thumb|Het bombardement op een kaart die de Haagse bebouwing van 1940 weergeeft. Het bombardement op het Bezuidenhout was een geallieerd vergissingsbombardement op de woonwijk Bezuidenhout in Den Haag. Het vond plaats aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Op zaterdag 3 maart 1945 in de vroege ochtend vertrokken 61 middelzware Engelse bommenwerpers (49 Mitchells en 12 Bostons) van Melsbroek bij Brussel en van Vitry-en-Artois in Noord-Frankrijk, om enkele V2-gerelateerde doelen in Den Haag te vernietigen. In totaal bereikten 56 bommenwerpers het doelwit; de overige toestellen moesten door kleine technische problemen voortijdig omkeren. Het doel was het Haagse Bos (oudste bos van Nederland), dat de Duitse raketeenheden al enige tijd gebruikten om hun V2-raketten op te slaan en eraan te werken, voordat ze werden gelanceerd.
De eerste bommenwerpers arriveerden om acht minuten over negen boven Den Haag. Door een fout in de opdracht die de vliegers hadden meegekregen, gooiden ze hun bommen echter niet boven het Haagse Bos uit. In plaats daarvan vielen de bommen in de woonwijk het Bezuidenhout (ten zuiden van het Haagse Bos), maar ook op bijvoorbeeld het Korte Voorhout. Op de plek waar toen een hotel stond, zou na de oorlog de Amerikaanse ambassade worden gebouwd. De Franse ambassade ernaast werd ook getroffen en is op dezelfde plek weer opgebouwd (en later verhuisd). De grootste concentratie viel echter midden in het Bezuidenhout, hemelsbreed zo'n 1,2 km van de twee richtpunten in het Haagse Bos.
De Haagse bevolking werd zwaar getroffen door het bombardement: ruim 550 mensen stierven, onder wie de bekende dichter-zanger J.H. Speenhoff. Ruim 250 mensen werden zwaargewond. Duizenden mensen werden dakloos, veel meer dan eigenlijk nodig was geweest. Doordat er zeer weinig brandblusmiddelen waren (weinig benzine, veel brandweerwagens geroofd door de bezetter, weinig brandweerlieden omdat die de Arbeitseinsatz vreesden) en de hulpdiensten geen ervaring hadden met de bestrijding van dit soort grote branden, gingen er veel meer huizen in vlammen op dan het bombardement had veroorzaakt. In totaal werd 67.000 kg aan brisantbommen uitgeworpen boven de Haagse wijk.
Het bombardement van 3 maart 1945 miniatuur|Ontploffingen in het Bezuidenhout, gezien vanuit Voorburg, vermoedelijk vanaf de Staringkade. Achter de spoordijk de Schenkkade hoek Laan van Nieuw Oost-Indië (Coll. Haags Gemeentearchief)
Op 2 maart 1945 waren Fighter Command en 2nd TAF het eens geworden over de te volgen procedures. Fighter Command zou de doelenlijst verschaffen en alle benodigde gegevens overhandigen aan 2nd TAF. Voor de rest kon 2nd TAF zelf bepalen waarmee, hoe en wanneer zij de aanval zouden uitvoeren. De resultaten van hun aanval zouden ze zelf verzamelen en doorgeven aan Fighter Command. Het doel met de hoogste prioriteit was nog steeds het Haagse Bos. Dit doel was ook het enige dat door middelzware bommenwerpers zou kunnen worden aangevallen; doordat de bommen werden afgeworpen van drie à vier kilometer hoogte zouden ze altijd verspreid worden over een groot oppervlak. Bepaalde doelen zouden dus nooit door middelzware bommenwerpers aangevallen kunnen worden, omdat de Nederlandse burgerbevolking te dicht bij deze doelen woonde. miniatuur|Dikke rookpluimen boven Bezuidenhout (rookpluim in de verte) en Korte Voorhout (dichtstbijzijnde rookpluim), na het bombardement op zaterdag 3 maart 1945, gezien vanaf de toren van de Sint-Jacobus de Meerderekerk in de Parkstraat met de huizen aan het Lange Voorhout op de voorgrond.
