Dryptosaurus is een geslacht van uitgestorven theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Tyrannosauroidea, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het oosten van het huidige Noord-Amerika en een deel van Europa.

Vondst en naamgeving Oorspronkelijke ontdekking In 1866 ontdekten steenhouwers bij Barnsboro, Gloucester County, in New Jersey, onder leiding van J.C. Voorhees, in een steengroeve van de West Jersey Marl Company een onvolledig skelet. Het werd gevonden in een laag van de Upper New Egypt-formatie die stamt uit het middelste Maastrichtien, ongeveer 68 miljoen jaar oud. Edward Drinker Cope, die de resten in augustus 1866 uit de groeve meenam, beschreef het fossiel die maand als holotype ANSP 9995 en noemde het dier Laelaps naar de hond uit de Griekse mythologie die altijd ving waarop hij joeg. Cope besteedde veel aandacht aan Laelaps, indertijd de meest complete vondst van een theropode uit het Mesozoïcum van Noord-Amerika, en bracht het dier in verband met de oorsprong van de vogels, waarbij hij wees op het feit dat de voorpoten veel kleiner waren dan de achterpoten en het dus een tweevoeter betrof.

Naamsverandering thumb|Twee vechtende exemplaren van Dryptosaurus, zoals voorgesteld door Charles Knight in zijn olieverfschets "Fighting Laelaps" uit 1897 Later werd ontdekt dat de naam Laelaps in 1836 door Carl Ludwig Koch al was gegeven aan een soort mijt en Copes aartsrivaal Othniel Charles Marsh hernoemde het dier tot Dryptosaurus in 1877. De geslachtsnaam is afgeleid van het Griekse δρύπτω, dryptoo, 'verscheuren', een verwijzing naar de verscheurende klauwen, en sauros, 'hagedis', hier als een aanduiding voor een sauriër in het algemeen. De typesoort is Laelaps aquilunguis, hernoemd tot Dryptosaurus aquilunguis. De soortaanduiding betekent 'adelaarsklauw' vanuit het Latijn aquila, 'arend', en unguis, 'klauw', en verwijst naar de handklauwen die door Cope per abuis voor voetklauwen werden aangezien en dan een voor basale theropoden afwijkend sterke kromming zouden hebben gehad die doet denken aan de voetklauwen van roofvogels. Er is wel verondersteld dat Marsh er speciaal op gebeten was de naam Laelaps te vervangen om zo zijn eigen Allosaurus de status van best bekende theropode te laten overnemen. Als dat inderdaad in de bedoeling lag, mislukte deze opzet echter voorlopig: Laelaps bleef tot ver in de twintigste eeuw een zeer bekende naam, die tot de komst van Tyrannosaurus rex als standaardvoorbeeld voor een grote roofsauriër gebruikt werd. Daarbij werd steeds de nadruk gelegd op zijn actieve levenswijze, als springende vorm. Een befaamde uiting daarvan is een schilderij uit 1897 van Charles Knight, waarvoor Cope zelf nog aanwijzingen gaf, waarop twee individuen in een wild gevecht verwikkeld zijn.

Holotype Het holotype bestaat uit: een stuk rechterbovenkaak met tand; delen van een rechteronderkaak; losse tanden; elf middelste en achterste staartwervels; de opperarmbeenderen, drie vingerkootjes van de linkerhand waaronder een lange klauw; de schachten van de schaambeenderen; een gedeeltelijk rechterzitbeen; een linkerdijbeen; een linkerscheenbeen; een gedeeltelijk linkerkuitbeen; de onderkant van een sprongbeen en de schacht van een derde middenvoetsbeen. Enkele sacrale wervels waarvan Cope dacht dat ze ook tot het specimen behoorden, bleken later ruggenwervels van de zeeschildpad Pneumatoarthrus pelorus te zijn. Cope beschreef en illustreerde ook een schouderblad, een borstbeen en vier chevrons maar die zijn later zoekgeraakt. Gezien de mate van vergroeiing van de wervelbogen met de wervellichamen gaat het om een volwassen individu. Het materiaal is tegenwoordig in een slechte conditie, zowel door breuken en gebrekkige reparaties als door de zogenaamde 'pyrietziekte' waarbij pyriet in de beenderen door blootstelling aan de lucht in stoffen met een groter volume wordt omgezet waardoor het bot uitzet en verkruimelt. Afgietsels uit de negentiende eeuw hebben ten dele een beter detail bewaard. left|thumb|350px|Diagram met in omber de gevonden botten van Dryptosaurus aquilunguis In 1997 werd in het kader van een nieuwe beschrijving door Kenneth Carpenter specimen AMNH FARB 2438 aan de soort toegewezen, een linker vierde middenvoetsbeen dat vermoedelijk van het exemplaar van de oorspronkelijke vondst afkomstig is. In 2011 werden de resten zeer uitgebreid beschreven door Stephen Brusatte en Mark Norrel.

