Turfanosuchus is een geslacht van uitgestorven reptielen dat behoort tot de Archosauromorpha. Tot deze zeer oude groep behoren ook de vogels en de krokodilachtigen.

Turfanosuchus was een vleeseter die ongeveer drie meter lang kon worden. Het was een landbewoner die niet goed kon zwemmen. De schedel was langwerpig en de wervelkolom was relatief lang. Het reptiel leek op het eerste gezicht op een kruising tussen een dinosauriër en een krokodilachtige. Aan geen van beide was het echter nauw verwant.

Turfanosuchus werd in 1973 opgegraven in China. Behalve één bijna compleet skelet zijn ook enkele voetafdrukken gevonden die mogelijk van Turfanosuchus afkomstig zijn. Deze resten werden aangetroffen in lagen uit het Midden-Trias, hoewel er ook enkele resten gevonden zijn uit het Olenekien die mogelijk ook tot een soort van Turfanosuchus behoren. Het vaststellen van de verwantschappen van Turfanosuchus is niet eenvoudig geweest, de soort werd vroeger bijvoorbeeld tot de familie Euparkeriidae gerekend.

De wetenschappelijke naam Turfanosuchus betekent letterlijk Turfin (of Turfan) (Turfano) krokodil (suchus). Deze eerste naam is afgeleid van de vindplaats van de resten in de Turpanlaagte in ChinaThe paleontology database, geraadpleegd op 1 januari 2011 en de naam suchus is afgeleid van de uiterlijke gelijkenis met de hedendaagse krokodilachtigen.

Vondst en naamgeving Het holotype van Turfanosuchus dabanensis, IVPP V.32237, werd in 1973 opgegraven in lagen terrestrische steen in de Taoshuyuanzi-formatie, gelegen in de Kelamayi-formatie bij Turpan, Sinkiang. Het werd benoemd door Yang Zhongjian (ook bekend als Chung Chieng Young). Het betrof hier een bijna compleet skelet dat enkele staartwervels, ribben en de onderkaak miste. Vooral van de rechterhelft ontbraken er botten. De linkerhelft was echter zeer goed bewaard gebleven. Naar aanleiding van het skelet werd het reptiel Turfanosuchus dabanensis benoemd. Ondanks dat en de vele pogingen om Turfanosuchus een taxonomische indeling te geven door middel van een cladistische analyse, is er nog geen consensus over de classificatie van het dier. Van het fossiel IVPP V.32237 van Turfanosuchus werd door Young een verwantschap met Euparkeria vastgesteld. Turfanosuchus werd zelfs in dezelfde familie geplaatst, de Euparkeriidae. Later zou echter blijken dat dit een vergissing was.

Na vele jaren onaangeroerd in de kasten van de kelder van het Paleozoological Museum of China te hebben gelegen, werd het fossiel opnieuw door Xiao-Chun Wu en Anthony Russell onder handen genomen. Young had het niet compleet geprepareerd en ook dat maakte een goede cladistische analyse onmogelijk. Wu en Russell prepareerden het fossiel verder en er kwamen dit keer ook achterpoten (die Young niet had opgemerkt) en een osteoderm tevoorschijn. Deze leken allebei meer op die van Ticinosuchus, maar de achterpoot had ook kenmerken van Euparkeria en enkele unieke kenmerken die alleen bij Turfanosuchus worden aangetroffen. Dit maakte het alleen maar moeilijker om Turfanosuchus te classificeren. Volgens Wu en Russell was het niet mogelijk om de Turfanosuchus tot de Crurotarsi te rekenen. Een preciezere conclusie konden ze op dat moment niet trekken.

Later, in 1982 werd er ook een tweede soort van Turfanosuchus gevonden, Turfanosuchus shageduensis. Dit fossiel was minder compleet en was slechts beperkt tot een paar versteende botten van de ledematen en enkele wervels. Het holotype van dit fossiel was IVPP V6028 uit terrestrische zandsteenlagen van het Olenekien in Zhuengeerqi in de Ermaying Formatie.

In 2010 werd er door de paleontologen Martín Ezcurra, Agustina Lecuona en Augustín Martinelli een nieuw onderzoek naar de taxonomische indeling van Turfanosuchus gedaan. Hierbij ontdekten zij dat het hielbotje van Turfanosuchus veel gelijkenis vertoonde met primitieve leden van de Crurotarsi, in het bijzonder met de leden van de Aetosauria.

