Merauke is een stad en onderdistrict aan de zuidkust van het eiland Nieuw-Guinea. Het vormt een onderdistrict in het gelijknamige regentschap Merauke in het zuidoosten van de Indonesische provincie Zuid-Papoea. Merauke staat bekend als de oostelijkste stad van Indonesië. De Indonesische uitdrukking Dari Sabang sampai Merauke ("van Sabang tot Merauke") wordt wel gebruikt om het hele Indonesische territorium aan te duiden: van Sabang op het eiland Weh in het uiterste (noord)westen tot Merauke in het uiterste (zuid)oosten van het land. De stad heeft een oppervlakte van 1.445 km² en telt 99.986 inwoners (2017).Jumlah Penduduk Dan Rasio Jenis Kelamin Kabupaten Merauke 2010-2017, meraukekab.bps.go.id (niet meer beschikbaar) Na de opdeling in 2022 van de Indonesische provincies Papua en Papua Barat in zes nieuwe provincies werd Merauke de provinciehoofdplaats van Papua Selatan (Zuid-Papoea).
Geografie thumb|left|Klimatogram van Merauke (gegevens van 1961-75)
Merauke is gelegen in een droog en vlak (delta)gebied aan zuidoostzijde van de monding van de rivier de Maro (of Merauke) in de Arafurazee. In het achterland van de stad ligt het eiland Yos Sudarso (het vroegere Frederik-Hendrik) en verder weg de Aru-eilanden (Molukken). De omgeving bestaat uit savanne, waar eucalyptusbomen groeien en kangoeroes voorkomen. Langs de moerassen en rivieren in de buurt groeien, net als in de rest van het Nieuw-Guinese laagland, sagopalmen. 13 kilometer ten noordoosten van Merauke ligt het nationaal park Wasur-Rawa Biru.
De stad is door een weg verbonden met Tanahmerah (locatie van het Nederlandse strafkamp Boven-Digoel) diep in het binnenland, alsook een aantal plaatsen in de omgeving en plaatsen over de grens met Papoea-Nieuw-Guinea. In het zuidelijk deel van de stad ligt de luchthaven Mopah. De stad is over zee door de Pelnilijn verbonden met Timika en andere Indonesische plaatsen.
Geschiedenis Voorgeschiedenis In 1891 startte de (Koninklijke) Paketvaart Maatschappij (KPM) vanaf Ternate met 12-wekelijkse diensten langs de noord- en zuidkust van het Nederlandse deel van Nieuw-Guinea, waar zich toen nog geen enkele Nederlandse bestuurspost bevond. De schepen voeren daarom meer als vlagvertoon dan als handelsboten tot aan de 141e lengtegraad, de grens met Brits-Nieuw-Guinea. In hetzelfde jaar deed gouverneur William McGregor van Brits-Nieuw-Guinea het diplomatieke verzoek aan de Nederlanders of ze niet een einde konden maken aan het koppensnellen in Brits-Nieuw-Guinea door de Papoea's waarschijnlijk woonachtig aan Nederlandse zijde van de grens. Deze Papoea's, van de Marind-anim werden door de omliggende stammen ook wel 'Tugeri's' genoemd, wat zoveel als "mesdragers" betekent vanwege de bamboe messen om hun hals, waarmee koppen werden gesneld. In 1892 ging daarop een Nederlandse posthouder van Patani als vertegenwoordiger van het bestuur mee naar het zuidoosten van het Nederlandse deel van Nieuw-Guinea om inlichtingen in te winnen over dit volk. Bij de kampong Sileraka (of Selerika, later kreeg het de naam Sarire of Seri(e)re) nabij het latere Merauke (ongeveer 18 'paal' ofwel ongeveer 27 kilometer zuidelijker) werd contact gelegd met de Marind-anim (aanvankelijk 'Tugeri's' genoemd, later 'Kajakaja's' en uiteindelijk 'Marindinezen') door middel van de Engelse zendeling-avonturier Montague, die al een tijd bij hen had verbleven. Vervolgens werd daar een Nederlands wapenschild geplaatst en de Nederlandse vlag gehesen. De posthouder van Patani werd vervolgens aangesteld als bestuursambtenaar in Sileraka om de op vreedzame manier te pogen kennis te verkrijgen over het gebied, de taal en volkscultuur van de Marind-anim, hen over te halen te stoppen met koppensnellen en hen voor te bereiden op koloniaal bestuur. Op 7 december 1892 werd de posthouder vervolgens samen met een katholieke zendeling, 12 gewapende politiemannen, 10 bewapende dwangarbeiders (pradjoerits, inlandse soldaten) en voor drie maanden proviand aan land gezet bij Sileraka. De bevolking bleek echter vijandiger dan gedacht: dingen werden gestolen en vonden kleine aanvallen plaats, die echter steeds heviger werden. Nadat ook nog een pradjoerit was gedood, liet de posthouder zich alweer op 6 januari 1893 samen met de overgeblevenen evacueren bij de eerstvolgende KPM-dienst.