"Vuilnisbak" Toen het geslacht nog bekend was als Laelaps werd het door Cope gebruikt als een soort van vuilnisbak voor een tiental slecht bekende theropodensoorten. Alle negen daarvan buiten de typesoort werden, meestal door Oliver Perry Hay in 1902 en in één geval door George Olshevsky in 1991, ook hernoemd naar Dryptosaurus. Zo ontstonden naast Dryptosaurus aquilunguis ook een Dryptosaurus cristatus, Dryptosaurus explanatus, Dryptosaurus falculus, Dryptosaurus gallicus, Dryptosaurus hazenianus, Dryptosaurus incrassatus, Dryptosaurus laevifrons, Dryptosaurus macropus en een Dryptosaurus trihedrodon. Bijna al deze soorten werden later toegewezen aan andere geslachten. Vandaag bestaat er nog maar één potentieel valide tweede soort: D. macropus, bekend van een achterpoot. De soort werd oorspronkelijk beschreven als Coelosaurus (tegenwoordig Ornithomimus), maar later meende Cope dat het een aparte soort van Laelaps betrof (en dus van Dryptosaurus). Hoewel de meeste paleontologen sindsdien het exemplaar aan Ornithomimus toewezen, werd de soort in 2004 door Thomas R. Holtz erkend als een waarschijnlijke geldige tweede soort van Dryptosaurus. In 2017 werd het benoemd als het aparte geslacht Teihivenator.

Nieuwe soorten Ook behalve de soorten die eerst onder Laelaps waren benoemd, zijn er nog andere dryptosaurussoorten geschapen. Dat betreft: Dryptosaurus kenabekides Hay 1899, benoemd op basis van de maxillaire en dentaire tanden uit het oorspronkelijke typemateriaal van Deinodon en vernoemd naar een mythische indiaanse draak, de Kenabeek; Dryptosaurus medius (Gilmore 1920), een andere naam voor Allosaurus medius; Dryptosaurus potens (Lull 1911) Gilmore 1920, een theropode van onduidelijke verwantschap uit het vroege Krijt; het ondergeslacht Megalosaurus (Dryptosaurus) saharicus (Depéret & Savornin 1925) Depéret & Savornin 1927, dat later hernoemd zou worden tot Carcharodontosaurus, Dryptosaurus superbus (Sauvage 1882) Depéret & Savornin 1928, een andere naam voor Erectopus superbus, Dryptosaurus crenatissimus (Depéret 1896) Depéret & Savornin 1928, tegenwoordig het aparte geslacht Majungasaurus en Dryptosaurus sarcophagus (Osborn 1905) Kuhn 1989, een andere naam voor Albertosaurus sarcophagus. Deze zes soorten worden tegenwoordig alle niet als geldige dryptosaurussoorten gezien.

Soortenlijst De ingewikkelde naamgevingsgeschiedenis kan worden samengevat in een soortenlijst.

