Het hertogdom Saksen (Duits: Herzogtum Sachsen) was een middelgroot land in het Heilige Roomse Rijk. Het werd geregeerd door de jongere Albertijnse linie van het huis Wettin.

Het land bestond uit twee delen, die van elkaar gescheiden werden door het keurvorstendom Saksen, dat geregeerd werd door de oudere Ernestijnse linie van het huis Wettin. Het noordwestelijke deel lag in het noorden van Thüringen en het gebied rond de handelsstad Leipzig. Het zuidoostelijke deel lag aan de bovenloop van de Elbe en op de noordelijke hellingen van het Ertsgebergte. De belangrijkste steden in dit deel van het land waren Meißen, St. Annaberg en de hoofdstad Dresden. Het hertogdom werd in 1500 ingedeeld bij de Oppersaksische Kreits.

Het hertogdom Saksen ontstond in 1485 toen het keurvorstendom Saksen in tweeën werd gedeeld. Hierdoor ontstonden twee landen die Saksen genoemd werden: het Ernestijnse keurvorstendom en het Albertijnse hertogdom. Tijdens de Schmalkaldische Oorlog van 1546-1547 koos hertog Maurits de zijde van de keizer Karel V tegen de keurvorst van Saksen, Johan Frederik I van Saksen, lid van de Schmalkaldische Bond, een alliantie van protestantse vorsten en steden. Na de overwinning van de keizer werd Maurits hiervoor beloond met het grootste deel van de Ernestijnse gebieden en de keurvorstelijke rechten. Het hertogdom ging op in het nieuwe Albertijnse keurvorstendom, terwijl de overgebleven Ernestijnse gebieden in Thüringen gedegradeerd werden tot hertogdom Saksen.Bij het schrijven van dit artikel is gebruikgemaakt van de volgende bronnen: (2001): Geschichte Sachsens, Edition Leipzig, Leipzig, blz. 31-56.

Geschiedenis thumb|left|Kaart van Saksen na de Deling van Leipzig in 1485. Het hertogdom Saksen is geel afgebeeld.

De verdeling van Saksen

In 1465 hadden de broers Ernst en Albrecht van Saksen hun vader samen opgevolgd in het keurvorstendom Saksen. Toen hun oom Willem de Dappere in 1482 overleed en Thüringen bij het keurvorstendom werd gevoegd, besloot Ernst om Saksen tussen hem en zijn broer te verdelen. Als oudere broer kreeg Ernst de gebieden rond Wittenberg en de daarmee verbonden keurvorstelijke waardigheid. Albrecht koos zijn deel uit de overgebleven gebieden, waarmee het nieuwe Albertijnse hertogdom Saksen ontstond.

Albrecht richtte een eigen raad op en vaardigde nieuwe rechtsregels uit voor zijn nieuwe hertogdom. Ook werd een aparte statenvergadering opgericht, waardoor het land niet alleen tussen de heersers maar ook bestuurlijk werd opgesplitst. Het bestuur over de heerlijkheden in de Lausitz, het hertogdom Sagan en de inkomsten uit de mijnbouw in de Schneeberg bleven wel gezamenlijk.

Over de verdeling van verschillende gebieden en rechten bleef lang onenigheid bestaan. Over het precieze verloop van de grens in 1486 moesten de staten al bemiddelen tussen de twee broers. De deling veroorzaakte een tegenstelling tussen de twee linies die tot aan het einde van de 16e eeuw bleef bestaan.

Albrecht, de keizer en de Friezen thumb|Albrecht, hertog van Saksen en potestaat van Friesland. Hertog Albrecht bleef, in tegenstelling tot zijn neef keurvorst Frederik de Wijze, zeer trouw aan de Habsburgse keizers van het Heilige Roomse Rijk. Hij trok ten strijde tegen de Hongaarse koning Matthias Corvinus en hielp keizer Maximiliaan I om de Vlaamse opstand te onderdrukken. Om zijn veldtochten te betalen zette Albrecht de Saksische inkomsten uit de zilvermijnbouw in. Als dank voor zijn steun werd Albrecht geëerd met verschillende titels, waaronder opperbevelhebber van het rijksleger en ridder in de Orde van het Gulden Vlies.

