Harry Kurt Victor Mulisch (Haarlem, 29 juli 1927 – Amsterdam, 30 oktober 2010) was een Nederlandse schrijver.
Mulisch, de zoon van een Oostenrijks-Hongaarse vader die collaboreerde tijdens de Tweede Wereldoorlog en een Duits-Joodse moeder, groeide op in Nederland in de Tweede Wereldoorlog, wat een sterke en blijvende invloed op hem en zijn schrijverschap had. In 1947 verscheen zijn eerste verhaal (De kamer), in 1952 volgde zijn eerste roman: archibald strohalm. Vele andere werken volgden, waaronder Het stenen bruidsbed (1959), Twee vrouwen (1975), De aanslag (1982) en De ontdekking van de hemel (1992). Zijn laatste roman Siegfried verscheen in 2001. "Magisch-mythisch" is een veelgebruikte aanduiding voor een groot deel van zijn oeuvre. Naast fictie schreef hij geëngageerd essayistisch en pamflettistisch werk over ontwikkelingen in de wereldpolitiek en (onder meer in een boek met die titel) over "de compositie van de wereld".
Mulisch geldt als een van de belangrijkste naoorlogse Nederlandse schrijvers. Hij wordt met Willem Frederik Hermans en Gerard Reve gerekend tot "De Grote Drie" van zijn generatie in de naoorlogse Nederlandse literatuur. Aan Mulisch werd een groot aantal literaire prijzen toegekend, waaronder de Prijs der Nederlandse Letteren en de P.C. Hooft-prijs, beide voor zijn gehele oeuvre. De ontdekking van de hemel werd in 2007 uitgeroepen tot nummer 1 van de lijst van beste Nederlandstalige boeken. In oktober 2010 overleed de auteur op 83-jarige leeftijd aan kanker.
Levensloop Geboorte en jeugd thumb|Mulisch' moeder Alice Schwarz Mulisch' vader Kurt Victor Karl Mulisch werd in 1892 geboren in Gablonz an der Neiße in het toenmalige Oostenrijk-Hongarije, nu Jablonec nad Nisou in Tsjechië. In de Eerste Wereldoorlog was hij commandant van een batterij zware bereden veldartillerie aan het Russische, Italiaanse en Franse front. Na de oorlog emigreerde hij naar Nederland. Mulisch' moeder Alice Schwarz zag op 16 maart 1908 in Antwerpen het levenslicht als dochter van een Oostenrijks-Joodse bankier uit Frankfurt am Main. Wegens hun vriendschappelijke contacten met Duitse officieren vluchtte het gezin Schwarz na de Eerste Wereldoorlog van Vlaanderen naar Nederland. Aldaar ontmoetten Karl Mulisch en Alice elkaar via haar vader, die de oorlogsveteraan aan een baan hielp. Naar aanleiding van deze samenloop van omstandigheden zou Mulisch later concluderen dat hij zijn bestaan te danken had aan de Eerste Wereldoorlog.
In april 1926 trouwden Karl Mulisch en Alice Schwarz in Amsterdam en uit het huwelijk werd op 29 juli 1927 hun enige zoon Harry geboren op het adres Westerhoutpark 16 te Haarlem, waar de familie zich had gevestigd. Harry werd grotendeels opgevoed door de huishoudster, Frieda Falk, die in 1891 geboren werd in Posen in het toenmalige Duitse Keizerrijk, thans Poznań in Polen. Met haar reisde de vierjarige Harry, die gedeeltelijk in het Nederlands en in het Duits werd opgevoed, in het najaar van 1931 naar Berlijn (ten tijde van de Weimarrepubliek) en verdwaalde er in het labyrint van de Tiergarten. Naar eigen zeggen zouden dit de plaats en het moment geweest zijn waarop de voorwaarden voor zijn schrijverschap tot stand kwamen.
Mulisch leerde schrijven op een particulier instituut in Haarlem, dat hij van 1933 tot 1939 bezocht. In deze jaren schreef Harry al zijn eerste verhaal, De pottebakker, over een komisch voorval op school. In 1936, toen Mulisch negen was, scheidden zijn ouders. Zijn moeder verhuisde naar Amsterdam en in 1951 emigreerde ze naar Berkeley in Californië (dit adres staat in het overlijdensbericht van Karl Mulisch op 10 juli 1957). Ze overleed op 2 januari 1996 in San Francisco. Harry bleef bij zijn vader, Kurt Victor Karl Mulisch, K.V.K. zoals hij hem later in zijn geschriften vaak noemde, in Haarlem. Zijn vader werd na de vrolijke jaren twintig zwaarmoedig. Bovendien daalde zijn inkomen waardoor de afgeslankte familie een aantal keren naar kleinere woningen verhuisde.
