Deze geschiedenis van Engeland beschrijft de prehistorie en de geschiedenis van het grootste en dichtstbevolkte deel van het Verenigd Koninkrijk. Engeland komt ongeveer overeen met het gebied dat door de Angelsaksen tussen de vijfde en tiende eeuw werd veroverd. De bewoningsgeschiedenis van het land reikt van de prehistorie tot heden.

Het landschap In de loop van de geschiedenis is het landschap in Engeland in grote mate door de mens gevormd en beïnvloed. Ooit was het land voor een groot deel door bos bedekt. In de laaggelegen delen was dit bos bij het begin van de IJzertijd (700 v.Chr.) al grotendeels gekapt. Aan het eind van de Middeleeuwen was er van het 'oerbos' bijna niets meer over. Ook waren er ooit veel moerassen. Vele zijn drooggelegd in de Romeinse tijd of daarna. De grote Fens van East Anglia werden ontgonnen in de zeventiende eeuw. Terwijl uitgestrekte gebieden ontbost werden, werd er in andere regio's, zoals in Breckland, juist bos aangeplant. Behalve de akkerbouw hebben ook de mijnbouw, steengroeven en de veehouderij grote veranderingen teweeggebracht. Ook op andere manieren heeft de mens het landschap beïnvloed. Een aantal dieren werd getemd en omwille van hun economisch nut gehouden. De belangrijkste daarvan zijn het rund, het paard, het schaap, het varken en de kip. Om deze dieren tegen predatoren te beschermen werden al in een vroeg stadium muren en hekken gebouwd. Dit was ook een middel om eigendomsrechten te markeren.

thumb|Heuvellandschap vlak bij Wye in Kent, een deel van de North Downs. Een groot deel van het zuiden van Engeland bestaat uit een dergelijk landschap. men vermoedt dat de heuvels in de prehistorie voor een groot deel bedekt werd door bos. Nog ingrijpender zijn de veranderingen in de moderne tijd geweest. Steden worden steeds groter, steeds dichter wordt het wegennet. Er is op veel plaatsen een landschap van asfalt en beton gecreëerd. Bijna overal is veel meer geluid dan vroeger; zelfs 's nachts baden grote delen van Engeland in het licht. Op veel plaatsen is het grondwaterpeil significant gedaald ten gevolge van het grootschalig oppompen van water. Sommige rivieren vallen daardoor bij tijd en wijle droog.

Engeland is een deel van een eiland, Groot-Brittannië. Het gegeven dat het land aan bijna alle zijden wordt omspoeld door de zee is een bepalende factor geweest in de Engelse geschiedenis. Het maakte het gebied makkelijk toegankelijk voor invallers van overzee. Zowel het land als de zee zijn herhaaldelijk bezongen door Engelse dichters. Shakespeare vergeleek Engeland met "een edelsteen, geplaatst in de zilveren zee." Richard the second, Akte II, sc.1. Fragment uit toespraak van Jan van Gent: "This precious stone set in the silver sea" Het groene heuvelland in het zuidoosten van Engeland, de Downs, speelt een belangrijke rol als symbool van de Engelse identiteit.

Prehistorie

Ten gevolge van het ontbreken van geschreven bronnen zijn de meeste uitspraken die we over de prehistorie kunnen doen slechts vermoedens en speculaties. Daarbij is de materiële cultuur niet zozeer het probleem; zo zijn er sporen van huisvesting en beploeging gevonden, van planten en pollen, beenderen van vee en weefgetouwgewichten. Over het economisch leven van de prehistorische mens kunnen daarom redelijk betrouwbare uitspraken gedaan worden. Daarentegen is het nauwelijks mogelijk door te dringen in zijn denk- en belevingswereld. De archeoloog wordt al te makkelijk, in de verleiding gebracht om zaken die hij niet kan verklaren, bijvoorbeeld de vondst van gebroken votiefvoorwerpen, toe te schrijven aan een geheimzinnig "ritueel", zonder garantie om daarmee de wereld van de prehistorische mens nader te komen.