Dryptosaurus aquilunguis (Cope 1866) Marsh 1877: typesoort, = Laelaps aquilunguis Cope 1866, = Megalosaurus aquilunguis (Cope 1866) Osborn 1898 Dryptosaurus gallicus (Cope 1867) Olshevsky 1991: jonger synoniem van Streptospondylus rostromajor Owen 1842, = Laelaps gallicus Cope 1867= Poekilopleuron gallicum (Cope 1867) Cope 1869 Dryptosaurus macropus (Cope 1868) Hay 1902: wellicht valide soort, = Coelosaurus antiquus Leidy 1865 partim, = Laelaps macropus Cope 1868, = Teihivenator Yun 2017 Dryptosaurus incrassatus (Cope 1876) Hay 1902: nomen dubium, = Laelaps incrassatus Cope 1876, = Deinodon incrassatus (Cope 1876) Osborn 1902, = Albertosaurus incrassatus (Cope 1876) Huene 1932 Dryptosaurus explanatus (Cope 1876) Hay 1902: nomen dubium, = Laelaps explanatus Cope 1876, = Deinodon explanatus (Cope 1876) Lambe 1902, = Aublysodon explanatus (Cope 1876) Hatcher 1903, = Dromaeosaurus explanatus (Cope 1876) Kuhn 1939, = Paronychodon explanatus (Cope 1876) Olshevsky 1995 Dryptosaurus falculus (Cope 1876) Hay 1902: nomen dubium, = Laelaps falculus Cope 1876, = Deinodon falculus (Cope 1876) Osborn 1902, = Dromaeosaurus falculus (Cope 1876) Olshevsky 1978 Dryptosaurus hazenianus (Cope 1877) Hay 1902: nomen dubium, = Laelaps hazenianus Cope 1876, = Deinodon hazenianus (Cope 1876) Osborn 1902 Dryptosaurus laevifrons (Cope 1876) Hay 1902: nomen dubium, = Laelaps laevifrons Cope 1876, = Deinodon laevifrons (Cope 1876) Osborn 1902, = Dromaeosaurus laevifrons (Cope 1876) Matthew & Brown 1922 Dryptosaurus cristatus (Cope 1876) Hay 1902: nomen dubium, = Laelaps cristatus Cope 1876, = Deinodon cristatus (Cope 1876) Osborn 1902 non (Marsh 1892) Hay 1902, = Dromaeosaurus cristatus (Cope 1876) Matthew & Brown 1922, = Troodon cristatus (Cope 1876) Olshevsky 1995 Dryptosaurus trihedrodon (Cope 1877) Hay 1902: nomen dubium, = Laelaps trihedrodon Cope 1877, = Creosaurus trigonodon (Cope 1877) Osborn 1931 (sic), = Antrodemus trihedrodon (Cope 1877) Kuhn 1939, = Allosaurus trihedrodon (Cope 1877) Glut 1997, = Hypsirophus trihedrodon (Cope 1877) Cope vide Chure 2001 Dryptosaurus kenabekides Hay 1899: nomen dubium, = Deinodon kenabekides (Hay 1899) Olshevsky 1995 Dryptosaurus medius (Marsh 1888) Gilmore 1920: nomen dubium, wellicht ouder synoniem van Acrocanthosaurus, = Allosaurus medius Marsh 1888 Dryptosaurus superbus (Sauvage 1882) Depéret & Savornin 1928: = Erectopus superbus (Sauvage 1882) Huene 1923, = Megalosaurus superbus Sauvage 1882 Dryptosaurus crenatissimus (Depéret 1896) Depéret & Savornin 1928: = Majungasaurus crenatissimus, = Megalosaurus crenatissimus Depéret 1896, = Majungatholus atopus Sues & Taquet 1979 Dryptosaurus sarcophagus (Osborn 1905) Kuhn 1989: = Albertosaurus sarcophagus Osborn 1905

Beschrijving Algemene bouw, grootte en onderscheidende kenmerken thumb|Dryptosaurus in grootte vergeleken met een mens Vanwege de beperkte resten is de precieze grootte van Dryptosaurus aquilunguis lastig vast te stellen. Volgens een schatting van Michael Mortimer uit 2010 werd het dier 6,4 meter lang en woog ongeveer 750 kilogram. Gregory S. Paul gaf hetzelfde jaar een lengte van zevenenhalve meter en een gewicht van anderhalve ton. Dryptosaurus had, afgaande op de dijbeenlengte van achtenzeventig centimeter en een lengte van het scheenbeen van 759 millimeter, een heuphoogte van ongeveer 1,8 meter. Net als de verwante Eotyrannus bezat hij relatief lange armen: het opperarmbeen was ongeveer negenentwintig centimeter lang. Het aantal vingers aan elke hand is onbekend; vaak wordt aangenomen dat het er drie waren. De twee zekere vingers droegen de lange klauwen waarvan de soortaanduiding is afgeleid: de bewaard gebleven duimklauw had een buitenomtrek van 242 millimeter.