In de jaren dertig kreeg Mulisch grenzeloze interesse in de chemie, die was gewekt door het jongensboek De ongelooflijke avonturen van Bram Vingerling (1927) van Leonard Roggeveen. Later besefte Mulisch dat Bram Vingerling in feite de alchemie beoefende, een van de belangrijkste thema's uit zijn oeuvre.
Tweede Wereldoorlog en revelatie van een jonge schrijver thumb|Mulisch volgde vier jaar les aan het Eerste Christelijk Lyceum in Haarlem, maar maakte zijn school niet af. Met de kreet "Krieg, Krieg! Herr Mulisch! Es ist Krieg! Die Deutschen sind da!", uitgeschreeuwd door opvoedster Frieda, begon voor de twaalfjarige Harry de Tweede Wereldoorlog. In de oorlogsjaren was Mulisch' vader in opdracht van de nazi's directeur personeelszaken van Lippman-Rosenthal & Co. Dit bankiershuis had de taak geconfisqueerde Joodse bezittingen, zoals tegoeden, effecten en andere kostbaarheden, te 'beheren'. Dankzij de samenwerking met de nazi's was K.V.K. Mulisch in staat zijn Joodse ex-vrouw en zijn (volgens de nazi-ideologie "half-Joodse") zoon uit Duitse handen te houden. Harry's groot- en overgrootmoeder van moederskant werden in 1943 naar concentratiekampen weggevoerd. Na de bevrijding werd de vader van Mulisch opgepakt wegens collaboratie.
Doordat Mulisch de zoon was van een collaborateur en van een Joodse vrouw (en kleinzoon van slachtoffers), leefde hij in een merkwaardige positie. Deze omstandigheden leverden stof op voor een groot deel van zijn werk. Het maakte hem duidelijk hoe ingewikkeld begrippen als 'goed', 'kwaad' en 'schuld' liggen. Dit is waar zijn werk vooral over gaat. Een gevleugelde uitspraak van Mulisch was: "Ik heb de oorlog niet zo zeer 'meegemaakt', ik 'ben' de Tweede Wereldoorlog".
In 1941 verhuisde Mulisch met zijn vader en Frieda naar de Anna van Burenlaan in Haarlem. Mulisch verklaarde het belang van dit huis in zijn leven: "In dat huis is het allemaal gebeurd. Daar beleefde ik de oorlog. Daar schreef ik mijn eerste verhalen en romans. Daar ging ik voor het eerst met een meisje naar bed". Na vier jaar aan het Eerste Christelijk Lyceum van Haarlem bleef hij weg van school. Directe aanleiding was het zakken voor een herexamen, de dag na Dolle Dinsdag (5 september 1944), waarna Mulisch een autodidact pur sang werd.
Aanvankelijk produceerde Mulisch in zijn kamertje chemieboeken die voor iedereen toegankelijk moesten zijn. Maar ondanks zijn zelfverklaarde afkeer van literatuur werd Mulisch wel degelijk beïnvloed door bepaalde schrijvers. Edgar Allan Poe was de eerste invloed op de jonge Mulisch, wat blijkt uit zijn eerste probeersels. Van Thomas Mann leerde hij de discipline om elk woord, iedere zin af te wegen, terwijl hij tegelijkertijd diep onder de indruk raakte van de overvloedige stijl van Dostojevski. Jorge Luis Borges was in de jaren zestig de laatste auteur die hem genoeg kon boeien om diens oeuvre te verslinden. Verder las hij naar eigen zeggen nooit veel literatuur, alleen het hoogst noodzakelijke om op de hoogte te blijven van collega-schrijvers. Hij zei dan ook van zichzelf: "Ik ben een schrijver, geen lezer".
Het volgende teken van Mulisch' schrijverstalent was het verhaal De kamer, dat op 8 februari 1947 in Elseviers Weekblad werd gepubliceerd. Het gaat over iemand die in zijn jonge jaren verwonderd was over een kamer. Hij kan de bekoring niet verklaren, totdat hij veertig jaar later terugkeert en de kamer bewoont. Dan komt hij erachter waarom deze kamer hem fascineerde: het blijkt zijn sterfkamer te zijn.
De jonge Mulisch hield zich eind jaren veertig bezig met occultisme, spiritisme en toneel. Hij sloot zich aan bij het Amsterdamse Reis-Opera-Gezelschap en trok met een operette voor arbeiders door de polder. Inmiddels was hij in 1949 begonnen aan zijn eerste volwassen roman. Pas na twee jaar intensief schrijven zou hij zijn debuut archibald strohalm afronden.