Vondsten van werktuigen in Norfolk en Suffolk hebben uitgewezen dat er vanaf zo'n 700.000 jaar geleden vroege mensen in het zuiden van Engeland leefden. Zuid-Engeland was in die tijd door een strook land verbonden met het vasteland. In de groeve Eartham Pit bij Boxgrove in Sussex zijn beenderen gevonden van circa 500.000 jaar geleden. Gezien de leeftijd worden deze toegeschreven aan Homo heidelbergensis. Zij joegen onder andere op olifanten, neushoorns en nijlpaarden. Andere belangrijke vondsten gerelateerd aan Homo heidelbergensis zijn gedaan in Stoke Newington en Clacton, en een schedel bij Swanscombe.

Ook in latere perioden leefden er mensen op de Britse Eilanden, onderbroken door ijstijden die te koud waren voor menselijke bewoning. Zo zijn er ook sporen van neanderthalers gevonden. In vergelijking met vondsten in Frankrijk en Duitsland is het resultaat echter mager.

Tijdens het Laat-paleolithicum (ca. 35.000 – ca. 10.000 BP) verscheen de anatomisch moderne mens in Engeland. Deze Homo sapiens vervaardigde werktuigen die tot het Aurignacien gerekend worden. Het gaat hier om gespecialiseerde stenen werktuigen, zoals spitsen, stekers en schrabbers. Gaandeweg ontwikkelden zich een taakverdeling en daarmee verbonden sociale structuren. Grotten en rotsen die in deze periode in Engeland als onderdak werden gebruikt, abri's dan wel rotswoningen, zijn onder meer Gough's Cave en Soldier's Hole in het zuidwesten, en Mother Grundy's Parlour en Robin Hood's Cave in de Midlands.

Net als in de rest van Noord-Europa heerste tot ongeveer 12.000 jaar geleden in Engeland de laatste ijstijd, die hier Devensian genoemd wordt. Daarna werd het geleidelijk warmer. De toendra's maakten plaats voor een afwisselende begroeiing met vooral in het zuiden en westen dichte bossen. Eerst verschenen berken, dennenbomen en hazelaars. Vanaf 7500 v.Chr. volgden eiken, iepen en essen. De aldus ontstane loofbossen waren voor vele planten- en diersoorten een gunstige habitat. Een aantrekkelijke prooi voor jagers waren het edelhert, het ree en het everzwijn. De hond, het eerste door de mens gedomesticeerde dier, diende hem tot hulp bij de jacht.

De jager-verzamelaars uit het Mesolithicum (ca. 8.300 – ca. 6.000 v.Chr.) vervaardigden pijl-en-boog en microlieten. Zij waren meer dan voorheen geneigd zich op een vaste plaats te vestigen. Ook de handel nam in deze tijd duidelijk toe.

Ten gevolge van de verandering van het klimaat smolt de ijskap en steeg de zeespiegel. Rond 6.500 v.Chr. werd de landbrug die het huidige Engeland tot dan toe met Frankrijk had verbonden overstroomd. Hier lag voortaan het Nauw van Calais. Groot-Brittannië was een eiland geworden. Uiteraard hadden deze veranderingen gevolgen voor flora en fauna. Rendieren en wilde paarden werden zeldzamer. Er werd nu vooral op herten, elanden en oerossen gejaagd.

Neolithicum

thumb|De heuvel van Silbury, Wiltshire. Het is de grootste kunstmatige heuvel van Europa. Het zal naar schatting 18 miljoen manuren gekost hebben om het monument te bouwen. Het lijkt een collectieve grafheuvel, maar is het niet. Voor de archeoloog is het één groot raadsel. Gedurende het vijfde millennium deden landbouw en veeteelt hun intrede op de Britse Eilanden; daarmee begon het Neolithicum, de Nieuwe Steentijd. Deze baanbrekende ontwikkeling was al eerder begonnen in Zuidwest-Azië. Ook de meeste landbouwgewassen waren uit die regio afkomstig. De innovatie ontstond deels uit noodzaak, omdat door bevolkingsgroei en overbejaging onvoldoende wild overbleef om te voorzien in de voedselbehoefte van de mensen. Het nomadenbestaan maakte plaats voor wonen in permanente nederzettingen, waar boeren voedsel verbouwden, ambachtslieden werktuigen vervaardigden en handelaren contacten onderhielden met andere nederzettingen. Overigens legde niet iedereen zich op landbouw toe; sommigen bleven jagen, vissen of voedsel verzamelen.