Diezelfde 2 maart werd in Brussel, op het hoofdkwartier van 2nd TAF, bevel gegeven aan 2 Group om de aanval uit te voeren. Het hoofdkwartier van 2 Group maakte aanvalsorder AO 717. De aanval werd uitgevoerd door vijf squadrons van 2 Group, te weten 98, 180, 226, 320 en 342. Deze vijf squadrons vormden twee eskaders: 137 Wing, dat bestond uit 226 en 342 Squadron en was gestationeerd op de Noord-Franse vliegbasis Vitry-en-Artois. Het andere eskader was 139 Wing, dat lag op de Belgische vliegbasis Melsbroek, bij Brussel, en bestond uit 98, 180 en 320 Squadron. De bommenwerpers waren verdeeld in vier aanvalsgolven, die vlak na elkaar boven het Haagse Bos zouden moeten arriveren. Daarin waren twee richtpunten gemaakt op de Leidsche Straatweg, een ter linkerzijde van de Laan van Nieuw Oost-Indië, aan de Haagse kant. Dit linker richtpunt was het doel voor het overgrote deel van 139 Wing, het zou om 09:00 moeten worden aangevallen. Het andere richtpunt lag ter rechterzijde van de Laan van Nieuw Oost-Indië, aan de Wassenaarse kant. Dit rechter richtpunt was het doel voor de andere drie aanvalsgolven van 137 Wing en de zes overgebleven toestellen van de andere Wing (139). Zij zouden dit rechter richtpunt moeten aanvallen om 09:05, 09:10 en 09:15 uur.
De informatie die 2 Group van het hoofdkwartier van 2nd TAF had gekregen was echter niet volledig en onjuist. Het doel was niet goed omschreven en er werd niet exact aangegeven welke wijken bewoond waren en welke niet. Dat er in aanvalsorder AO 717 over het richten van de bommen werd gesproken van "visueel richten, te controleren door Gee-H" zorgde ook voor verwarring. Gee-H was een radarrichtmiddel, te gebruiken om de bommen bij bewolkt weer te kunnen richten. De tijdsdruk die 2 Group werd opgelegd door 2nd TAF heeft waarschijnlijk ook een rol gespeeld.
Bombarderen met Gee-H door een wolkendek was onnauwkeuriger dan visueel bombarderen bij goed zicht. De Nederlandse vliegers Witholt, Loeff en Sjerp twijfelden of er bij de aanval op het Haagse Bos, dat 2 Group voor het eerst aanviel, wel voldaan kon worden aan de veiligheidseisen. Waarschijnlijk is het Witholt geweest die Embry hiervoor waarschuwde, vooral ook omdat Witholt wist dat het Bezuidenhout niet was geëvacueerd. Embry heeft nog een poging ondernomen om hierover zekerheid te krijgen. Laat op de vrijdagavond telefoneerde Embry hierover met het hoofdkwartier van 2nd TAF, maar daar wisten ze het ook niet. Om kort te gaan: er werd contact opgenomen met 2nd TAF, vandaar met het hoofdkwartier van Fighter Command, en vandaar met het ministerie voor Luchtvaart. Vanuit het ministerie werd er getelefoneerd met Fighter Command, dat weer 2nd TAF op de hoogte bracht, en zo kreeg 2 Group alsnog zijn informatie. De cirkel was rond, maar er was een fout in de informatieoverdracht geslopen: namelijk dat er rond het Haagse Bos niemand meer zou wonen, en dat er dus aan de veiligheidsmarges werd voldaan.
Ook in dit opzicht was 2nd TAF verantwoordelijk voor de foutieve informatie aan 2 Group. Ook het feit dat 2nd TAF niet toestond dat er directe communicatie plaatsvond tussen 2 Group en Fighter Command kan hebben bijgedragen aan de gebeurtenissen van 3 maart 1945. Verder is het zeer waarschijnlijk dat de vertegenwoordigers van Fighter Command aan die van 2nd TAF goed hebben uitgelegd welke gebieden bewoond waren en welke niet. Naderhand kon Hill, de bevelhebber van Fighter Command, Moolenburgh, de Nederlandse liaisonofficier, ervan overtuigen dat 'zijn' luchtmacht wel de juiste doelinformatie en inlichtingen gebruikte. Moolenburgh had al lang vóór de ramp van 3 maart geklaagd over Coninghams 2nd TAF. Uit de rapporten van de aanvalsvluchten van 2nd TAF boven Nederland kon Moolenburgh weinig opmaken. De fouten die 2nd TAF in het verleden had gemaakt, werden niet doorgegeven aan het ministerie voor Luchtvaart. Een week na de gebeurtenissen van 3 maart schreef hij dat er steeds meer klachten kwamen over 2nd TAF, dat ze allerlei particuliere eigendommen beschadigden en dat de eigenlijke doelwitten gespaard bleven. Moolenburgh wist toen nog niet dat het de toestellen van 2nd TAF waren geweest, die het Bezuidenhout hadden verwoest.
