Kelenken is een geslacht van uitgestorven vogels dat behoort tot de schrikvogels (Phorusrhacidae), een familie van vleesetende vogels die niet konden vliegen.
Kelenken leefde ongeveer 15,7 miljoen jaar geleden, tijdens het Mioceen, in het gebied van het huidige Argentinië. De vogel was waarschijnlijk een vleeseter die zijn prooi al rennend achterna zat en met de snavel doodde. Met een geschatte hoogte van ruim twee, misschien drie meter, Largest "Terror bird" fossil found in Argentina, National Geographic News, 25 oktober 2006 is Kelenken mogelijk het grootst bekende lid van de familie schrikvogels (Phorusrhacidae). Een andere kandidaat voor deze titel is de meer robuuste Brontornis.Kelenken guillermoi in The Paleobiology Database
Het geslacht is slechts bekend van een enkele vondst en wordt vooralsnog vertegenwoordigd door één soort: Kelenken guillermoi.
Ontdekking en naamgeving thumb|150px|left|kaart met (bij benadering) de locatie van het holotype In maart 1999 vonden de scholier Guillermo Oscar Aguirre-Zabala en een vriend van hem op ongeveer honderd meter van het treinstation van Comallo,; bron: (2007) een klein dorp in het zuidwesten van de provincie Río Negro in Argentinië, tussen twee huizen,Teen finds fossil skull of biggest bird known, , Pittsburgh Post-Gazette, 26 Oktober 2006 de fossiele resten van een vogel.Guillermo Aguirre-Zabala, minuut 6:40-7:05 in: D. Rehr (reg.), Terror Bird (2007) (2007), J. Vert. Paleontol. Zij hadden voordien al enkele fossielen gevonden en hadden het paleontologische museum van San Carlos de Bariloche gecontacteerd. Daar hadden ze geleerd rond het fossiel te graven en het te extraheren, wat ze dan ook deden.Guillermo Aguirre-Zabala, minuut 7:17-7:28 in: D. Rehr (reg.), Terror Bird (2007) Aguirre-Zabala en zijn vriend, die zelf een eerste preparatie hadden uitgevoerd, vervoerden het gevonden fossiel naar de stad Bariloche en leverden het af bij de paleontologische verzameling van het kleine plaatselijke museum, het Museo de la Patagonia. Daar bleef het vijf jaar onbestudeerd liggen,Guillermo Aguirre-Zabala, minuut 7:05-7:44 in: D. Rehr (reg.), Terror Bird (2007) totdat de Amerikaanse paleontoloog Luis Maria Chiappe over de vondst hoorde. Chiappe herkende de resten als die van een tot dan onbekende schrikvogel. Een team van het Museo Paleontológico Egidio Feruglio voltooide hierop de preparatie. Samen met twee andere specialisten, Sara Bertelli en Claudia Tambussi, zette Chiappe zich aan het werk om een beschrijving te maken. Het team vond het fossiele materiaal voldoende afwijkend van eerder beschreven soorten om plaatsing in een nieuw geslacht te rechtvaardigen.Guillermo Aguirre-Zabala, minuut 7:44-8:00 in: D. Rehr (reg.), Terror Bird (2007)
thumb|Het Museo de la Patagonia, waar het holotype van Kelenken vijf jaar onbestudeerd bleef liggen In 2007 publiceerden Bertelli, Chiappe en Tambussi een artikel in het Journal of Vertebrate Paleontology waarin ze het nieuwe geslacht beschreven en benoemden. Ze gaven de typesoort van dit nieuwe geslacht de wetenschappelijke naam Kelenken guillermoi. De geslachtsnaam is een verwijzing naar Kélenken, een schrikwekkende demon uit de mythologie van de Tehuelche, de oorspronkelijke inwoners van de streek waar de resten waren gevonden. De inheemse bevolking van Patagonië verbeeldde deze demon als een gigantische roofvogel. De soortaanduiding eert Guillermo Aguirre-Zabala als ontdekker van het holotype, het specimen waaraan de naam verbonden is.