Op termijn bleek landbouw een grotere hoeveelheid voedsel op te leveren. Dit stimuleerde de vervaardiging van aardewerk om het voedsel in te bewaren en als kookgerei. Hierdoor zijn er ook meer voorwerpen overgebleven die de archeoloog tot bron kunnen dienen.

Rond 3.500 v.Chr. werd in zuidelijk Engeland de ploeg gebruikt. De landbouwopbrengsten namen hierdoor toe. Dit was een reden om bossen te rooien. Sporen van vroege ontginningen zijn gevonden in Blea Tarn in Cumbria (ca. 4.500 v.Chr.) en in Hockham Mere in Norfolk (ca. 4.050 v.Chr.).

De 'grote huisdieren', schapen, geiten, varkens en runderen, werden om diverse redenen gehouden. Behalve vlees leverden zij melk en/of wol. Sommige werden als last- of trekdier gebruikt. Spoedig deed ook het wiel zijn intrede.

Brons- en IJzertijd Tijdens het late Neolithicum en de Bronstijd werd Stonehenge gebouwd, een groots megalithisch monument. Rond het monument heeft John Aubrey een cirkel van 56 gaten in de grond gevonden, met daarin menselijke resten. Waren dit terdoodveroordeelden? Niet ver van Stonehenge ligt Silbury Hill, een 40 meter hoge kunstmatige heuvel. Er zijn talloze verklaringen voor de bouw van dergelijke indrukwekkende monumenten bedacht. Veel theorieën leggen een verband met religie en het hiernamaals. Het blijven slechts gissingen.

In de Kopertijd waaide de klokbekercultuur over vanaf het Europese vasteland. De daaropvolgende Bronstijd ziet de bloei van de Wessexcultuur. Een intrigerende vondst uit deze periode zijn de bronzen lepels, twee bij ieder lijk, die aangetroffen zijn op een begraafplaats in Kent. Er zijn ruïnes van heuvelforten gevonden, waarvan de oudste stamt uit 1500 v.Chr.

De IJzertijd begon op de Britse Eilanden rond 850 v.Chr.. In deze periode vestigden Keltische stammen zich in Engeland. De Keltische talen en culturen hebben de Engelse geschiedenis langdurig en diepgaand beïnvloed. Naarmate de bevolking toenam, gingen de verschillende stammen meer oorlog met elkaar voeren. Opvallend is dat in de IJzertijd de zorg voor de overledenen vrijwel verdwenen lijkt. In het zuidoosten van Engeland is nauwelijks een spoor van een zorgvuldige begraving gevonden. Hier en daar zijn menselijke beenderen tussen afval in putten gevonden. spreekt zelfs van "het mysterie van de onvindbare doden uit de ijzertijd". (2003): Geschiedenis van Engeland, vierde druk, Davidsfonds, Leuven, p. 12. Het is aannemelijk dat de meeste lijken werden verbrand. Daarmee is echter nog niet verklaard waarom hiervan geen sporen zijn teruggevonden.

Romeinse tijd Met de poging van Julius Caesar om Brittannië te veroveren begint de Engelse geschiedenis in de ware betekenis van het woord.

In 58 v.Chr. begon Julius Caesar met de verovering van Gallië. De campagne leidde verrassend snel tot resultaat. Nadat hij het gebied grotendeels had onderworpen, richtte Julius Caesar zijn ogen op Brittannië. Op dat moment behoorde Brittannië tot de Keltische wereld. Het zuiden en oosten werd hoofdzakelijk bewoond door de Belgae, die regelmatig contact onderhielden met hun stamgenoten aan de andere zijde van Het Kanaal. Caesars wens om ook de Kelten in Brittannië te onderwerpen paste naadloos in de traditie van het Romeinse imperialisme. Steeds moesten nieuwe gebieden veroverd worden om eerdere veroveringen veilig te stellen. In militair opzicht waren de Romeinen duidelijk de sterkere partij, hoewel de Britse stammen wel degelijk tot effectief verzet in staat waren. De Romeinse infanterie was gedrild, gepantserd en bewapend met speren en korte zwaarden. De Britten droegen nauwelijks beschermende kleding; hun strijdwagens werden bestookt door de boogschutters van de Romeinen.