme di Rodi e di Malta; Latijn: Supremus Militaris Ordo Hospitalarius Sancti Ioannis Hierosolymitani Rhodiensis et Melitensis; ook wel Maltezer Orde of Orde van Malta) is een door de koning van Jeruzalem gestichte ridderorde met een soevereine status. De orde werd tevens door de Rooms-Katholieke Kerk erkend als kloosterorde. Na de opheffing van de onafhankelijke Orde der Tempeliers in 1312 werd de Johannieter-orde een internationale ridderorde ondergeschikt aan de Rooms-Katholieke Kerk. De hospitaalridders vormen een katholieke voortzetting van de oude ridderlijke orde die naast de Tempeliers sinds de kruistochten een bijzondere plaats hebben in de Europese geschiedenis. De Orde van Malta heette aanvankelijk de Orde van Sint-Jan of Johannieterorde, een naam die nog wordt gevoerd door de protestants geworden afdeling.
De Maltezer Orde kent wereldwijd ruim 13.500 katholieke leden, zowel geestelijken als leken, edellieden en niet-adellijken. De activiteiten berusten op de medewerking van 80.000 vrijwilligers uit 120 landen, waaronder 42.000 met een medische scholing. Zij organiseren liefdadigheidswerk in eigen land en noodhulpverlening over de hele wereld. Daarnaast worden met plechtige ceremonies de oude tradities van de orde levend gehouden.
Geschiedenis Stichting en organisatie De orde vond zijn oorsprong in een hospitaal in de wijk Muristan in Jeruzalem dat gewijd was aan Johannes de Doper. Sindsdien is Johannes de Doper de schutspatroon van de orde en is zijn kerkelijke feestdag, 24 juni, de "nationale" feestdag. Het hospitaal was gebouwd in 1023 voor de vele pelgrims die naar Jeruzalem trokken. Het was door kooplui uit Amalfi financieel mogelijk gemaakt en werd in eerste instantie geleid door benedictijnen. Het hospitaal diende ter verzorging van noodlijdende pelgrims. In 1113 veranderde de koning van Jeruzalem de status van de hospitaalbroeders in een militaire orde. Zij legden wel de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid af en paus Paschalis II bevestigde hen in hun orde en bezit. Zo ontstond de orde van Sint Jan van Jeruzalem.
De doelstellingen van de nieuwe orde waren het beschermen en verplegen van pelgrims. Die bescherming bleek een militaire zaak en Raymond du Puy de Provence, de tweede grootmeester van de orde, nam de reorganisatie daartoe ter hand. Ridders vervulden voortaan die beschermende, militaire taak, kapelaans de zuiver geestelijke en priesterlijke taken en de dienende broeders de verzorgende en huishoudelijke taken. De Orde van Sint Jan werd zo een ridderorde (Ordo militaris Sancti Johannis Baptistae Hospitalis Hierosolymitani) en de ordeleden werden johannieters genoemd. links|thumb|Commanderijen van de Johannieterorde, rond 1300
Goederenbezit De kruisvaarders die rond 1100 met Godfried van Bouillon meekwamen, schonken het hospitaal vele goederen als dank voor de opvang van hun zieken en gewonden. Zo beschikte het hospitaal al gauw over goederen in het Heilige Land, Klein-Azië en Europa. Dat goederenbezit werd allengs groter, niet alleen door schenkingen, maar ook doordat de goederen van de Orde der Tempeliers in 1312 deels in het bezit van de Johannieters kwamen.
Al die goederen dienden uiteraard beheerd en uitgebaat te worden. Daartoe was Europa verdeeld in acht delen, 'tongen' of 'langues' genoemd (Latijn: "linguae"). Deze tongen bestonden uit een of meer groot-prioraten, die op hun beurt weer in commanderijen waren verdeeld. Die commanderijen beheerden de goederen van de orde en leverden afdrachten om de grootmeester te Rhodos en de grootpriors te onderhouden. Via deze organisatievorm werden ook gelden opgebracht voor de activiteiten in het Heilig Land.
