De Grote Proletarische Culturele Revolutie (Mandarijn: 无产阶级文化大革命, wuchanjieji wenhuadageming) – vaak afgekort tot Culturele Revolutie (Mandarijn: 文化大革命, wenhuadageming, "Grote Culturele Revolutie") – was een revolutionaire campagne die plaatsvond in de Volksrepubliek China van 1966 tot 1976. De revolutie werd in gang gezet door Mao Zedong – de toenmalige voorzitter van de Communistische Partij van China – om zijn tegenstanders hardhandig uit te schakelen. Hiermee verkreeg Mao Zedong zijn positie van absolute macht terug. Mao had deze positie verloren ten gevolge van de mislukking van de Grote Sprong Voorwaarts. Bij de Grote Sprong Voorwaarts stierven volgens verschillende schattingen 18Cormac Ó Gráda: Great Leap into Famine; 2011; blz. 9. tot 45 miljoenFrank Dikötter: Mao's Great Famine: The History of China's Most Devastating Catastrophe, 1958-62; 2010; . mensen. Schattingen van het aantal doden ten gevolge van de gewelddadigheden tijdens de Culturele Revolutie variëren tussen de 1,7 miljoen en 8 miljoen mensen.
De Culturele Revolutie begon in mei 1966, nadat Mao de beschuldiging had geuit dat de overheid geïnfiltreerd was door mensen die het kapitalisme wilden herstellen in China. Mao beweerde dat zij vermomd waren als revisionistische marxisten, die uitgeschakeld moesten worden. Mao steunde de oprichting van Rode Gardes door Chinese jongeren. Via de Rode Gardes werden gematigde leiders buiten spel gezet, zoals Liu Shaoqi en Deng Xiaoping. In dezelfde tijd groeide de persoonsverheerlijking van Mao. Miljoenen mensen werden vervolgd tijdens de Culturele Revolutie door de overheid en tribunalen en mishandelingen door de lokale Rode Gardes. Martelingen, strijdbijeenkomsten, gevangenschap, onteigeningen, straatmoorden en executies vonden plaats. Historisch erfgoed werd vernietigd door de Rode Gardes. De stedelijke intellectuelen werden vanaf 1968 grotendeels gedeporteerd naar het platteland. Mao verklaarde in 1969 het officiële einde van de Culturele Revolutie, maar pas na de dood van Mao en de arrestatie van de Bende van Vier in 1976 werd het beleid van de Culturele Revolutie daadwerkelijk geëindigd. In 1981 verklaarde de Communistische Partij van China dat de Culturele Revolutie negatieve gevolgen had voor de partij, het land en de bevolking.Resolution on Certain Questions in the History of Our Party Since the Founding of the People's Republic of China, adopted by the Sixth Plenary Session of the Eleventh Central Committee of the Communist Party of China on June 27, 1981 Resolution on CPC History (1949–81). (Beijing: Foreign Languages Press, 1981). blz. 32.
Achtergrond Mao Zedong was de leider van de Communistische Partij China gedurende de Chinese Burgeroorlog en was het staatshoofd van de Volksrepubliek China na de communistische overwinning op de nationalistische Kwomintang. Mao verloor gedeeltelijk zijn macht door de mislukking van de Grote Sprong Voorwaarts, waarbij miljoenen mensen stierven door hongersnood en geweld. Daarnaast bestond na de dood van Jozef Stalin een conflict binnen de internationale communistische beweging tussen de Sovjet-Unie en de Volksrepubliek China. In de Sovjet-Unie bekritiseerde Nikita Chroesjtsjov de denkbeelden van Stalin, bijvoorbeeld in zijn toespraak Over persoonsverheerlijking en de gevolgen ervan. Volgens Mao was Chroesjtsjov hierom een revisionist en een verrader van het communisme en dat was een oorzaak voor het Rode schisma.