Op Vitry werden ten slotte de coördinaten van 137 Wing verwisseld en daardoor verkeerd ingetekend op de doelkaart voor de bemanningen. Zo kwam het richtpunt, dat eerst in het Haagse Bos had gelegen, midden in het Bezuidenhout te liggen. Dit was de laatste fout in een reeks van oorzaken die heeft bijgedragen aan de ramp van 3 maart 1945.
De Duitse aanvallen konden ongehinderd worden voortgezet: in de avond van 3 op 4 maart 1945 werden weer V2-raketten gelanceerd vanuit Den Haag. Een van deze raketten stortte neer bij de Schenkweg in het Bezuidenhout. Acht brandweermannen die branden als gevolg van het bombardement aan het blussen waren, verloren hierbij hun leven.
Hulpverlening, slachtoffers en schade Hulpverlening na het bombardement De hulpverlening na het bombardement schoot tekort. Het waterleidingnet was getroffen door het bombardement. Daardoor was de brandweer aangewezen op water uit sloten en uit de riolering. Het beschikbare materieel van de brandweer was uitgedund, doordat de bezetter materiaal had geconfisqueerd en afgevoerd naar Duitsland. Daarnaast was er een tekort aan brandweerlieden, doordat een deel van hen in het kader van de Arbeitseinsatz gedwongen was in Duitsland te gaan werken. Anderen zaten ondergedoken of konden niet helpen doordat zij te ziek of verzwakt waren als gevolg van de Hongerwinter. De Haagse brandweer had in 1945 de beschikking over 7 autospuiten, 7 motorspuiten, 2 autoladders en 1 slangenauto. In de loop van de dag en die erna stroomde hulp toe uit vele gemeenten. Materieel en hulpverleners arriveerden uit Boskoop, Delft, Gouda, Haarlem, Hilversum, Leiden, Oegstgeest, Rotterdam, Rijswijk, Utrecht, Voorburg, Voorschoten, Vlaardingen, Waddinxveen, Wassenaar, Wateringen, Wormerveer en Zaandam. Door het verzet werd voorzien in 3.000 liter "illegale" brandstof, waardoor het blussen kon doorgaan tot 02.30 uur in de nacht van 3 op 4 maart.Gemeenteverslag Den Haag 1945, pagina 19 en 20
Slachtoffers en schade Vaststellen van het aantal slachtoffers en hun identiteit werden bemoeilijkt door een aantal factoren. In Bezuidenhout was sprake van overbevolking. De wijk had toen een groot aantal mensen opgevangen, die dakloos waren als gevolg van het bombardement op Rotterdam in 1940. Later kwamen daar nog mensen bij die vanwege de aanleg van de Atlantikwall in Scheveningen uit hun huizen waren gezet. Er zaten ook personen ondergedoken, waarvan vaak niet de echte identiteit bekend was. Een voorbeeld van een onderduiker was de architect Jo Limburg, die samen met zijn vrouw vanwege hun Joodse achtergrond ondergedoken zat. Hun overlijden kon nooit worden vastgesteld, behalve op basis van verklaringen over hun onderduiken in de wijk. Veel omgekomen personen zijn nooit geïdentificeerd, omdat er door het intense vuur niets meer te identificeren viel. Als laatste waren er nog mensen waarvan de verblijfplaats niet in het Bevolkingsregister stond vastgelegd, omdat zij hun verhuizing niet hadden doorgegeven aan de gemeente. In 1945 schatte de gemeente het aantal dodelijke slachtoffers op 510 personen. Later is dat cijfer bijgesteld naar "minimaal 550". Recent onderzoek vanaf 2016 heeft de namen van 531 slachtoffers naar boven weten te halen. Daarnaast waren 330 personen "min of meer ernstig gewond" geraakt, 1.839 woningen volledig door brand verwoest en 391 onherstelbaar beschadigd. Het aantal woningen dat nog te herstellen was telde 1.168 stuks. Onder de geheel verwoeste gebouwen bevonden zich het gerechtshof, het provinciehuis, de Prinsesseschouwburg, Grand Hotel Paulez en 5 kerken.
Foto's
Voorgeschiedenis Vergeltungswaffe 2