De ridders waren vooral actief in het graafschap Tripoli. Ze hadden ook een machtig bolwerk, de krak der ridders (Krak des Chevaliers), dat nu nog intact is. In 1271 werd het fort door Sid Yoessef, die de orde had verraden, na een korte maar hevige strijd ingenomen.
Zetel op Malta Door de oprukkende Ottomanen en de val van de door de Kruisvaarders gestichte landen zag de orde zich enkele keren genoodzaakt te verhuizen, achtereenvolgens naar Akko in 1191, naar Cyprus in 1291 en naar Rhodos in 1309. In 1522 werden ze na een beleg van 6 maanden door Süleyman I van Rhodos verdreven en zwierven de ridders zeven jaar door Zuid-Italië. In 1530 kende keizer Karel V het eiland Malta aan de Orde toe. Hiervan stamt ook de naam Maltezer Ridders.
De Reformatie zorgde voor grote veranderingen binnen de Orde. In enige landen werden afgescheiden of later opgerichte protestantse afdelingen van de Orde actief. Dit zijn de johannieterorden: Johanniterorden i Sverige in Zweden Balley Brandenburg des Ritterlichen Ordens St. Johannis vom Spital zu Jerusalem in Pruisen Orde van Sint-Jan in Groot-Brittannië en Johanniter Orde in Nederland.
De Orde verdedigde Malta tegen verschillende Ottomaanse invasies, waarvan het doorstane Beleg van Malta het belangrijkste wapenfeit was. Malta leverde honderden galeien die bijdroegen tot het afslaan van de Ottomaanse poging om de Middellandse Zee, en daarmee Europa, te veroveren.
Ten tijde van de napoleontische oorlogen gingen de bezittingen van de Orde verloren, mede omdat Napoleon een afkeer van geestelijke ridderorden had. Engeland veroverde Malta in 1800, en sindsdien was de orde enkel formeel, of zoals het heet functioneel nog soeverein.
De groot-prior van de Maltezer Orde in Duitsland bezat een eigen vorstendom, Heitersheim. Artikel 19 van de Rijnbondakte van 12 juli 1806 voegde het vorstendom bij het groothertogdom Baden. Op 27 januari 1806 had Baden het vorstendom al bezet.
Zetel in Rome Na het verlies van Malta werd de zetel van de orde in 1799 verplaatst naar Sint-Petersburg, waar tsaar Paul I van Rusland bereid was om als beschermer en grootmeester van de orde op te treden, ondanks protest vanwege de Heilige Stoel. Zie voor de geschiedenis van zijn grootmeesterschap en de nasleep daarvan het artikel Soevereine Militaire Hospitaalorde van Sint-Jan van Jeruzalem en Malta in Rusland. Uit dankbaarheid voor zijn bescherming heeft de Orde vastgelegd dat zijn nakomelingen, ook als zij geen katholieken zijn, in de orde kunnen worden opgenomen.
Na de dood van tsaar Paul I in 1801 vestigde de Maltezer Orde zich in Catania, vervolgens in 1821 in Ferrara en uiteindelijk in 1834 in Rome, onder de bescherming van de Heilige Stoel. Sindsdien kon de orde zijn positie weer versterken en kreeg geleidelijk ook zijn bezittingen in Italië terug. Vanaf 1805 werd geen grootmeester meer verkozen en werd de orde door luitenant-grootmeesters geleid.
Pas in 1872 werd de orde, na reorganisatie, volledig hersteld in een aantal van zijn vroegere rechten. In 1879 werd Giovanni Battista Ceschi a Santa Croce, die sinds 1872 luitenant was, tot grootmeester verkozen.
In 1911 veroverde Italië het Osmaanse territorium in Libië. De Orde van Malta zette een lazaretschip, de Regina Margherita in om gewonden te verzorgen.
De Eerste Wereldoorlog bracht voor de neutraal gebleven orde grote problemen met zich mee. Hij moest, getrouw aan zijn opdracht, voor de oorlogsslachtoffers zorgen, die zich, net als de leden van de Orde, aan beide zijden van het front bevonden. De orde rustte vier lazarettreinen, een lazaret en zes hulpposten in.
