Het arrest Berlips/Blaauboer (HR 3 maart 1905, ECLI:NL:HR:1905:1, W. 8191) is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad dat betrekking heeft op het derdenbeding van artikel 1354 BW (oud).
Essentie: De uitdrukking "bedongen hebben" in artikel 1354 BW (tegenwoordig art. 6:251 BW) omvat niet het zich verbonden hebben.
Casus Blaauboer, makelaar in Amsterdam en Kloots, aannemer, hebben in 1881 op een openbare veiling elk een bouwkavel gekocht van de gebroeders Berlips. Tussen deze twee percelen kwam een weg op een strook grond die eigendom bleef van de gebroeders Berlips. In de veilingvoorwaarden was bepaald dat de verkoper (gebroeders Berlips) deze weg zou verhogen en bestraten. Met de veilingakte waren ook de veilingvoorwaarden ingeschreven bij het Kadaster. De betreffende weg is in 1887 verkocht aan weduwe Maks. Volgens Berlips rust de verplichting om de weg te bestraten op de nieuwe eigenaar. Blaauboer en de rechtsopvolger van Kloots eisen schadevergoeding van Berlips, omdat er anno 1902 nog steeds geen straat is aangelegd. Berlips zegt dat de eisers niet bij hem maar bij weduwe Maks moeten zijn.
Rechtsvraag De Hoge Raad overwoog:
Procesgang Blaauboer is eiser. Berlips is verweerder, en algemeen erfgenaam van zijn overleden broer. Van Aalst, weduwe en rechtsopvolger van Kloots, is medeverweerder. De vordering is door de rechtbank afgewezen. De eisers zijn niet-ontvankelijk verklaard. Dit vonnis is in hoger beroep door het hof bekrachtigd. Het arrest van het hof is in cassatie vernietigd, terwijl de zaak is terugverwezen naar het hof.
Rechtbank en hof Berlips is door de rechtbank en het hof in het gelijk gesteld. De rechtbank nam aan dat de verbintenis om de weg te bestraten was overgegaan op de nieuwe eigenaar van de weg. Zo'n kwalitatieve verplichting was tot 1905 gevestigde rechtspraak.Civiele klassiekers revisited, hoofdstuk 1, Blaauboer/Berlips. De rechtbank overwoog:
Hoge Raad Op voorspraak van de procureur-generaal gaat de Hoge Raad "om". De verbintenis om de weg te bestraten is een persoonlijke verbintenis waar Berlips nog steeds aan gebonden is. Artikel 1354 BW slaat niet op deze verplichting, "bedingen" betekent niet zich verbinden. De Hoge Raad overwoog:
Conclusie Dit arrest is een standaardarrest wat betreft een derdenbeding, dat is een beding dat rechten toekent aan een persoon die geen partij is bij een overeenkomst. Je kunt in een overeenkomst iets bedingen ten gunste van een derde, maar niet een derde binden zonder diens toestemming.
De contractuele verplichting om de weg te bestraten blijft rusten bij de oude eigenaar van het stuk grond. Zodoende maakt de Hoge Raad een duidelijke scheiding tussen absolute en relatieve rechten, oftewel zakelijke en persoonlijke rechten. De koper van het stuk grond waar de weg op zou moeten komen heeft niets te maken met de verplichtingen die zijn voorganger op zich genomen heeft.
Vervolg Het kettingbeding bood een nieuwe oplossing voor een in de rechtspraktijk gevoelde behoefte aan een kwalitatieve verplichting die een onroerende zaak volgt.
Externe link
Online publicatie arrest
Blaauboer/Berlips