Het arrest ABP/Stuyvenberg (HR 04 november 1988, NJ 1989/751) is een arrest van de Hoge Raad der Nederlanden dat betrekking heeft op verkeersaansprakelijkheid, letselschade uit onrechtmatige daad en causaliteit (redelijke toerekening).
Samenvatting Een kop-staart-botsing in 1969 veroorzaakt nekletsel bij Baaren, wat jarenlang klachten oplevert waarna hij in 1978 arbeidsongeschikt raakt, in 1980 wordt afgekeurd en een invaliditeitspensioen krijgt toegekend. ABP wil de schade verhalen op Stuyvenberg die schuld heeft aan de aanrijding. Feitelijk wordt vastgesteld dat het uitblijven van herstel en de arbeidsongeschiktheid vanaf 1978 vooral het gevolg zijn van een persoonlijke predispositie van het slachtoffer in verband met zijn persoonlijkheidsstructuur. Het hof beperkt de schadevergoeding tot een kwart van de schade. De Hoge Raad oordeelt dat het uitblijven van herstel niettemin als gevolg van de daad aan de dader moet worden toegerekend.
Casus Betrokkenen: mevr. Van Stuyvenberg dhr. Baaren, werkzaam als amanuensis bij een school ABP.
Op 10 oktober 1969 is Van Stuyvenberg met haar auto achter op de auto van Baaren gebotst, die op dat moment stilstond voor een voetgangersoversteekplaats. Beide auto's zijn slechts licht beschadigd. De aanrijding was te wijten aan Van Stuyvenberg. Baaren was ten tijde van het ongeval werkzaam als amanuensis en hij was ambtenaar in de zin van de VOA en de Algemene burgerlijke pensioenwet. In april 1970 is bij Baaren een oude compressiefractuur aan de halswervels vastgesteld, die is veroorzaakt door de aanrijding van 1969 en die heeft geleid tot het optreden van lichamelijke klachten. Ondanks medische behandeling nemen de klachten toe. Op 9 september 1970 wordt hij bewusteloos aangetroffen onder aan een trap op de school waar hij werkt. In de periode van 9 september 1970 tot maart 1975 is hij veelvuldig kortere of langere tijd geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Van 14 maart 1975 tot 10 november 1978 heeft Baaren weer volledig gewerkt ondanks het voortduren van pijnklachten. Nadien heeft hij zijn werkzaamheden gestaakt. Eind 1978 rijdt Baaren in een soort absence met zijn auto in het water, maar hij weet zichzelf te bevrijden en er zijn geen restverschijnselen. Uiteindelijk wordt Baaren in 1980 afgekeurd en krijgt hij een invaliditeitsuitkering. Het ABP wil de schade verhalen op Stuyvenberg. Het ABP stelt daartoe, dat de afkeuring van Baaren een rechtstreeks gevolg is geweest van het ongeval op 10 oktober 1969.
Andere problemen bij Baaren spelen ook een belangrijke rol: conflicten met de rector op zijn school in 1970; huwelijksproblemen eind 1970, een tijd waarin hij veel alcoholhoudende drank gebruikt; psychische problemen die samenhangen met zijn persoonlijkheidsstructuur.
Procesgang De rechtbank heeft de vordering van ABP afgewezen. Dit vonnis is in hoger beroep door het hof vernietigd. Het hof heeft de vordering van ABP alsnog gedeeltelijk toegewezen tot een kwart van de vordering. Dit arrest is in cassatie vernietigd en het geding is doorverwezen naar een ander hof voor verdere behandeling. In de achtereenvolgende uitspraken wordt verschillend omgegaan met de feitelijke conclusie dat het uitblijven van herstel, de arbeidsongeschiktheid in 1978 en het ontslag in 1980 goeddeels het gevolg zijn van een persoonlijke predispositie van Baaren in verband met zijn persoonlijkheidsstructuur. De Hoge Raad oordeelt dat het uitblijven van herstel niettemin als gevolg van de daad aan de dader moet worden toegerekend.
Hof Het hof overwoog:
Hoge Raad De Hoge Raad overwoog:
Tot besluit De arbeidsongeschiktheid in 1978 en het ontslag in 1980 worden toegerekend aan het ongeval in 1969 ondanks de feitelijke vaststelling dat het uitblijven van herstel goeddeels is veroorzaakt door de persoonlijkheidsstructuur van het slachtoffer en als gevolg van moeilijkheden in diens privéleven. Dus causaliteit op basis van redelijke toerekening.
Zie ook (1978) Letale longembolie (redelijke toerekening in het strafrecht) (1985) Henderson/Gibbs (renteneurose)
ABP/Stuyvenberg