Wellevendheid is een stelsel van manieren en gedragingen die waarborgen dat mensen met elkaar omgaan op een manier die maatschappelijk aanvaard is en die positief wordt gewaardeerd. Hoewel een vergrijp tegen de wellevendheid negatief wordt ervaren, is het niet strafbaar.

In de hoge en late middeleeuwen van Europa was hoofsheid de gedragsnorm geweest van de adel, maar rond 1500 was de macht van de adel aangetast en was de hoofsheid in aanzien gedaald.

Van de zestiende tot en met de negentiende eeuw verschenen er, vooral in Frankrijk, boeken over wellevendheid, waarin stond welk gedrag was toegelaten en welk gedrag niet. Natuurlijk liet niet al het ongewenste gedrag zich zomaar afschaffen. Dat gedrag werd echter beperkt tot de huiselijke kring, of werd zelfs in het geheim gepraktiseerd, als het om sterk afgekeurd gedrag ging. Men ging over veel dagelijkse handelingen zwijgen.

Enerzijds kwam er steeds meer beïnvloeding van het gedrag en steeds meer sociale controle. Anderzijds zochten de mensen steeds meer bescherming binnen het gezin. Dit waren twee kanten van dezelfde medaille. Het resultaat was een scheiding tussen privé- en publiek leven, tussen innerlijk en uiterlijk.

De nieuwe wellevendheid kon zich mede zo goed verbreiden door de toepassing van de boekdrukkunst en de toenemende alfabetisering van de Europese bevolking in de zeventiende en achttiende eeuw.

Normen De normen voor wellevend gedrag verschillen naargelang de cultuur, het tijdperk en de situatie waarin het gedrag plaatsvindt, zoals blijkt uit de volgende voorbeelden: Cultuur In de ene cultuur geldt het als wellevend om een hogergeplaatste tijdens een gesprek niet aan te kijken, terwijl dit vermijden van oogcontact in een andere cultuur juist als onwellevend kan worden ervaren. Tijdperk In de middeleeuwen was het in Europa de gewoonte om met de handen te eten, tegenwoordig wordt dit vaak als onwellevend ervaren. Situatie Als men voor een vergadering is uitgenodigd, is het onwellevend om te laat te komen maar als men voor een verjaardag is uitgenodigd, is het onwellevend om te vroeg te komen.

Erasmus, De civilitate morum puerilium thumb|Desiderius Erasmus door Hans Holbein de Jonge

De filosoof Desiderius Erasmus (1469-1536) schreef in 1530 een wellevendheidsboekje voor de kinderen: "De civilitate morum puerilium". Erasmus vond dat de opvoeding meer succes had naarmate je er vroeger mee begon, want het jonge kind was nog onbedorven, stond nog open voor de opvoeding en kon zich niet anders voordoen dan het was.

Hoewel dit boekje zeker niet het beste werk van Erasmus was, werd het toch een groot succes en werd het in vele talen vertaald. Er zijn al vanaf 1550 nog heel veel wellevendheidsboekjes verschenen die gebaseerd waren op dit boekje. Mogelijk kwam dit doordat er behoefte bestond aan zekerheden in de onzekere tijd waarin het verscheen (de Renaissance): enerzijds was de Kerk door de Reformatie uiteengevallen en stond de hoofse ridderlijkheid bloot aan steeds meer kritiek en anderzijds was de absolute monarchie nog niet gevestigd.

Lichaamsuitingen zoals gebaren, gezichtsuitdrukkingen en houding waren volgens Erasmus uitingen van het innerlijk van de mens. Hij vond dat de gezichtsuitdrukking van een kind zacht, respectvol en eerlijk moest zijn.

Men dacht in die tijd dat als je erin slaagde om de uitingen van je lichaam te veranderen, je daarmee ook je innerlijk veranderde. Je kon je innerlijk dus door het opvolgen van de wellevendheidsregels aanpassen aan het humanistische ideaal van het juiste midden, de afwijzing van al het buitensporige.