Privéleven In 1971 trouwde Mulisch met Sjoerdje Woudenberg. Met haar kreeg hij twee dochters. Vanaf 1987 was hij samen met zijn vriendin Kitty Saal, met wie hij een zoon kreeg.Mulisch' nazaten. Gearchiveerd op 8 november 2022.
Publicaties 1952–1959 thumb|Voor het manuscript van archibald strohalm won Mulisch in 1951 zijn eerste prijs, de Reina Prinsen Geerligsprijs. Omdat hij het verhaal De kamer (1947) en de novelle Tussen hamer en aambeeld (1952) kwalitatief onder de maat vond, besloot Mulisch zijn literaire carrière opnieuw te beginnen met een roman waaraan hij twee jaar werkte: archibald strohalm (1952), een boek waarin het mythisch-magische element een belangrijke rol speelt. Hij won er de Reina Prinsen Geerligsprijs mee, een prestigieuze onderscheiding die enkele jaren voordien Gerard Reve ten deel was gevallen met De Avonden. archibald strohalm zette meteen de toon voor de eerste periode van Mulisch' schrijverschap. In de jaren 1952 tot 1959 overheerste een sterk mythische invloed. Gewoonlijk laat Mulisch zijn proza beginnen met een tafereel uit het alledaagse leven dat, naarmate het verhaal vordert, uitmondt in wonderbaarlijke en bovennatuurlijke motieven waarin niet zelden de alchemie een belangrijke rol speelt. Mulisch plaatste zichzelf met zijn 'abstract realisme' in een uitzonderlijke positie in de Nederlandse literatuur, waarin het realisme sterk overheerste.
Na de Mulisch-God-associatie in de verhalenbundel Chantage op het leven (1953), de roman De diamant (1954), een lineair verhaal over de geschiedenis van een diamant door de eeuwen heen, De sprong der paarden en de zoete zee (1955), een novelle over de onbeantwoorde liefde van een schooljongen en de verdrinkingsdood van een Schoklandse visser en diens broers, en de absurde verhalen over de heer Tiennoppen in Het mirakel (1955), schreef hij in 1956 Het zwarte licht. Deze 'kleine roman' handelt over Maurits Akelei, een stadsbeiaardier, die zijn zesenveertigste verjaardag viert, maar grotendeels 23 jaar terug in de tijd leeft, toen zijn vriendin Marjolein overspel pleegde. Zijn leven verging op die dag figuurlijk zoals op de dag van handelen, 20 augustus 1953, de apocalyps verkondigd wordt. Het mythische aspect wordt tot uiting gebracht in het laatste hoofdstuk, waarin Akelei de wereld zichtbaar ten onder ziet gaan. De verhalenbundel De versierde mens (1957) bevat eveneens een aantal magische verhalen. Een nooit gepubliceerd kort verhaal dat Mulisch in 1953 schreef naar aanleiding van de Watersnoodramp, werd in de zomer van 2008 ontdekt in het archief van de Literaire Uitgeverij De Beuk. Het Letterkundig Museum in Den Haag kocht het verhaal op 8 september 2008 bij veilinghuis De Eland.
In 1959 sloot Mulisch de eerste periode af met het gewichtige Het stenen bruidsbed. Deze roman gaat over het bombardement op Dresden in februari 1945. Mulisch was de eerste schrijver die dit literair verbeeldde. En de enige, die het beschrijft vanuit de bombardeerder.(2015) "Blijvend in gevecht met de tijd", NRC Handelsblad, URL bezocht 16 februari 2015. Norman Corinth, boordschutter in een van de bommenwerpers, is dertien jaar later terug in Dresden en wordt geconfronteerd met zijn verrichtingen in de oorlog. Mulisch' idee achter het verhaal is de eeuwigheid van de oorlog en het fenomeen van de oorlogsmisdadiger. De auteur toont de synchronie tussen de Tweede Wereldoorlog en de Trojaanse Oorlog. Corinth zet hij naast Attila de Hun, Dzjengis Khan en Hitler. Het schakelen tussen verschillende tijden is kenmerkend voor Mulisch' filosofie over de tijd. De schrijver probeert in bijna al zijn boeken de tijd stil te zetten. Naast de tijdsdimensie filosofeerde de auteur in Het stenen bruidsbed over het verschil tussen de geschiedenis en de antigeschiedenis. De compositie van de roman is gedeeltelijk gebaseerd op de Ilias van Homerus.
1959–1972 thumb|Mulisch belt in de vertrekhal van luchthaven Schiphol om te vragen of hij nog een ticket naar Cuba kan krijgen (1968). Vanaf de jaren zestig nam Cuba een belangrijke rol binnen het denken en schrijverschap van Mulisch in.