miniatuur|Kaart uit 1656 van het Venezuela om omgeving miniatuur|Simón Bolívar Dit artikel gaat over de geschiedenis van Venezuela.
Spaanse tijd In 1498 voer Christoffel Columbus op zijn derde reis langs de kust van Venezuela. Hij bezocht een paar eilanden voor de noordoostkust van het land. De tweede Spaanse expeditie, geleid door Alonso de Ojeda, voer langs de noordkust van Zuid-Amerika in 1499. Hij gaf de naam Venezuela ("klein Venetië" in het Spaans) aan de Golf van Venezuela vanwege de gelijkenis met de Italiaanse stad, de paalhuisjes van de inheemsen.
De Spaanse kolonisatie van het vasteland van Venezuela begon in 1502. De eerste permanente Zuid-Amerikaanse nederzetting lag in de buurt van de huidige stad Cumaná. Ten tijde van de Spaanse aankomst leefden de inheemse bevolking voornamelijk in groepen als landbouwers. In het middel van de 16e eeuw woonden zo'n 2000 Europeanen in de regio die Venezuela werd. De opening van goudmijnen in 1632 in Yaracuy leidde tot de introductie van slavernij. Eerst werd de inheemse bevolking betrokken bij de goudwinning en later slaven uit Afrika. De enorme uitgestrekte grasvlaktes waren ideaal voor het fokken van vee. Een kleine groep van Spaanse landeigenaren profiteerde hiervan.
Tijdens de 16e en 17e eeuw lag de prioriteit van het Spaanse hof bij de goud- en zilvermijnen. De afgelegen veeteelt en landbouwactiviteiten in Venezuela speelden nauwelijks een rol van betekenis. In de 18e eeuw kwamen er grote cacaoplantages langs de kust en werden vanuit Afrika nog meer slaven aangevoerd om daar gedwongen te werken. De overgebleven inheemse bevolking werd gedeporteerd naar de vlakten en oerwouden in het zuiden. Met de winsten op de cacaoteelt kwamen voor het eerste grote aantallen Spanjaarden over, inclusief relatief arme mensen vanuit de Canarische Eilanden. De bevolking bestond uit een aantal rigide sociale lagen, bovenaan stonden de peninsulares, Spanjaarden geboren in Spanje, en de criollos, zij waren geboren in Venezuela maar hadden Spaanse ouders. Dan volgde een brede laag van arbeiders, waaronder de immigranten uit de Canarische Eilanden. De pardos hadden een gemixte afkomst en maakten ongeveer de helft van de totale bevolking uit. De slaven vormden de op een na laagste en grootste bevolkingsgroep, zij maakten ongeveer een vijfde van de bevolking uit en helemaal onderaan stonden de indianen. Hun aandeel in de bevolking was een tiende.
Venezuela was de locatie van de vijfde permanente Spaanse vestiging in Zuid-Amerika in 1513, om daarna deel te worden van de Spaanse onderkoninkrijken Peru en Nieuw-Spanje. De Venezolaanse provincies waren onderdeel van het Onderkoninkrijk Nieuw-Granada, maar in 1777 scheidden die zich daar vanaf als de Capitanía General de Venezuela. Caracas had zich opgewerkt als de belangrijkste stad.
Onafhankelijk miniatuur|Antonio Guzman Blanco (1880) miniatuur|Postzegel ter ere van 25 jaar Gómez aan de macht (1928) Na de Venezolaanse Onafhankelijkheidsoorlog, een periode van verschillende oproeren en twee tijdelijke republieken, werd het land in 1821 definitief onafhankelijk van Spanje onder leiding van Simón Bolívar. Venezuela vormde met het huidige Colombia (inclusief de toenmalige provincie Panama) en Ecuador de Republiek van Groot-Colombia (Gran Colombia). Bolívar hielp andere provincies die nog onder Spaans gezag stonden bij hun strijd voor onafhankelijkheid en vanwege de successen werd hij herkozen in 1826. In 1827 was de onderlinge rivaliteit inmiddels zo groot dat de federatie zwaar onder druk stond. Bolívar was teleurgesteld en trok zich terug uit het bestuur en tot 1830 volgden verschillende leiders elkaar in hoog tempo op. De laatste president, Rafael Urdaneta, poogde wanhopig de eenheid te bewaren, maar tevergeefs. In 1830 werd Venezuela een onafhankelijke republiek. Enige tijd bestond ook de afzonderlijke onafhankelijke republiek Maracaibo.
