De stad Tilburg bestond tot de 18e eeuw uit een verzameling van herdgangen. De wollenstoffenindustrie die daar toen ontstond, was beslissend voor de groei van deze buurtschappen tot stad.
Voorgeschiedenis Reeds in de 18e eeuw werd door kooplieden uit Leiden en andere Hollandse textielsteden wol ingekocht, onder meer vanuit Spanje dat, na gesorteerd te zijn, in bezit kwam van Tilburgse lakenreders, die een groot aantal bewerkingen in thuisarbeid lieten verrichten. Tussen 1691 en 1724 vestigden zich alleen al dertien Leidse drapeniers in Tilburg. Zij brachten kennis mee die aan de plaatselijke bevolking werd overgedragen en door hen werd toegepast. Het ruwe laken werd aanvankelijk naar Holland teruggestuurd om de eindbewerkingen, zoals vollen en verven, te ondergaan. Pas tegen het einde van de 18e eeuw vonden deze bewerkingen meer en meer in Tilburg zelf plaats. Volmolens bevonden zich in de wijde omgeving van Tilburg, maar niet in Tilburg zelf. De eerste kwam pas in 1799 tot stand. In 1739 waren er in Tilburg 700 weefgetouwen die voor Leidse lakenhandelaren werkten. Omstreeks het einde van de 18e eeuw werd ook het verven van de weefsels in Tilburg verricht. Bekende lakenverversfamilies waren Van Spaendonk, Suys en Verbunt. Ook het apprêteren geschiedde toen meer en meer in Tilburg.
De Tilburgse fabrikeurs stelden in 1794 een petitie op aan de Regering in Den Haag, met het verzoek dat de concessie aan die van Tilborg en Goirle tot het fabriqueeren van wollen laekenen door hun Hoogmogenden en vorige hertogen goedgunstig verleend, in volle kracht blijven en daarvan het volle genot moge worden genooten. Dit verzoek, dat werd ingewilligd, werd ondertekend door de zelfstandige Tilburgse fabrikeurs, afkomstig uit de families: Beckers, De Beer, Van Bommel, Brouwers, Van Dooren, Heestermans, Hoebens, Jansen, Janssens, De Kanter, Koolen, Van Meurs, Mutsaers, De Noot, Roelandse, Verbunt, Vreede. De meesten waren Tilburgers, maar sommige families waren Leids van oorsprong en hadden zich te Tilburg gevestigd. De petitie werd ingewilligd.
De thuiswevers genoten niet zozeer het volle genot, daar zij leefden in nare en afzigtelijke hutten, waarin veele derzelve zich ternauwernoot voor de wind en regen kunnen verschuylen, aldus een rapportage van textielfabrikant Pieter van Dooren. Door de winterkou waren deze mensen soms niet in staat te werken. Omstreeks 1830 waren er ongeveer 6000 thuiswevers in Tilburg.
Fabriekshuizen Voor een aantal bewerkingen was het gunstiger om ze te bundelen in speciale ruimten. Reeds in het begin van de 18e eeuw waren er tientallen van dergelijke fabriekshuizen in Tilburg. Deze waren gewoonlijk verbonden aan de woonhuizen van de lakenreders. De opstelling van gespecialiseerde werktuigen, arbeidsdeling en logistiek vormden belangrijke overwegingen om dergelijke huizen op te richten.
Tot de vroegere fabriekshuizen behoorden die van Michiel van Bommel, die in 1720 in Tilburg begon, en Barend Mutsaers, die in 1739 een fabriekshuis bezat. Zijn zoon Adriaan B. Mutsaers en diens zoon B. Mutsaers (1744-1815) bezaten een fabriekshuis bij de Kuiperstraat met negen arbeiders. Dit heette: A.B. Mutsaers & Zn.. In 1766 werd er door Martinus van Bommel een fabrieksgebouw aan de Nieuwendijk neergezet dat twee verdiepingen telde. Ook Pieter Vreede richtte in 1790 een dergelijke fabriek in: Mijne speculatie is gevallen om hier mijn geheele Fabrijk te plaetzen alwaar het in 1782 opgerichte werkhuis met weverij en spinnerij werd uitgebreid met bereiden, dat is rouwen en droogscheren; alsmede zoo hier als in de nabuurschap mijne ververij te etablissren en een molen te zien te bekomen om dezelve te vollen. Pieter Vreede was een Leidse lakenfabrikant die zich in Tilburg vestigde. Pieter werd opgevolgd door zijn zoons, Paulus en Hendrik Vreede. Aldus ontstond de Wollenstoffenfabriek "Triborgh" aan de huidige Bisschop Zwijsenstraat. Hier werkten in 1812 reeds 280 mensen, van wie 200 in thuisarbeid.