Het holotype heeft het inventarisnummer BAR 3877-11. "BAR" staat hier voor Museo Asociación Paleontológica Bariloche, de vereniging die het specimen in haar collectie heeft. Het is opgegraven uit een dagzomende laag die waarschijnlijk deel uitmaakt van de Collón Curá Formation, een pyroclastische formatie die zich over een groter deel van de regio uitstrekt. De stratigrafie van dit gebied is slechts oppervlakkig bestudeerd. Welke lagen precies op welke locaties aan het oppervlak komen, is nog onvoldoende bekend. De ouderdom van de laag waarin Kelenken werd gevonden, is hierdoor ook niet met grote zekerheid vast te stellen, maar vergelijkingen van de fauna uit deze laag met die van andere gebieden en enkele radio-isotopische metingen maken een leeftijd van ongeveer 15,7 miljoen jaar aannemelijk. De laag dateert dan uit het middelste Mioceen.
De beschrijving van Kelenken is gebaseerd op het enige exemplaar waarvan fossiele resten zijn gevonden. De gevonden delen bestaan uit een vrijwel complete schedel zonder onderkaken, de hele tarsometatarsus — de bij vogels tot één bot vergroeide middenvoetsbeentjes — van de linkerpoot, de bovenste helft van een van de proximale falangen ofwel eerste teenkootjes, en enkele niet verder te identificeren botfragmenten.
Beschrijving Grootte thumb|Vergelijking tussen de hoogtes van Brontornis, Kelenken en een mens; men is hier uitgegaan van een hoogte van drie meter voor Kelenken thumb|Kelenken (in rood) vergeleken met een mens, andere bekende schrikvogels en de uitgestorven loopvogel Gastornis thumb|Kelenken, in het donkergroen, vergeleken met andere grote uitgestorven roofdieren Kelenken is vermoedelijk de grootste bekende schrikvogel. De exacte hoogte van het dier is echter onzeker: In populaire wetenschapsartikelen wordt de hoogte vaak vermeld als drie meter, maar Bertelli et al. vermelden dit getal nooit. Wel staat in de protoloog een reconstructie met daarnaast het silhouet van een mens ter vergelijking. Volgens deze tekening zou het hoofd van Kelenken op een hoogte gehouden zijn van iets meer dan twee meter. In het artikel Skull morphology of giant terror birds uit 2006 vermelden de auteurs dat Kelenken '10% groter dan de grootste voordien bekende schrikvogels (Brontornis burmeisteri en Phorusrhacos longissimus)' was. (2006), Nature De hoogte van Brontornis burgmeisteri was volgens Alvarenga & Hofling 2,8 meter, wat dan een hoogte van meer dan drie meter zou opleveren voor Kelenken.
Vooral de beenderen van de achterpoot zijn wegens hun niet al te variabele bouw geschikt voor een vergelijking in lichaamslengte. Van de linkerpoot is de volledige tarsometatarsus gevonden. Deze heeft een lengte van 43,7 cm, is in het midden 4,8 cm breed en meer dan negen centimeter breed aan de uiteinden.Tabel met de afmetingen van het holotype, (2007), J. Vert. Paleontol. Daarnaast werd de bovenste helft van een van de eerste teenkootjes gevonden. Dit fragment heeft een lengte van ongeveer zes centimeter.
Algemene bouw Alle vogels zijn theropode dinosauriërs. Kelenken was een vleesetende loopvogel waarvan de voorouders het vermogen tot vliegen weer hadden verloren. Door zijn toegenomen omvang begon het dier opnieuw zijn oude verwanten, zware landroofdieren als Allosaurus en Tyrannosaurus, in bouw te benaderen. Net als deze had hij een horizontale romp die een lange nek droeg, bekroond door een grote schedel. De voorpoten, die niet meer als vleugels konden dienen, waren klein geworden. Het lichaam werd gedragen door krachtige achterpoten. Maar er waren ook verschillen met de vroegere roofsauriërs. De lange staart was voorgoed in een stompje veranderd en de spieren die het dijbeen naar achteren trokken, zaten nu vast aan de achterzijde van het bekken. Ook de verloren tanden kwamen niet meer terug: de prooi moest uitgeschakeld worden door de grote snavel.