In Nederland regelde een Koninklijk Besluit van 13 maart 1913 dat de Maltezer- en Johanniterorde beiden werden toegelaten bij de vrijwillige hulpverlening van het Rode Kruis. Beide organisaties werden ingebed in de krijgsmacht en ridders van Malta werden met de rang van majoor in de krijgsmacht opgenomen. Op voorhand beloofde de orde 70 zusters voor een ambulance of een veldhospitaal. In september 1918 zorgde de Associatie van Nederlandse Maltezers voor 270 gebouwen met plaats voor 25.987 patiënten, 2916 ziekenbedden, 6000 verpleegsters en hulpverpleegsters en 3000 lekenzusters, dat waren helpsters in opleiding. In de praktijk kon deze op papier indrukwekkende organisatie veel minder realiseren dan op grond van deze cijfers verwacht mocht worden. Bij het bestrijden van de Spaanse griep faalde de orde. De samenwerking met het Nederlandse Rode Kruis verliep zeer stroef.Cas de Quay (2011): In het licht van onze opdracht, blz. 35-43.
De financiering van de orde werd een probleem. De Oostenrijkse grootmeester Fra Galeazzo von Thun und Hohenstein was op de hand van de centrale mogendheden. Hij verkocht de eigendommen van de orde die zich in het Oostenrijkse keizerrijk bevonden en investeerde de opbrengst in oorlogsobligaties ten laste van Oostenrijk-Hongarije. Deze waardepapieren bleken na de val van de Oostenrijkse Habsburgers en de ontmanteling van de dubbelmonarchie en het keizerrijk, waardeloos te zijn geworden. De orde bevond zich in financiële moeilijkheden. Aan grootmeester Thun werd beleefd maar met aandrang verzocht zich terug te trekken. Tijdens de laatste twee jaar van zijn leven (1930-1931) werd de orde door een luitenant-grootmeester geleid.
In de Tweede Wereldoorlog organiseerde de orde vier lazarettreinen, 19 veldlazeretten en tal van hulpposten. De nadruk lag op het Duits-Russische front waar 24000 gewonden werden verzorgd en gerepatrieerd.
Na de Tweede Wereldoorlog De crisis van de jaren 1950 In de loop van 1949 begon kardinaal Nicola Canali (1874-1961) aan een actie die tot doel had de soevereine orde van Malta helemaal ondergeschikt te maken aan de Heilige Stoel, naar het voorbeeld van de Orde van het Heilig Graf. Hij ambieerde zelf grootmeester van de orde te worden, zoals hij het al was van de orde van het Heilig Graf. Twee jaar later overleed grootmeester Ludovico Chigi Albani della Rovere, geveld door een hartaanval, nadat, zoals men vermoedde, hij met excommunicatie was bedreigd. Graaf Antonio Hercolani (1883-1962) volgde hem op als luitenant-grootmeester ad interim.
Op 24 april 1955, als voorlopig eindpunt van de gevoerde strijd, verkozen de leden van de soevereine raad, nog niet een grootmeester, maar een luitenant-grootmeester, in afwachting dat een volwaardige grootmeester zou worden gekozen. De keuze viel op Ernesto Paterno (1882-1971). Op 21 november 1956 keurde paus Pius XII de nieuwe constituties van de orde goed. Hierin werd onder meer de soevereiniteit van de Orde erkend. Nochtans werd geen akkoord gegeven vanuit het Vaticaan om een grootmeester te verkiezen. Eerst moesten de vernieuwde constituties en de werkingscode verder worden uitgewerkt en worden goedgekeurd door het algemeen kapittel van de orde. Dit gebeurde op 28-30 april 1961. Het jaar daarop volgde de verkiezing van grootmeester Angelo de Mojana (1905-1988).
Rol in Kazachgate of Trio-affaire Uit Frans gerechtelijk onderzoek eind november 2016 bleek dat Jean-Pierre Mazery, grootkanselier van de Orde van Malta van 2005 tot 2014, het eerste contact had gelegd tussen de Belgische senator Armand De Decker en een medewerker van president Nicolas Sarkozy. Dit contact werd gelegd in het kader van een Franse poging om de Belgische financiële "afkoopwet", de verruimde minnelijke schikking, sneller door het parlement te doen goedkeuren.
Constitutionele hervorming