In 1783 werd daarnaast door Martinus van Dooren de wollenstoffenfabriek Van Dooren & Dams opgericht. Andere 18e-eeuwse fabriekshuizen waren dat van Jan van Spaendonck en dat van Jan Peter Pessers. In 1798 bouwden A.N. Schoffers en G. Bogaers een fabriekshuis. Voorts hadden Peter Mutsaers en C.H. Swagemakers een dergelijke inrichting, evenals Jan Laurens Janssens. In 1808 werd een groot fabriekshuis opgericht door Johan Diepen (Diepen, Jellinghaus & Co.). In 1798 werd gezamenlijk een windvolmolen gesticht voor een consortium van lakenfabrikanten (Van Dooren, Dams, Verbunt, Brouwers, Mutsaers, Zwagemakers). De molen heeft bestaan tot 1817. In 1811 werd een tweede volmolen opgericht waar onder anderen Schoffers en Bogaers in deelnamen. Deze molen werd in 1836 voorzien van een stoommachine en in 1853 afgedankt.
Ook G. Pollet, afkomstig uit de Franse textielstad Tourcoing, begon in 1811, samen met H. Mannie en J. van Iersel, een lakenfabriek annex lakenververij.
In 1812 waren er 4.580 Tilburgse textielarbeiders, van wie 89% thuiswerkers en 19% fabrieksarbeiders. Er waren 8 fabrieken met 10 of meer fabrieksarbeiders, waarvan de fabriek van Paulus en Hendrik Vreede de grootste was.
Mechanisatie In 1809 schafte de wollengarenspinnerij en lakenvollerij Van Dooren & Dams een spinmachine aan die geleverd werd door de fabriek van William Cockerill te Verviers. Deze werd aanvankelijk door een rosmolen aangedreven, evenals de later aangeschafte machines. Het aantal machinale spinnerijen nam toe via vijf in 1817 tot zestien in 1820. Door dit alles raakten veel handwerkslieden overbodig en werd ook de productie meer en meer in fabriekshuizen gecentraliseerd. In 1816 waren er 67 lakenfabrieken met in totaal 2705 werklieden, 93 procent van de Tilburgse werklieden. Daarnaast waren er nog zeven katoenspinnerijen en vier katoendrukkerijen, maar deze verdwenen nadien vrij snel vanwege handelspolitieke tegenslagen.
In 1827 werd de eerste stoommachine in gebruik genomen, door Pieter van Dooren. De machine van 20 pk dreef een mechanische lakenvollerij aan. De machine kwam waarschijnlijk uit de machinefabriek van J.J. Gilain te Tienen. In hetzelfde jaar werden twee van dergelijke machines bij de firma Diepen, Jellinghaus & Co. in gebruik genomen. In 1829 volgde Schoffers en Bogaers, en in 1832 Swagemakers & Van Spaaendonck. De firma Van Dooren installeerde in 1834 een tweede stoommachine, geleverd door de Luikse firma Desiré Tassin. In hetzelfde jaar volgde Pollet & Co. Eind 1836 telde Tilburg 12 stoommachines, dat was 17 procent van het totaal aantal stoommachines in Nederland.
In 1853 telde men in Tilburg 73 wollenstoffenfabrieken, waar in totaal 27 stoommachines stonden opgesteld. Het aantal fabrieken nam in de daaropvolgende jaren nog toe. In 1874 betrof het 142 fabrieken, waarvan er 55 een of meer stoommachines bezaten. Omstreeks 1880 waren er zefs 145 fabrieken en fabriekjes. De Nederlandsche Handel-Maatschappij beweerde in 1864 dan ook dat er tot het opzetten van een industriële onderneming weinig meer behoefd wordt dan een klein kapitaal, een geringe arbeidzaamheid en een oude meesterknecht. Men moet daarbij bedenken dat de 90 bedrijven zónder stoomkracht niet veel meer waren dan wevershuizen, waarin zelfs een rosmolen ontbrak. Na 1880 gingen de meeste kleinere bedrijfjes ter ziele, zowel door de politiek van vrijhandel als door de steeds grotere investeringen die nodig waren voor de steeds moderne machines. De grotere bedrijven daarentegen konden zich handhaven en uitbreiden. Aan de in de tweede helft van de 19e eeuw opgerichte wollenstoffenfabrieken zijn de namen verbonden van Aelen, De Beer, Van den Bergh, Berghegge, Blomjous, Bogaers, Brands, Dams, Deen, Diepen, Elias, Enneking, Eras, Franken, Goyarts, Houben, Jansen, Janssens, Krabbendam, Lombarts, Mommers, Mutsaerts, Pessers, De Rooy van Dijk, en Swagemakers. In 1871 bevond meer dan 75 procent van de Nederlandse wolindustrie zich in Tilburg, er waren 53 stoommachines en er werkten 4617 arbeiders. In 1856 verscheen het eerste machinale weefgetouw, en wel bij de firma Diepen. Het werd gebruikt voor de productie van flanel. De stad groeide snel, maar van een stad in de moderne zin was geen sprake: de herdgangen met hun fabrieken werden nog steeds afgewisseld door grote stukken open land. Als gevolg daarvan waren de leefomstandigheden van de arbeiders relatief gunstig te noemen.