Tijdens zijn veldtochten in de Nederlanden zocht Albrecht naar een gebied dat hij aan zijn tweede zoon kon laten vererven, zodat zijn twee zoons hun eigen rijksvrije gebieden zouden krijgen. Nadat Albrecht door de Schieringers om hulp was gevraagd tegen de Vetkopers, kreeg Albrecht de kans om het door partijstrijd verscheurde Friesland te veroveren. Keizer Maximiliaan bevestigde Albrechts verovering door hem in 1498 tot "erfelijk potestaat" van Friesland te benoemen. (1999): 'Saksische heerschappij in Friesland, 1498-1515: dynastieke doelstellingen en politieke realiteit', in: (red.): Fryslân, staat en macht 1450-1650, Uitgeverij Verloren, Hilversum, blz. 88. Albrecht richtte in Friesland een krachtig bestuur op. Hij deelde het land in in districten, stelde stadhouders aan, hief belastingen en voerde het Romeins recht in.

In 1499 trok Albrecht terug naar Saksen, waar hij zijn testament opmaakte. Hierin voerde hij de Primogenituur in, maar de regerende hertog moest zijn broers wel onderhouden door hen de inkomsten en rechten in bepaalde delen van het land te geven. Terwijl Albrecht in Saksen was, kwamen de Friezen in opstand tegen zijn tweede zoon Hendrik, die Albrecht in Franeker als regent had achtergelaten. Albrecht vertrok weer naar Friesland en wist de opstand te onderdrukken, maar hij stierf korte tijd later terwijl hij op veldtocht was in Oost-Friesland.

Opstand en opbouw Na de dood van zijn vader weigerde Hendrik de heerschappij over Friesland over te nemen, zodat Albrechts oudste zoon George zowel Saksen als Friesland moest besturen. George bouwde het centrale bestuur in Friesland uit, waarbij hij onder andere het leenstelsel probeerde in te voeren. Een aantal Friese hoofdelingen weigerde dit te aanvaarden en kwam opnieuw in opstand tegen het Saksische gezag. Tegelijkertijd kostte Friesland het hertogdom Saksen meer geld dan het opbracht, waardoor George tussen 1500 en 1515 in onderhandeling was met verschillende partijen om het gebied te verkopen. Uiteindelijk werd Friesland in 1515 gekocht door Karel van Bourgondië voor 200.000 gulden.Tussen 1500 en 1515 heeft George geprobeerd Friesland te verkopen aan Filips de Schone, Edzard I van Oost-Friesland, Willem II van Hessen, keizer Maximiliaan I en Hendrik VIII van Engeland. De onderhandelingen liepen telkens stuk op de vraagprijs van 600.000 gulden. thumb|left|200px|George met de Baard op latere leeftijd, portret door Lucas Cranach de Oude. Niet alleen in Friesland, maar ook in Saksen verbeterde George bestuur en economie, waarbij hij zo veel mogelijk in samenspraak met de staten regeerde. De schulden, die het hertogdom had opgebouwd door het bestuur over Friesland, werden aangepakt door de handel en de mijnbouw te stimuleren. Leipzig kreeg op aandringen van de hertog het stapelrecht van de keizer en groeide uit tot de belangrijkste stad van Midden-Duitsland. De bloei van de mijnbouw in het Ertsgebergte trok immigranten aan, waardoor Marienberg en St. Annaberg uitgroeiden tot steden. Ondanks de investeringen zou het tot de jaren 30 van de 16e eeuw duren voordat het hertogdom de staatsschulden kon afbetalen en zelfs geld kon gaan uitlenen.

De katholieke hertog en de reformatie Terwijl het keurvorstendom Saksen onder invloed van de hervormer Maarten Luther en zijn beschermheer Frederik de Wijze uitgroeide tot het centrum van de reformatie, bleef George trouw aan de Rooms-Katholieke Kerk. De hertog was het op sommige punten eens met de hervormingsbeweging: hij verzette zich tegen de aflatenhandel en liet controleren of de monniken en nonnen in het hertogdom zich aan de kloosterregels hielden. Maar toen Luther de heiligverklaring van Benno van Meißen, waarvoor George zich persoonlijk had ingezet, in een geschrift belachelijk maakte, kwamen de kerkhervormer en de hertog tegenover elkaar te staan. Vanaf 1522 verbood George religieuze vernieuwing en liet sympathisanten van Luther arresteren. (2000): 'The princely reformation in Germany', in: (red.): The Reformation world, Routledge, New York, blz. 155.