Er zijn twee soorten bekend: Turfanosuchus dabanensis is de typesoort en het schaalmodel voor het geslacht; Turfanosuchus shageduensis is bekend van fragmentarisch materiaal en over deze soort is veel minder bekend.

Morfologie en anatomie De kop en schedel thumb|250 px|right|Turfanosuchus-schedel. De kop was stevig en gebouwd voor het doden van prooien die groter dan het dier zelf of gepantserd waren. De neusgaten zaten aan het begin van de snuit, maar niet op een hoge plaats. Dit duidt op een leven op het land. Tussen de oogkas en het neusgat zat aan beide kanten van de schedel een gat, geraadpleegd op 1 januari 2011 dat ervoor diende om de schedel lichter te maken en kaakspieren aan te hechten. Dit gat is een typisch kenmerk voor leden van de Archosauria. Andere archosauromorfen misten dit gat in de schedel, maar bij enkele primitieve groepen was dit gat wel in ontwikkeling. Bij Turfanosuchus is dit gat vrij groot, wat de reden is dat onderzoekers vermoeden dat hij over een sterke bijtkracht beschikte. Bovendien maakte dit de schedel veel minder zwaar, wat de beweeglijkheid bevorderde. Aangezien de onderkaak niet gevonden is valt moeilijk te zeggen hoe die eruitzag. Men kan in dat geval het beste naar dieren met een soortgelijk uiterlijk kijken, zoals de primitieve rauisuchiër Ticinosuchus. Hieruit kan men afleiden dat er waarschijnlijk een klein gat in de onderkaak zat zoals bij veel archosauria.

De oogkas was ook vrij groot en bevatte vermoedelijk een vrij grote oogbal. Hieruit valt af te leiden dat Turfanosuchus waarschijnlijk goed kon zien. Dit was handig in een bosachtige omgeving, aangezien een prooi zich daar op veel plaatsen kan verschuilen. Turfanosuchus had echter een vrij kleine hersenpan. Dit is althans wat onderzoekers kunnen zien. De binnenkant van de schedel is niet bijzonder goed bewaard gebleven, dus het is niet makkelijk om de holte op de plaats van de hersenpan te bestuderen.

thumb|250 px|right|De achterpoot en het bekken van Turfanosuchus dabanensis. De neusgaten die boven op de snuit stonden waren niet bijzonder groot in vergelijking met andere archosauromorfen. Ondanks dat is het mogelijk dat een groot reukorgaan zich heeft bevonden op de plaats van de holtes, ertussenin. Net als voor de herseninhoud geldt dat dit erg moeilijk te meten is. Over de schedel liepen twee kleine horizontale kammetjes tussen de ogen en de neusgaten in, aan weerszijden van de schedel. Deze kunnen verschillende functies gehad hebben. Bij mannetjes zouden deze kammetjes felgekleurd kunnen geweest zijn om indruk te maken op vrouwtjes. Er kan ook een extra reukorgaan aan gezeten hebben, dat van de buitenkant niet zichtbaar was.

De schedel zat horizontaal aan de nek vast. Dit suggereert dat dit dier geen erg beweeglijke nek had. Deze was lang, maar de ribbenuitsteeksels erop waren groot, wat vermoedelijk de bewegingsvrijheid beperkte.

Ruggengraat, ribbenkast en bekken De ruggengraat is ongebruikelijk lang bij Turfanosuchus. De ribben waren in de halsstreek al opmerkelijk groot. Hoewel de buikribben slecht bewaard zijn, hielden die bij Turfanosuchus al vrij snel op. Anders dan zoogdieren had Turfanosuchus ook ribben om de organen in de onderbuik te beschermen. Bij verwante geslachten liepen de buikribben helemaal door tot aan het bekken. Hoewel dit niet met zekerheid te zeggen is, was dit bij Turfanosuchus waarschijnlijk niet zo. Kleinere uitsteeksels liepen door tot aan het begin van het bekken. Grotere ribben hielden vermoedelijk eerder op. De staart was ongewoon lang, voor het type archosauromorfen dat op Turfanosuchus leek. De staart van dieren als Ticinosuchus was aanzienlijk korter. Turfanosuchus had een hoge staart, net als zijn verwanten. Het kan zijn dat deze in het begin enigszins zijwaarts was afgeplat. Deze aanpassing was niet voor een leven in het water bedoeld omdat Turfanosuchus duidelijk geen waterdier was, en hoewel dit niet uitsluit dat het een goede zwemmer was, is dit wel onwaarschijnlijk. Het uiteinde van de staart is gewoon rond.