Een bezwaar was de eenzijdigheid van de werkgelegenheid. Van 1880 tot 1890 bijvoorbeeld, gingen heel wat kleine bedrijfjes failliet, en ook in 1908 ging het slecht met de wollenstoffenindustrie. Van 1890 tot 1909 daalde het aantal thuiswevers van 1500 tot 344, terwijl er toen 5400 textielarbeiders waren. De laatste thuiswever was Frans van Geloven die bij de aanvang van de jaren 40 van de 20e eeuw, en op een leeftijd van meer dan 80 jaar, het handweversvak nog uitoefende.
Elektrificatie In de jaren 20 van de 20e eeuw werd de elektromotor op grote schaal ingevoerd, werd de stoommachine en de riemschijfoverbrenging afgeschaft en bleef de stoomketel slechts voor verwarmingsdoeleinden bestaan. Fabrieken werden nu gebouwd met uitgestrekte hallen en de overzichtelijkheid en veiligheid werd sterk verbeterd. In 1929 waren er 78 wolbedrijven in Nederland, waarvan 48 in Tilburg. Daar werkten ongeveer 7500 textielarbeiders. Door de economische crisis van de jaren 30 van de 20e eeuw verminderde het aantal fabrieken tot 38 en het aantal werkzame personen tot 4374. Na 1936 trad herstel in, echter werden nu vooral militaire goederen gevraagd. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog telde Tilburg 46 wolbedrijven.
De oorlog bracht de wolaanvoer vrijwel tot stilstand, maar de bezetter plaatste militaire orders. In het materiaal werd voorzien door rayon, welke in Arnhem werd geproduceerd door de Algemene Kunstzijde Unie. Na de bevrijding bleken de fabrieken weinig beschadigd, maar diverse machines waren weggehaald en de aanvoer van grondstoffen vormde een probleem. Volledig herstel van de aanvoer was in 1950 reeds een feit en dankzij het Marshallplan kwamen er ook moderne machines. In 1950 was nog 54% van de Nederlandse textielfabrieken in Tilburg gevestigd en er werkten 12.765 textielarbeiders, wat meer was dan van alle andere Tilburgse fabrieken bij elkaar. Dit was het grootste aantal ooit. In 1953 waren er 71 textielbedrijven, waarvan 44 wollenstoffenbedrijven. Uitbreidingen vonden plaats, de productie nam toe en bereikte in 1960 een maximum. Het aantal bedrijven was echter afgenomen tot 67 en het aantal arbeiders tot 12.625. De 40 wollenstoffenbedrijven hadden bijna 10.000 mensen in dienst.
Ondergang Na 1960 trad echter een kentering in. Het aantal arbeiders in de textielindustrie nam af via 10.700 in 1965 en 6.035 in 1970 tot slechts 2.010 personen in 1977. Het aantal wolbedrijven in Nederland nam af van 168 in 1957 tot 38 in 1977. Vooral in de jaren ná 1965 ging het snel bergafwaarts en sloot de ene fabriek na de andere. In 1974 werd besloten tot herstructurering van de Tilburgse wolindustrie. De Nederlandse Herstructureringsmaatschappij (Nehem), de Rijksoverheid en de Nationale Investeringsbank namen hieraan deel. Op 16 december 1974 werd de Stichting Wolcon opgericht en eveneens de houdstermaatschappij Sigmacon BV. Wollenstoffenfabrieken konden zich, na een doorlichting, aansluiten bij Sigmacon. De AaBe-fabrieken waren de eerste die, in maart 1975, toetraden. Eind 1975 wenste men in plaats van één, meerdere werkmaatschappijen, namelijk Spincon voor de spinnerijen en de Verenigde Wolwasserijen voor de betreffende branche.