Toen de Boerenoorlog uitbrak en zich naar Midden-Duitsland verspreidde, werkte de katholieke hertog samen met de keurvorst en de Lutherse landgraaf van Hessen om de opstand te onderdrukken. George was een van de aanvoerders van het vorstelijke leger dat de boeren in de Slag bij Frankenhausen vernietigend versloeg. Als reactie op de opstand, waarin de boeren zich hadden beroepen op het lutherse geloof, sloten de katholieke vorsten het Verbond van Dessau tegen opstandelingen en protestanten. Hoewel het verbond weinig invloed had, was het de aanleiding voor protestantse vorsten om hun eigen verbond te stichten. In 1531 werd onder leiding van de keurvorst van Saksen het Schmalkaldisch Verbond gesloten, waar ook Georges broer Hendrik lid van werd. Hendrik voerde het lutherse geloof in op zijn eigen domeinen, die officieel onder het hertogdom vielen.

Om het hertogdom voor het katholicisme te behouden probeerde George te voorkomen dat Hendrik hem als hertog zou opvolgen. Nadat zijn oudste zoon in 1537 gestorven was, werd Georges zwakzinnige tweede zoon zijn erfgenaam. George stelde vast dat na zijn dood een regentschapsraad uit de Staten het hertogdom moest besturen. Toen hij ook zijn tweede zoon overleefde veranderde hij zijn testament en stelde vast dat Ferdinand van Habsburg, de broer van keizer Karel V, het hertogdom zou erven. Voordat hij zijn handtekening kon zetten, stierf George zelf, waardoor Hendrik in 1539 toch de nieuwe hertog van Saksen werd.

De "Judas van Meißen" Het eerste wat Hendrik deed toen hij hertog werd, was de reformatie invoeren, zonder dat hij daarbij de Staten om toestemming vroeg. De bezittingen van de bisschoppen van Meißen, Naumburg en Zeits binnen het hertogdom werden geseculariseerd en de kloosters werden opgeheven. Een afvaardiging van de Staten moest beslissen hoe de kerkelijke goederen en landerijen werden verdeeld. De leden van de Staten verdeelden de kerkelijke goederen onder elkaar, zodat de centrale regering er door de reformatie financieel niet veel op vooruit ging. thumb|left|200px|Maurits van Saksen, de "Judas van Meißen", in wapenrusting. Portret uit 1578 door Lucas Cranach de Jongere.

Hendrik werd na een regeringsperiode van twee jaar opgevolgd door zijn zoon Maurits. Maurits verhoogde de belastingen en de inkomsten uit de mijnbouw, zodat hij een ambitieuze buitenlandse politiek kon voeren. In 1542 kwam hij in conflict met keurvorst Johan Frederik de Grootmoedige over de belastingen die het prinsbisdom Meißen moest betalen aan het Rijk om de Ottomaanse Turken te bestrijden. Uiteindelijk werd een oorlog voorkomen door bemiddeling van Luther en de landgraaf van Hessen, maar Maurits en Johan Frederik bleven tegenstanders.

thumb|Saksen na de Capitulatie van Wittenberg in 1547. Het door Maurits op het Ernestijnse keurvorstendom veroverde gebied is rood-geel gestreept afgebeeld. Vanaf 1545 begon keizer Karel V met de voorbereidingen voor een oorlog tegen het Schmalkaldisch Verbond. De keizer probeerde hiermee zijn positie in het Rijk te versterken en zijn politieke tegenstanders te verslaan. (2008): Karel V, keizer van een wereldrijk 1500-1558, Omniboek, Kampen, blz. 125-126 Keurvorst Johan Frederik en landgraaf Filips van Hessen werden in de rijksban gedaan. Maurits kreeg van de keizer de opdracht om de ban uit te voeren. In ruil hiervoor zou hij met alle landen en titels van Johan Frederik beleend worden. Hertog Maurits werd een van Karels belangrijkste bondgenoten in de oorlog. Het Schmalkaldisch verbond voelde zich door hem verraden, waardoor hij de bijnaam "Judas van Meißen" kreeg opgeplakt.