Een aantal jaar werden vervolgens geen formele pogingen meer ondernomen om contact te leggen met de bevolking. Wel lagen vanaf 1897 plannen om het zuiden en westen van Nieuw-Guinea bestuurlijk af te scheiden als aparte gebieden zodra een geschikte plek was gevonden voor een bestuurspost aan de kust. Aanvankelijk was in het Nederlandse parlement weinig animo voor het oprichten van bestuursposten in Nieuw-Guinea, maar nadat de Britten en Duitsers claims hadden gelegd op oostelijke delen van het eiland en Japan Formosa had bezet in 1895 en in 1897 wilde geruchten kwamen over Japanse kolonisten die het zouden hebben voorzien op Nieuw-Guinea dan wel omringende eilanden, begon de angst voor buitenlandse interventie toe te nemen en trad de gedachte dat dergelijke posten daar moesten komen toch steeds meer op de voorgrond.:174 Dit leidde vervolgens in 1898 tot de stichting van de bestuursposten Fakfak en Manokwari.
Op 27 december 1899 poogden een viertal scheepsofficieren van het KPM-schip Generaal Pel informeel contact te leggen (zoals wel vaker werd gedaan) toen ze voor anker lagen in de buurt van de negorijen Jouberika (Borim) en Bouterika/Baderike (Boeti)), nabij de 141e breedtegraad. Drie van hen verdwenen echter (en werden waarschijnlijk vermoord) en een raakte gewond door een daaropvolgende hinderlaag. Een zoektocht van de Generaal Pel liep op niks uit. Bij terugkomst werd het bestuur direct gewaarschuwd en op 9 januari 1900 voer het flottielje-vaartuig Serdang uit vanuit Fakfak in een poging de officieren te redden. Na een aantal vruchteloze pogingen moest het schip echter terugkeren naar Soerabaja om kolen in te slaan. Op 6 maart 1900 was de Serdang terug bij de beide negorijen. Na wederom een vruchteloze zoektocht, ditmaal over land, werden 6 inlanders (5 anderen wisten in angst over boord te springen en verdronken) als gijzelaars meegenomen om in Fakfak Maleis te leren om zo als tolken te kunnen fungeren voor de Nederlanders. Omstreeks dezelfde tijd kwam opnieuw een verzoek van de Britten (nu van McGregors opvolger, luitenant-gouverneur George Le Hunte) na een nieuwe strooptocht of nu eindelijk eens iets aan die hongi's kon worden gedaan. De verdwijning van de drie scheepsofficieren had veel stof opgeworpen in de media (vooral door De Telegraaf) en het vormde daarop de aanleiding voor het stichten van de bestuurspost Merauke.:175-176
Op 26 november 1900 keerde de Serdang terug met het flottieljeschip Sumatra en ging voor anker nabij de monding van de Amberauke (Kumbe), maar vertrok na aanvallen de dag erop naar de oostelijker gelegen monding van de Merauke (Maro). De Merauke bleek een zeer geschikte plaats om voor anker te gaan, daar grote schepen daar tot vlak bij de oever konden komen en deze rivier vlak voor de monding een bocht naar het oosten maakt; een kalme haven, ook wanneer de Arafurazee onstuimig was. Daarbij was het land vlak en vruchtbaar. Een tocht werd naar het binnenland ondernomen, maar de groep werd diverse malen van alle kanten bestookt, waarop de groep terugschoot en uit wraak de negorij Kajakerika platbrandde, hetgeen de aanvallen deed stoppen. Bij een daaropvolgende tocht naar Sileraka bleek deze plek veel minder geschikt om een post te stichten, waarop de rivier Merauke werd uitgekozen als vestigingsplaats voor een nieuwe bestuurspost. Toen eenmaal duidelijk was waar de nieuwe koloniale vestiging zou gaan komen werd op 18 juni 1901 een contract getekend met de sultan van Ternate waarmee Nederland het bestuur kreeg over de nieuwe afdeling Zuid Nieuw-Guinea (afgesplitst van de bestaande afdeling West- en Zuid-Nieuw-Guinea, die vervolgens werd hernoemd tot West Nieuw-Guinea) opgericht, waarvan Merauke de bestuurspost moest gaan vormen; eerst tijdelijk, maar vanaf 20 januari 1902 definitief.