Eind 1961 publiceerde de historicus Wu Han het historisch drama getiteld Hai Rui ontslagen uit dienst. In het toneelstuk werd de eerlijke ambtenaar Hai Rui ontslagen door een corrupte keizer. Mao uitte eerst lof over het toneelstuk, maar in februari 1965 gaf hij in het geheim opdracht aan zijn vrouw Jiang Qing en propagandist Yao Wenyuan om het toneelstuk te bekritiseren in een artikel. In dit artikel werd Wu Han beschuldigd dat hij een allegorie had geschreven waarbij de corrupte en hebzuchtige keizer symbool stond voor Mao en dat de ambtenaar symbool stond voor Peng Dehuai die ontslagen was als leider van het leger wegens zijn kritiek op de Grote Sprong Voorwaarts. Wu Han was de locoburgemeester van Beijing, waardoor de beschuldigingen over het toneelstuk problemen opleverden voor burgemeester Peng Zhen. Peng Zhen was het hoofd van de Vijfmannengroep; dat opgericht was door Mao om de potentie voor culturele hervorming te onderzoeken. Het artikel van Yao Wenyuan was al gepubliceerd in een aantal kleine kranten en Peng Zhen zorgde ervoor dat het verboden werd om dit artikel in de Volksdagblad en andere grote kranten te publiceren.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 14–19.
In december werd stafchef en generaal Luo Ruiqing beschuldigd van tegenwerking van Mao wegens diens nadruk op militaire training in plaats van maoïstische politieke bijeenkomsten. Luo werd ontslagen en ondernam hierom een zelfmoordpoging.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 20–27. Na de uitschakeling van Luo werden Peng Zhen en diens sympathisanten aangepakt. Op 12 februari 1966 publiceerde de Vijfmannengroep een rapport waarin de discussie over het toneelstuk werd gereduceerd tot een academische discussie in plaats van een politiek onderwerp.MacFarquhar en Schoenhals, hoofdstuk 1. Mao en zijn aanhangers in het Politbureau noemden dit rapport een vorm van revisionisme. Luo Ruiqing, Wu Han, Peng Zhen en hun sympathisanten werden beschuldigd van het vormen van een Anti-Partij-Kliek. De Vijfmannengroep werd vervangen door de maoïstische Culturele Revolutie Groep.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 27–35.
Culturele Revolutie In mei 1966 kwam het Politburo bijeen in Beijing en bij deze bijeenkomst probeerden Mao en zijn aanhangers een meerderheid te krijgen voor zijn politieke agenda. Er werden beschuldigingen geuit tegen Peng Zhen en Luo Ruiqing. In een document gepubliceerd op 16 mei, dat was geschreven onder supervisie van Mao, werd beweerd dat leden van de kapitalistische klasse geïnfiltreerd waren in de partij, overheid en het leger in de vorm van “contrarevolutionaire revisionisten”. Deze tekst is Mao’s ideologische rechtvaardiging voor de Culturele Revolutie. Het Politburo steunde Mao.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 39–46.
Op 25 mei hing de filosofieleraar Nie Yuanzi een dazibao (groot-lettertekenposter) op bij haar universiteit. In deze poster werd de partijadministratie van de universiteit aangevallen. Het bestuur werd beschuldigd van het inperken van de revolutionaire “hartstocht” in een poging om de partij te schaden en het revisionisme te verspreiden.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 56–58. Mao steunde Nie. Hierdoor werden leerlingen en studenten aangezet om zich te verzetten tegen de leraren en schoolbesturen. Lessen werden geboycot en uiteindelijk gestaakt in Beijing. Op 13 juni werd de lesschorsing uitgebreid door de regering naar het gehele land. In juni was een grote massabijeenkomst in Beijing waar duizenden studenten met grote posters van Mao door de straten liepen, op trommels sloegen en leuzen schreeuwden tegen de vijanden van Mao.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 59–61. Op aanraden van Mao besloten Liu Shaoqi en Deng Xiaoping om werkteams te sturen naar de studenten om ideologische steun te bieden om zo de macht van de partij in het land weer te herstellen.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 62–64.
Interne machtsstrijd Op 16 juli zwom de 72-jarige Mao de rivier Yangtze in Wuhan over in de aanwezigheid van de pers om zijn kracht te laten zien. Mao keerde terug naar Beijing om de partijtop te bekritiseren voor het inzetten van werkteams. Mao beschuldigde de werkteams van het ondermijnen van de studentenbeweging en eiste op 24 juli de terugtrekking van deze teams. Dagen later gaf Mao de steun aan de studentenbeweging tegen de leraren.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 84. Door de oproep van Mao werden veel jongeren lid van de Rode Gardes. Om lid te worden van een Rode Garde moest men "rood geboren" zijn, dat wil zeggen: de ouders moesten voor de stichting van de Volksrepubliek China een arbeider, soldaat, boer of partijlid geweest zijn. De leden van de Rode Gardes deden mee aan mishandelingen en het vermoorden van mensen. Daarnaast werden de communistische ideeën van Karl Marx, Vladimir Lenin en vooral Mao Zedong opnieuw bestudeerd.
