thumb|Portret, geschilderd op Bali door een Chinees kunstenaar thumb|Handtekening Mads Johansen Lange, bijgenaamd de koning van Bali, (Rudkøbing (Denemarken), 18 september 1807 - Kuta (Bali, Nederlands-Indië), 13 mei 1856), was een Deense handelaar, vredestichter op Bali, ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en ontvanger van de Deense Gouden Medaille van Verdienste. Hij stamde uit een oude koopmansfamilie op Langeland. Zijn vader was Lorents Lange PedersenIn sommige bronnen wordt hij genoemd als Lorentz, met een z in plaats van een s., een koopman, en zijn moeder was Maren Lange, een koopmansdochter.Rasmussen, 2007, p. 20.
Lange maakte al snel een reis naar het Verre Oosten en vestigde zich op Bali. Hier bouwde hij in Kuta een bloeiende handelsonderneming op, die zich vooral bezighield met de uitvoer van rijst, specerijen en rundvlees, en met de invoer van wapens en textiel. Hij stond op goede voet met zowel de lokale Balinese vorsten (radja's) als de Nederlandse kolonisten. In de jaren 1840 trad hij met groot succes op als intermediair tussen de Nederlanders en de radja's.
In de tijd waarin hij in het buitenland vertoefde, bleef Lange contact houden met zijn vaderland. Hij zond kunstvoorwerpen en geld naar Denemarken. Op 48-jarige leeftijd overleed hij, mogelijk door vergiftiging. Het succes van zijn bedrijf was op dat moment al sterk afgenomen. Zijn broer en neef probeerden het tij nog te keren, maar moesten zich al snel gewonnen geven. De restanten verkochten zij aan een Chinese koopman. Lange had drie kinderen bij lokale vrouwen. Er bestaan nog steeds afstammelingen van Lange, onder wie de sultans van Johor.
Kindertijd Lange werd geboren in Rudkøbing op 18 september 1807 als tweede zoon van Lorents Lange en Maren Hansen. Hij had één zus en tien broers, waarvan er drie halfbroers waren uit het eerste huwelijk van zijn moeder. De jongste broer van Lange stierf op zesjarige leeftijd. Meer is er niet bekend over de kinderjaren van Mads.Rasmussen, 2007, p. 36.
Voorouders Vader Lorents Lange Pedersen was de zoon van meestermetselaar Peder Frandsen Knudsøn en Johanne Margarethe Lorentzdochter Lange. Als enige van zijn negen broers en zussen droeg hij zijn moeders achternaam Lorents als doopnaam. Alhoewel het idee was dat het een middelste naam zou zijn, werd het in de praktijk zijn achternaam en hierdoor leefde de familienaam van zijn moeder voort. Lorents was een van de drie kinderen die de kindertijd overleefden en de enige jongen in die groep.
Moeder Maren Hansen was in 1799 getrouwd met Mads Andresen, met wie zij drie zonen kreeg. Andresen overleed al in 1805 en later dat jaar trouwde zij met Lorents Lange. Ze had een taveerne en een winkel geërfd. Lorents nam deze bedrijven over en zette ze voort, hoewel hij eigenlijk geleerd had voor bouwmeester.
Lorents Lange was lid van de militie van Langeland en heeft indirect meegedaan in de napoleontische oorlogen. In de periode 1812-1813 waren er bij hem tussen de één en vier Spaanse soldaten ingekwartierd. Hij kreeg hiervoor 4 florijnen per maand. Het betekende echter wel dat het huis van de familie nu 14 à 15 personen herbergde en dit zal zeker een factor zijn geweest die geleid heeft tot de aankoop van een pand aan de Østergade 12-14 in 1816. Lorents Lange begon in 1822 ook een transportbedrijf, met een postkoets met twee paarden, niet ongewoon voor kooplieden in die tijd. In diezelfde tijd was de neef van Lorents de opzichter van de veerdiensten, wat ongetwijfeld heel goed van pas kwam voor het transportbedrijf. Lorents overleed in 1828 en Maren hertrouwde met Mads Hansen, een fokker van beroep.
Carrière op zee Lange trok al naar zee op 14-jarige leeftijd. Drie jaar later, in 1824, werkte hij aan boord van het schip Norden (Het Noorden), waar hij de eerste stuurman, later kapitein, John Burd ontmoette. Zij voeren jarenlang samen, onder meer naar de Deense handelspost Tranquebar, het huidige Tharangambadi. In 1833 keerden zij terug naar Denemarken en Mads greep deze gelegenheid aan om zijn ouderlijk huis te bezoeken. Hij bleef enige tijd in Denemarken en werd geteld in de volkstelling van februari 1834.