Het bekken van Turfanosuchus vertoont kenmerken van dinosauriërs, zowel Saurischia als Ornithischia, maar het bekken lijkt vooral op dat van krokodilachtigen, hoewel die van Turfanosuchus veel groter is en vele malen langere uitsteeksels heeft.Palmer D., e. a. (2009), p. 244

Bij geen enkele van de meerdere fossielen die er van Turfanosuchus bekend zijn, is het borstbeen bewaard gebleven, hoewel hij wel een soort borststructuur moet hebben gehad. Dit kan men concluderen als men kijkt naar mogelijk verwante groepen als de Aetosauria en de Rauisuchia. Twee grote borstplaten bedekten het gebied waar het hart en de longen zich bevonden. Vlak daarboven zaten de sleutelbeentjes die met een hoek van meer dan negentig graden naar beneden bogen. Verder was er nog een simpel borstbeentje dat een vrij klein deel vormde van de borststreek. De borststreek van Turfanosuchus is grotendeels niet of zeer slecht bewaard gebleven. Men kan dit alles afleiden door naar mogelijke verwanten als de rauisuchiërs en krokodilachtigen te kijken.

Ledematen thumb|250 px|left|De voorpoot en het schouderblad van Turfanosuchus dabanensis. Er zijn slechts vier tenen zichtbaar, hoewel het goed mogelijk is dat er een vijfde teen nog ongeprepareerd in het fossiel zit. De ledematen van Turfanosuchus waren tenger, met grote voeten. Aangezien de achterpoten ongeveer anderhalf keer zo lang waren als de voorpoten is het mogelijk dat Turfanosuchus in staat was zich op zijn achterpoten op te richten en misschien zelfs om bij hoge snelheid op twee poten te rennen, waarbij de luchtdruk verhinderde dat hij voorover zou vallen. Dit laatste is evenwel onwaarschijnlijk, omdat zijn bouw hier niet geschikt voor was:X. Wu, A. P. Russel (2001) de grote voeten zorgden er namelijk voor dat Turfanosuchus vermoedelijk niet erg hard kon rennen. Dat de voorpoten kleiner waren dan de achterpoten maakt echter wel dat Turfanosuchus met de kop naar de grond gericht stond en met de staart enigszins naar de lucht.

De voorpoten waren vrij kort. Turfanosuchus bezat een erg langwerpig schouderblad en een erg klein sleutelbeentje, dat juist niet langwerpig was, maar erg kort en dik. Het opperarmbeen was aan het begin en aan het einde vrij plat en breed, terwijl het midden juist heel dun en rond was. De ellepijp en het spaakbeen waren iets langer en zaten vast aan een polsgewricht. Turfanosuchus had vijf vingers, waarvan er mogelijk één rudimentair was.

Turfanosuchus had een vrij kort dijbeen. Het scheenbeen en het kuitbeen waren ongeveer even lang. Deze zaten vast aan een vrij groot enkelgewricht. Hieraan zaten vier lange en één kortere teen vast. Zwemmen kon hij vermoedelijk wel goed, hoewel Turfanosuchus waarschijnlijk een landbewonend dier was.

Huid thumb|250px|right|Links de gevonden osteoderm als fossiel en rechts hoe deze er misschien heeft uitgezien toen het dier nog leefde. Turfanosuchus behoorde net als de krokodilachtigen tot de Crurotarsi. Van vele leden van de Crurotarsi wordt gedacht dat zij osteodermen hadden. Van ten minste twee groepen is bekend dat zij hierover beschikten: de moderne krokodilachtigen en de Aetosauria. Van minder basale crurotarsen werd eerst gedacht dat zij deze osteodermen misten. Toen Wu en Russell een osteoderm aantroffen bij de basale Turfanosuchus waren zij zeer verbaasd. Dit leek erop te wijzen dat osteodermen veel lager in de stamboom van de Crurotarsi ontstonden.

Stofwisseling