De terugtrekking van de werkteams was een grote nederlaag voor president Liu Shaoqi. Op de partijbijeenkomst van 1 augustus merkte Mao dat hij weinig steun kreeg van de conferentieleden. Mao was van mening dat de partijelite niet aan zijn kant stond.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 94. Op 28 juli hadden Rode Gardes een oproep gestuurd naar Mao pleitend voor een opstand om de “revolutie” te beschermen. Mao schreef na de bijeenkomst van 1 augustus een groot-lettertekenposter met de titel “Bombardeer het hoofdkwartier” waarin hij opriep om een aanval te verrichten op de hoofdkwartieren van de contrarevolutie. Mao schreef dat ondanks de communistische revolutie in China er nog een bourgeois elite bestond binnen de Chinese overheid en de Communistische Partij van China. Er werden echter geen namen genoemd van die “contrarevolutionairen”.Tang Tsou: The Cultural Revolution and Post-Mao Reforms: A Historical Perspective; 1986; . Liu Shaoqi en Deng Xiaoping behielden hun officiële posities, maar werden buiten de dagelijkse zaken van de partij gelaten. Maarschalk Lin Biao werd aangesteld als de tweede persoon binnen de partij en de Groep voor de Culturele Revolutie kreeg meer macht. Verschillende topposities op het Propagandadepartement van de Communistische Partij China werden aan de Groep voor de Culturele Revolutie gegeven.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 96.
Rode Gardes en de vernietiging van de Vier Ouden thumb|Het Rode Boekje van Mao Op 8 augustus 1966 publiceerde het centrale comité een "Beslissing over de Grote Proletarische Culturele Revolutie".Decision Concerning the Great Proletarian Cultural Revolution, adopted on August 8, 1966, by the CC of the CCP (official English version) In dit document stond dat de kapitalistische klasse wel verslagen was, maar dat ze nog steeds bestond en de macht terug wilde krijgen door het gebruik van oude ideeën, oude cultuur, oude gebruiken en oude gewoontes. Het doel was om te strijden tegen de mensen in autoriteit die de kapitalistische weg zouden nemen en om de “bourgeoisie” academische autoriteiten aan te pakken. Hiervoor moesten onderwijs, literatuur en kunst wijken die niet overeenstemden met het maoïstische marxisme.
Op 18 augustus 1966 waren er meer dan een miljoen leden van de Rode Gardes uit het gehele land aanwezig in en bij het Tiananmenplein in Beijing voor een toespraak van Mao.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 106–107. Lin Biao hield toespraken tijdens deze bijeenkomst met aanvallen op diegenen die volgens hem de voortgang van de revolutie vertraagden. Tijdens deze massabijeenkomst sprak Mao zijn steun uit voor de Rode Gardes. Van augustus tot november 1966 werden acht massabijeenkomsten van de Rode Gardes gehouden met bij elkaar opgeteld meer dan 12 miljoen deelnemers. De regering betaalde de reiskosten van de Rode Gardes om naar Beijing te komen.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 106-110. Bij deze massabijeenkomsten riep Lin Biao op tot de vernietiging van de 'Vier Ouden', namelijk oude cultuur, oude gebruiken, oude gewoontes en oude gedachten.
Historische gebouwen en monumenten in het gehele land werden beschadigd en vernietigd door Rode Gardes. Alleen al in Beijing werden duizenden plekken van historisch belang vernietigd. De Rode Gardes vielen ook de Tempel van Confucius in Qufu aan.MacFarquhar en Schoenhals, blz. 119. Gedurende deze maanden van beeldenstorm beschadigden de Rode Gardes van een universiteit in Beijing de Begraafplaats van Confucius en verschillende andere historische tombes en voorwerpen. Bibliotheken met historische en buitenlandse boeken werden vernietigd. Tempels, kerken, moskeeën, kloosters en begraafplaatsen werden gesloten en vernield.