Ondertussen verkocht Burd het schip Norden in Hamburg. Na een tijdje kochten zij het schip Syden (Het Zuiden) waarmee zij richting India en China voeren. Burd was kapitein en Lange was eerste stuurman. Met hen mee voeren drie broers van Mads: Hans, Carl Emil en Hans Henrik, respectievelijk 20, 18 en 14 jaar oud. Geen van de vier broers zou ooit hun vaderland terugzien.Rasmussen, 2007, p. 60.
Vestiging in het Oosten Lombok In 1835 streek Mads neer op het eiland Lombok, ten oosten van Bali en Java, omdat er een levendig handelsverkeer was. Het eiland bevatte twee staatjes, Karangasem Lombok en Mataram. Het eerste was het grootste. De radja's van deze staat verleenden Lange tegen een jaarlijkse betaling toestemming om handel te drijven vanuit de havenstad Tanjungkarang. Hier bouwde Mads al snel zijn florerende onderneming op. Hij exporteerde koffie, rijst, specerijen en groene tabak. De import van textiel en wapens konden gemakkelijk aan de lokale, oorlogszuchtige stammen verkocht worden.Rasmussen, 2007, p. 61.
In 1839 braken er steeds vaker gevechten uit tussen de beide staatjes. Gecombineerd met pogingen van Nederland om het eiland te koloniseren, leidde dat ertoe dat Lange Lombok moest verlaten. De radja die hem steun had verleend werd namelijk verslagen en Mads moest halsoverkop in zijn kleine schoener Venus naar Bali vluchten.Rasmussen, 2007, p. 62.
Bali thumb|Poort van de factorij, schilderij ca. 1845 Lange moest nu op Bali opnieuw beginnen. Hij vestigde zich in het zuiden van het eiland, in de buurt van de stad Kuta. De stad lag op een smalle landtong, met de mogelijkheid goederen aan zowel de oostkant als de westkant uit te laden. In verband met de wisselvallige moessonwinden kwam dit erg goed van pas.
Vier factoren droegen bij aan het gemak waarmee Lange zich succesvol kon vestigen op Bali. Ten eerste had hij jaren gehandeld met Bali, en daarom kende hij de mogelijkheden die het eiland bood. Ten tweede had hij goede banden met de Balinese radja's. Hij was zelfs uitgenodigd door de radja Kesiman in Badung om zich te vestigen op het eiland. Dit betekende dat hij bescherming genoot en goedkope arbeid kon regelen. Ten derde leed de bevolking onder een economische depressie, nadat de oorlog met Java de export van slaven onmogelijk had gemaakt. Ten vierde was er een rijsttekort in Azië. Bali bezat de mogelijkheden om hierop in te springen, omdat de bevolking bestond uit goed geoefende rijstboeren. Het klimaat stond toe dat er wel drie keer per jaar geoogst kon worden.Nielsen, 1949, p. 41.
Lange bouwde zijn factorij in Kuta en breidde die langzaam uit met woonhuizen en opslagplaatsen. Wolter Robert van Hoëvell bezocht Bali en Lange en gaf een beschrijving van de factorij.Nielsen, 1949, p. 56.
thumb|Factorij-woning met Mads Lange achteraan in het midden. Schilderij, ca. 1845 Lange stond op goede voet met de Balinezen en binnen een paar jaar had hij een bloeiend bedrijf opgezet met ongeveer 15 schepen, dat een levendige handel dreef in verschillende havens in Oost-Indië, West-Indië en Europa. Zijn broers hielpen hem in de factorij en voeren soms ook op de schepen, wanneer er veeleisende handelsmissies waren. Dankzij piraten en tropische weersomstandigheden waren zulke reizen niet geheel zonder gevaar. Twee van Mads' broers, Hans Henrik en Carl Emil, stierven tijdens dit soort reizen. Carl Emil zelfs voor de ogen van Mads, toen de roeiboot waarin hij zat plotseling kapseisde.Nielsen, 1949, p. 48.Rasmussen, 2007, p. 37.