Protestanten Het boekje was geschreven door een humanist, maar kreeg meteen een plaats binnen het protestantisme, zowel bij de lutheranen als bij de calvinisten. Ook de protestanten vonden dat een kind braaf, gehoorzaam en leergierig moest zijn. In tegenstelling tot Erasmus, die het jonge kind nog onbedorven vond, vonden de protestanten echter: Dat elk kind, net als elke volwassene, in wezen slecht was. Met een goede en strenge opvoeding was dit kwaad enigszins in te dammen. Het protestantse kind werd dus autoritair opgevoed volgens gedetailleerde regels: het werd van vroeg tot laat in de gaten gehouden. Dat die kinderen zouden opgroeien tot volwassenen die samen moesten kunnen leven. De wellevendheidsregels werden de protestantse kinderen dan ook als groep aangeleerd: in de klas op school. De wellevendheidsregels werden in de zestiende eeuw op protestantse scholen met een aan het absurde grenzende nauwkeurigheid voorgeschreven. Ze beschreven het hele leven van het kind van het opstaan tot het slapengaan.

Hoewel Erasmus de wellevendheid nog alleen maar nuttig vond in de omgang tussen mensen en niet veel gedrag als verplicht voorschreef, kwamen er naar aanleiding van zijn boekje al in 1536 boekjes uit die bol stonden van de autoritaire voorschriften. Deze boekjes waren, net als de catechismus in vraag- en antwoordvorm geschreven en de kinderen moesten ze klassikaal van buiten leren, ook de regels voor situaties die ze nog nooit hadden meegemaakt.

Erasmus had aanbevolen dat de ouders hun kinderen thuis zouden opvoeden, want dan zou het kind, als het iets fout deed, niet alleen maar een standje krijgen, maar ook aan het voorbeeld van zijn ouders kunnen zien, hoe het wél moest. Men moest gebruikmaken van het vermogen van het kind om anderen te imiteren, maar steeds meer ouders stuurden hun kinderen naar scholen.

In het Duitse Rijnland, in Engeland en ook in de Nederlanden was het aanleren van de wellevendheidsregels op school gedurende de hele zeventiende eeuw verplicht en in andere landen was het niet veel anders.

Katholieken Het succes van het boekje van Erasmus en de daarvan afgeleide boekjes was dermate groot, dat ze vanaf circa 1560 ook op katholieke contrareformatorische scholen werden gebruikt. Aanvankelijk werden de wellevendheidsregels hier nog vrij soepel gehanteerd: men wilde bijvoorbeeld de religieuze opvoeding van het kind nog aan de ouders overlaten. Maar toen de wellevendheidsboekjes rond 1670 werden ingevoerd op de armenscholen, werden daar de wellevendheidsregels op een systematische en autoritaire wijze aangeleerd. Het werd een ware dressuur van het lichaam en de kinderen stonden onder een buitengewoon streng toezicht. Een armenschool leek wel een politiestaat. Deze gang van zaken breidde zich uit tot alle katholieke lagere scholen en handhaafde zich tot aan het einde van de negentiende eeuw.

Ook op de katholieke scholen gebruikte men boekjes die in vraag- en antwoordvorm waren geschreven en die de kinderen van buiten moesten leren. Vanaf 1559 werden de wellevendheidsboekjes ook gebruikt als lesmateriaal om de kinderen te leren spreken, lezen, schrijven en bidden. Ze werden daartoe uitgebreid met het alfabet, regels voor spelling en interpunctie, gebeden enzovoort. De meester las uit het boekje voor, de kinderen moesten het nazeggen met het boek voor zich, en daarna moesten ze de tekst overschrijven. Deze strenge didactische opzet in klassikaal verband bood een goede mogelijkheid tot controle. Lesmateriaal was schaars en daarom bleven zowel de protestanten als de katholieken dit soort boekjes tot zeker 1882 op hun scholen gebruiken, ook al nam toen haast niemand meer de wellevendheidsregels serieus.

In 1705 publiceerde Johannes Baptist de la Salle een boekje dat hij had afgeleid van dat van Erasmus: "Règles de la bienséance de la civilité chrétienne" vol met strenge en gedetailleerde regels. Van dit boek werden tot 1875 zeker 126.000 exemplaren uitgegeven. De ideeën van Erasmus waren, zowel bij de protestanten als bij de katholieken al snel verworden tot een vorm van conformisme.