Koloniale periode Op 12 februari 1902 ontstond Merauke daarop als Nederlandse militaire bestuurspost toen het KPM-schip Van Goens samen met het loodsende flottieljeschip Nias voor anker gingen op de plek van de toekomstige bestuurspost (het KPM-schip Van Swoll was al op 9 februari binnengeloodst door de Nias). Daar werd een tijdelijk bivak opgezet en een begin gemaakt met de aanleg van de plaats. 160 militairen en 4 officieren werden geplaatst om de bestuurspost te ondersteunen (volgens katholieke missionaris Jan-Baptist Henkelman ("priester Alexis") 300:59 , alsook ongeveer 200 dwangarbeiders"lets over het Missiegebied der E.E. P.P. Missionarissen van het H. Hart", Nieuwe Tilburgsche Courant, 13 juli 1907). De naam Merauke berust op een misverstand: Toen de Nederlanders door middel van handgebaren vroegen naar de naam van het bestaande dorp (ze wezen ook naar de rivier), antwoordden de lokale Papoea's 'Maro ke', "dat is de Maro":112, ook omdat zij misschien dachten dat deze rivier met zijn breedte van 500 meter ter plaatse veel belangrijker was dan het gebied eromheen. De Papoea's noemen de stad naar het omliggende gebied Ermasoe(k). De nabij wonende Marind-anim bleken gevaarlijk; ondanks waarschuwingen hadden zich op 22 februari 5 Chinese timmermannen, 2 politiedienaren en 1 mandoer over de dwangarbeiders buiten het kamp begeven in de richting van de Marind-anim. Ze werden later allen onthoofd teruggevonden. In de eerste dagen werd ook veel gestolen, tot aan de boeien in de rivier aan toe.
Eind februari waren de Marind-anim de aanwezigheid van de blanken echter zat daar ze inzagen dat het zo gedaan was met hun onbeperkte vrijheid. Ze kwamen daarop bijeen en besloten de blanken door middel van een aanval te verdrijven. In de nacht van 26 op 27 februari poogden daarop ongeveer 2000 man Marind-anim een aanval op de wachtposten van het bivak te ondernemen. Daar stuitten ze echter op prikkeldraad, dat als bescherming om de plaats was aangelegd (De Marind-ainm mochten hier niet binnen komen). Toen werd geschoten door gealarmeerde wachtposten, trokken ze zich, volgens de bestuurspost, terug met achterlating van vele doden.
De vijandelijkheden namen daarop af maar eind maart werden toch weer dertien Atjehse dwangarbeiders vermoord en begin april vier Javaanse dwangarbeiders die zich zonder militaire bescherming buiten de poort hadden gewaagd. Diefstallen zetten zich echter ook in de maanden erop voort totdat strafexpedities en scheepsgranaten (van de Nias) negorijen waarvan inwoners zich hieraan schuldig maakten zo zwaar beschoten dat ook deze sterk afnamen. Ook werden na maanden van rust in augustus 24 Atjehse dwangarbeiders onthoofd nadat ze ruzie hadden gekregen met de bevolking van het dorp Koeperike, alwaar later hun schedels werden teruggevonden, nadat de inwoners van het dorp waren verjaagd. Daarop verdwenen de koppensnelactiviteiten. In november werd nog een patrouille overvallen nabij het dorp Wendoe, waarbij 8 overvallers werden gedood, maar daarna leek het besef te zijn gekomen dat het geen zin had om de blanken nog langer aan te vallen. Met kerst 1902 woonden daar ongeveer 1000 mensen; 350 gevangenen uit Atjeh (zie Atjehoorlog), 180 soldaten (60 Europese en 120 inlandse) en een groot aantal Javaanse arbeiders.:60