De voorgaande twee decennia waren tumultueus verlopen, de oorlogen en strijd hadden naar schatting een kwart tot een derde van de bevolking het leven gekost. De totale bevolking werd in 1830 op ongeveer 800.000 mensen geschat. De cacaoteelt was ten onder gegaan in het strijdgewoel, gebrekkig beheer van de cacaobomen en de verstoring van de handel. De plaats werd ingenomen door de koffieteelt en dit product bleef tot de komst van de olie een belangrijke economische rol spelen. Generaal José Antonio Páez, een medestrijder van Bolivar, leidde het land vanaf 1830 en was redelijk succesvol en gewaardeerd, de hoge koffieprijs zorgde voor inkomsten die zijn regeerperiode vergemakkelijkte. Medio jaren 1840 daalde de koffieprijs en daarmee de inkomsten en nam de rivaliteit in het bestuur van het land toe. In 1854 werd de slavernij in het land afgeschaft. Tussen 1858 en 1863 woedde in het land een burgeroorlog tussen federalisten, die een los verband tussen de regio's voorstond, en de voorstanders van een centrale regering. In 1870 was het centrale gezag over het land hersteld. Antonio Guzmán Blanco regeerde als verlichte autocraat van 1870 tot 1888, hij was effectief die de vooruitgang van Venezuela op economisch, educatief en politiek gebied bevorderde, maar ook een despoot.
Na zijn vertrek volgde veel onrust en gebrekkige leiders, veelal militaire dictators uit de meest westelijke regio Táchira, gelegen tegen de Andes bergketen. Begin 1899 vormde José Cipriano Castro met Juan Vicente Gómez en andere partijleden een junta. Castro bereikte Caracas op 22 oktober 1899 waar hij tot president van de Republiek benoemd werd. Met zijn rampzalige beleid streek hij veel buitenlandse machten tegen de haren. Castro weigerde buitenlandse schulden te voldoen en de schade te vergoeden die Europese burgers hadden geleden in de recente Venezolaanse burgeroorlog. Britse, Duitse, Italiaanse en zelfs Nederlandse oorlogsschepen blokkeerden havens of voerden beschietingen uit op de kust om de Europese schuldeisers aan hun geld te helpen. Uiteindelijk leidde dit tot de ondertekening van een overeenkomst op 13 februari 1903 waarbij de blokkade werd opgeheven en Venezuela 30% van zijn invoerrechten zou vrijmaken voor het afhandelen van de claims. De Nederlanders namen in 1907 een haven in en vernietigden de marine van het land. In 1908 verliet Castro het land voor een medische behandeling en Juan Vicente Gómez zag zijn kans om de macht over te nemen.
Gómez bleef aan de macht tot 1935, hij was afwisselend president of minister van Oorlog, maar hij was altijd de ultieme leider. Zijn macht ontleende hij aan het leger en zijn geheime dienst. Opponenten werden opgepakt, gemarteld, zonder proces gevangen gezet of het land uitgewerkt. Economisch profiteerde hij van de hoge koffieprijzen en de vondst van aardolie. Dit laatste leidde tot een toename van de corruptie, minder aandacht voor de landbouw met een lagere productie en hogere voedselprijzen tot gevolg. In februari 1928 was er een opstand onder de studenten tegen zijn bewind. Dit werd hardhandig neergeslagen en studenten die de kans kregen vluchtten naar het buitenland. Rómulo Betancourt, Rafael Caldera en Raúl Leoni behoorden tot deze groep en zij werden belangrijke politieke leiders in het land na de Tweede Wereldoorlog. Gómez, zijn bijnaam was de tiran van de Andes, overleed in december 1935. In zijn regeerperiode werd de grondwet diverse malen gewijzigd, waardoor zijn bevoegdheden nagenoeg dictatoriaal werden. Met de opbrengsten van de olie werden alle schulden afgelost en in 1935 had Venezuela nagenoeg geen staatsschuld.