Bibliothèque bleue Al na 1600, maar ook in de achttiende en zelfs nog in de negentiende eeuw gingen dit soort wellevendheidsboekjes in Frankrijk en Vlaanderen deel uitmaken van de bibliothèque bleue.Bibliothèque bleue Ze waren klein en goedkoop en werden met de honderdduizenden en mogelijk zelfs met de miljoenen uitgegeven. Behalve het aanleren van de juiste omgangsvormen stonden er ook een aantal morele basisregels in, verder nog de grondbeginselen van lezen, spreken, schrijven en spellen en zelfs een aantal regels om valse vrienden te herkennen. Deze boekjes werden niet meer alleen door kinderen gelezen maar door hele volksmassa's die deze boekjes als een soort mini-encyclopedie zagen.

Triomf van de uiterlijke schijn In de zestiende en zeventiende eeuw werd van mensen verwacht dat zij op een aangename manier met elkaar om konden gaan. Zij kwamen onder steeds meer druk te staan om zich aan te passen aan uniforme regels, om zichzelf onder controle te hebben. Het grootste deel van het privéleven kwam onder toezicht van de gemeenschap te staan.

Het was niet voldoende om deze regels alleen maar van buiten te leren: het moest een soort tweede natuur worden. Iedereen moest in zichzelf een scheiding aanbrengen: Datgene wat toonbaar was: het wellevende. Dit voornamelijk uiterlijke voorkomen was waar het in het leven om ging. Datgene wat niemand wilde weten: dit deel werd verdrongen, er werd over gezwegen, men schaamde zich ervoor, het was taboe.

De Civilitate van Erasmus had eigenlijk alleen maar gesteld dat het kind zichzelf niet mocht toestaan om iemand anders te beledigen of te bedriegen. Het mocht zich niet aan buitensporigheden te buiten gaan. Het moest een goed geweten en een open geest hebben, een opgewekt gezicht, een kalme, eerlijke blik en een zachte, rustige stem. Het boek van De la Salle ging veel verder. Je moest de indruk wekken dat je "eenvoudig" was, je mocht vooral niet gekunsteld overkomen, maar toch moet je de houding van al je lichaamsdelen doorlopend onder controle hebben, moest je elke stap tot op de millimeter afmeten. Ernst en waardigheid, verhevenheid en grootsheid, plechtstatigheid en wijsheid, kortom: de uiterlijke schijn kwam in de plaats van het opgewekte kind van Erasmus.

Alles moest aan de eisen van de uiterlijke schijn voldoen. Op de eerste plaats kwam datgene dat gezien werd. Wat "slecht" was, werd verborgen gehouden, dus wat verborgen gehouden werd, was slecht. Erasmus had al tegen de kinderen gezegd dat ze in gezelschap niet zonder reden moesten lachen, want misschien zou iemand zich wel uitgelachen voelen, dus als ze dan toch gelachen hadden, dan moesten ze meteen uitleggen waarom en als ze dat niet konden, dan moesten ze er maar een "goede reden" voor verzinnen.

Al rond 1705 kreeg, in de ogen van De la Salle, elke uiting van intimiteit iets verdachts. Als je zat, mocht je niet eens met een stokje op de grond "tekenen", want dan was je een dromer of slecht opgevoed. Je mocht vooral niet laten zien wie je werkelijk was. Je gedrag moest correct en christelijk zijn. Maar het lichaam was natuurlijk ook de drager van schandelijke en onchristelijke hartstochten. Daarom moest men zich van jongs af aan onderwerpen aan een strenge opvoeding.

Tafelmanieren Zie ook: Tafelmanieren

Tot 1500 luidde het devies aan tafel: "wees geen slokop, houd je fatsoen en heb respect voor je disgenoten". Daarna voegden de wellevendheidsboeken daar een hoop gedetailleerde voorschriften aan toe: de tafeletiquette. Eten in gezelschap vroeg zelfbeheersing, want aan tafel werd een ingewikkeld ritueel opgevoerd. Het leek wel de choreografie van een ballet: een opeenvolging van gebaren die voor iedereen vaststond. Het lichaam met zijn onbescheiden lusten, zijn geborrel en zijn geuren moest je onder controle zien te houden. Er kwam steeds meer tafelgerei zoals bestek, borden, glazen en servetten waar men perfect mee om moest kunnen gaan.

Schaamte thumb|Alziend oog van God, detail Emmaus avondmaal, Jacopo da Pontormo, 1525 De kerk stelde dat de mens vóór de erfzonde nog onbekommerd naakt geweest was, maar dat hij zich daarna ging schamen voor zijn naaktheid en kleren moest gaan dragen.