Langes carrière als koopman steeg gedurende de jaren 1840 tot grote hoogten. In het midden van die periode kon zijn vloot van 15 schepen rond de 800 à 1500 ton vracht vervoeren. Veel van de schepen waren nieuw gebouwd, waarschijnlijk in Singapore, een stad die Mads vaak bezocht. Kokosolie werd in Singapore in grote hoeveelheden verkocht, met winsten van 200 à 300%. Daarom liet Mads ook een oliemolen in zijn geheel uit Europa importeren. Dit was een dure operatie, maar de kosten zouden binnen een paar jaar zijn terugverdiend. Rijst bleef goedkoop aangeboden worden in kranten in Singapore, Australië en China.Nielsen, 1949, p. 69.Nielsen, 1949, p. 128.
Voornamelijk Franse schepen kwamen naar Kuta om handelswaar in te laden, met name runderen, pony's, varkens en gevogelte. Vaak kwamen de Balinezen naar het strand met veel meer vee dan de schepen konden vervoeren. Hier kwam Lange dan bij kijken, want hij kocht het vlees dat overbleef, met name de runderen, omdat dit populair voedsel was. Hij dreef op het strand een soort van slachthuis waar men snel koeien kon laten slachten. Gedroogde biefstuk, bekend als "ding-ding", werd naar de Nederlandse troepen op Java gestuurd.Andresen, 1992, p. 26.Nielsen, 1949, p. 85.
In die tijd had de factorij van Lange handelsbelangen van een miljoen gulden, specifiek gericht op de handel met Java. Zijn succes was voornamelijk te danken aan zijn vermogen om persoonlijke banden aan te gaan, met name met de lokale radja's. De Nederlanders, die ook probeerden handel op te zetten in Bali, hadden minder succes en in mei 1844 benoemden de Nederlandse autoriteiten Lange tot hun agent op Bali, met het recht om de Nederlandse vlag te voeren. Van toen af werkte Mads niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de Nederlandse autoriteiten, die profiteerden van zijn samenwerking.
Vredestichter Vanaf het midden van de jaren 1840 probeerden de Nederlanders opnieuw de macht over Bali en de daar gevestigde radja's te krijgen. In juli 1846 stuurden zij een troepenmacht naar het eiland, de eerste expeditie naar Bali. Hun doel was de in het noorden gelegen stad Buleleng. Zij stelden in een ultimatum dat binnen drie dagen aan hun eisen voldaan moest worden. Toen dit niet gebeurde, gingen de Nederlanders op 28 juni aan wal en openden de aanval op de stad, die werd veroverd en verbrand. De volgende dag trokken de troepen richting de residentie Singaradja. Die werd zonder veel weerstand ingenomen, omdat de Balinezen het binnenland introkken, richting het fort Djagaraga. De Nederlanders maakten bij hun aanval gebruik van hun vloot, waarvan de commandant een aanval op het binnenland niet steunde. Hier kwam Lange in beeld. Hij bood aan voor onderhandelingen naar de radja's van Buleleng en Karangasem te gaan. De besprekingen waren een succes en op 9 juli werden de vredesvoorwaarden van kracht. De radja's zouden een schadevergoeding betalen en tot die tijd zouden de Nederlanders een kleine bezettingsmacht op het eiland houden.
Toen de radja's niet alle beloften uit de vredesovereenkomst van 1846 nakwamen, zonden de Nederlanders begin 1848 een nog veel grotere vloot en troepenmacht naar noordelijk Bali, de tweede Bali-expeditie. Lange wist de staatjes Tabanan en Badung neutraal te houden, maar de rest van de Balinese strijdkrachten verzamelde zich bij Djagaraga, waar zij in 1846 hun toevlucht hadden gezocht. Terwijl de Nederlanders hun campagne voorbereidden, legden zij een blokkade rond de kusten van Bali, die zeer veel schade berokkende aan de handel. Djagaraga lag diep in het binnenland, zodat een aanval zonder steun van de vloot moest plaatsvinden. In eerste instantie ging alles goed, maar toen de Nederlandse troepen de Bulelengse rijksbestuurder Gusti Ketut Jelantik ontmoetten, die zich met zijn schutters ingegraven had, werden ze tegengehouden. Toen bleek dat de Nederlandse bevoorrading niet op orde was, onder meer omdat er niet genoeg koelies waren om alles te dragen. Doordat de Balinezen vanuit de dorpen begonnen aan te vallen, werden zij gedwongen zich haastje-repje terug te trekken.Nielsen, 1949, p. 101.