Grondwetten 1864: Federalisering Sinds de grondwet van 1864 voerde het land de naam. Die Constitución de los Estados Unidos de Venezuela werd op 28 maart 1864 aangenomen door de Nationale Grondwetgevende Vergadering in Caracas. Vervolgens werd hij op 13 april 1864 uitgevaardigd in Coro, en op 22 april 1864 bekrachtigd door de ministers. Historia Contemporanea de Venezuela, 2023
Deze constitutie wijzigde de oorspronkelijke naam van het land van "República de Venezuela" in een republiek met de naam "Estados Unidos de Venezuela". Het verdeelde de natie in twintig zelfstandige staten, Venezuela werd formeel een federale republiek naar Noord-Amerikaans voorbeeld. Die staten genoten gelijke politieke rechten en hadden een eigen interne organisatie. De deelgebieden heetten staten (estados). Daarnaast bestonden er federale territoria (territorios federales), die onder direct bestuur van de centrale regering vielen.
De twintig estados waren volgens de federale grondwet (de namen wijzigden herhaaldelijk door fusies en splitsingen, maar het totaal bleef ongeveer ongewijzigd): Apure, Barcelona (later deel van Anzoátegui), Barinas, Barquisimeto (later deel van Lara), Bolívar, Carabobo, Caracas (later Distrito Federal / Capital), Cojedes, Coro (later Falcón), Cumaná (later deel van Sucre), Guárico, Maracaibo (later Zulia), Maturín (later Monagas), Mérida, Portuguesa, Táchira, Trujillo, Yaracuy, Margarita (het eiland, later Nueva Esparta, Zamora (wisselde van naam, werd later o.a. Aragua). De estados hadden een eigen grondwet, gekozen parlement en gouverneur en in de 19e eeuw nog veel autonomie.
De territorios federales waren vooral dunbevolkte of afgelegen gebieden die niet als staat georganiseerd waren, zoals Amazonas, Delta Amacuro en de kustarchipels (Islas Federales). Deze gebieden hadden geen eigen grondwet en werden bestuurd door een door de federale regering benoemde autoriteit.
1953: Centralisering Met de grondwet van 1953 (onder president Marcos Pérez Jiménez) verdween de naam Verenigde Staten van Venezuela en veranderde de federatie in een land met een centraal bestuur. Het land werd officieel weer de República de Venezuela, met twintig deelstaten (later uitgebreid tot 23) en een aantal territorios federales en Caracas als Distrito Federal.
1999: Bolivariaanse Republiek In 1999, onder de nieuwgekozen president Hugo Chávez en zijn grondwetswijziging, werd de officiële naam van Venezuela de Bolivariaanse Republiek Venezuela.
Aardolie In 1914 werd aardolie gevonden, en in 1922 werd met de winning begonnen door buitenlandse maatschappijen. Deze lieten vanwege de politieke instabiliteit van Venezuela de raffinage meestal elders plaatsvinden. Zo bouwde Shell een raffinaderij voor Venezolaanse olie op Curaçao. Venezuela was een van de initiatiefnemers voor de oprichting van de Organisatie van olie-exporterende landen (OPEC) op 14 september 1960. op 1 januari 1976 vond de nationalisatie van de olie-industrie in het land plaats.
Punto Fijo-pact Nadat de militairen in 1958 hun actieve bemoeienis met de nationale politiek gestaakt hadden, begon een lange periode van democratisch burgerlijk bestuur. De drie grote partijen sloten het "Punto Fijo-pact", waarin de spelregels van de democratie werden vastgelegd. Onder de presidenten Rómulo Betancourt en Raúl Leoni van de Accion Democrática (AD) verbrak Venezuela stelselmatig de betrekkingen met elk land in Latijns-Amerika waar een dictatuur heerste (Betancourt-doctrine). De christendemocraat Rafael Caldera (1969-1974) was pragmatischer en herstelde het contact met het Cuba van Fidel Castro. Ook de binnenlandse communisten werden gelegaliseerd.
Caldera zette in 1970 de eerste stap naar nationalisatie van de oliewinning. Zijn opvolger Carlos Andrés Pérez bekrachtigde in augustus 1975 een wet waarin de activiteiten van alle olieconcerns werden overgenomen door 'Petroleos de Venezuela'. De olie zorgde voor welvaart, die echter beperkt bleef tot de bovenlaag en de geschoolde arbeiders die in de oliewinning of de daarvan afhankelijke bedrijvigheid werk vonden.