Onderscheidende kenmerken De auteurs van het beschrijvende artikel wisten een diagnose van negen kenmerken vast te stellen die Kelenken typeerden. In vier daarvan onderscheidt Kelenken zich van zijn directe verwanten. Zulke nieuwe afgeleide eigenschappen, ofwel autapomorfieën, vormen het bewijs dat het inderdaad om een aparte soort gaat.
De vier autapomorfieën van Kelenken zijn de volgende. Het is een grote phorusrhacide met een zeer lange snuit, langer dan die van Phorusrhacos longissimus Ameghino 1887. Boven de oogkas bevindt zich een verbening die past binnen een holte in een uitsteeksel, de processus postorbitalis. Het achterhoofdsgat heeft ongeveer de vorm van een driehoek. Op de hoek van de binnenste onderzijde van de buitenste cotyle van de tarsometatarsus bevindt zich een bult die minder naar boven uitsteekt dan de verheffing tussen de cotylen.
Daarnaast zijn er nog vijf kenmerken die op zich niet uniek zijn maar die wel een typerende combinatie vormen. De bovenste zijkanten van het beenvlak van het achterhoofd vormen vleugelvormige uitsteeksels met een stompe punt. Het jukbeen vormt een hoge en robuuste boog, groter dan die van Devincenzia pozzi Kraglievich 1931. De schacht van de tarsometatarsus heeft in het midden een ruwweg vierkante doorsnede die afwijkt van de rechthoekige doorsnede van de middenin zeer brede schacht bij de Brontornithinae. Het vierde middenvoetsbeen heeft een vierkante sleuf die afwijkt van de sleuf bij Devicenzia pozzi, die de vorm heeft van een staande rechthoek. Bij de tarsometatarsus staat de opening voor het onderste aderkanaal ongeveer op de middenlijn gevormd door de lengteas.
Skelet thumb|Skeletreconstructie van Kelenken Schedel thumb|500px|Schets van de gevonden schedel; gearceerde stukken ontbreken bij het fossiel. De zware jukboog, linksonder, is bij het specimen naar boven geschoven tot over de onderzijde van de oogkas thumb|500px|Schets van de linkerkant van de schedel Omdat voorlopig slechts een goed geconserveerde schedel en voetbeenderen bekend zijn, gaat een groot deel van de beschrijving over de kenmerken van de schedel. Deze was bij het schrijven van de protoloog de best geconserveerde schedel van een grote schrikvogel, met een schedel langer dan zestig centimeter, ooit gevonden, hoewel hij van boven naar beneden wat is samengedrukt als gevolg van geologische processen. De belangrijkste elementen die ontbreken zijn beenderen van de achterste onderkant.
De schedel is 71,6 centimeter lang. Daarmee heeft Kelenken, als we de hoornschacht van de bovensnavel niet meetellen, de langste schedel van alle bekende vogels, zowel levend als uitgestorven. De schedel is van bovenaf bezien driehoekig in vorm, met een lange voorste punt en een brede achterkant, 225 millimeter wijd. Hij is langgerekter dan die van andere schrikvogels. Meer dan de helft ervan wordt gevormd door het rostrum, de benige delen van de schedel die bij het levende dier bedekt waren door de hoornen bovensnavel. Gemeten tussen de snavelpunt en de neusgaten beslaat de snuit 56% van de totale schedellengte en dat percentage ligt hoger dan bij elke andere bekende vogel, inclusief de verwant Phorusrhacos longissimus. De snuit is in absolute zin hoog, maar relatief minder hoog dan die van Patagornis, Andrewsornis en Andalgalornis. De schedel als geheel is namelijk, ook als we compenseren voor de samendrukking, nogal afgeplat; dat geldt vooral voor het achterste gedeelte. De bouw van de schedel is zeer robuust.