De arbeidswaardetheorie is een waardeleer die arbeid aanwijst als de bron en de natuurlijke maatstaf van economische waarde. Volgens de arbeidswaardetheorie bestaat de waarde van een goed uit de waarde van de materialen waaruit het is opgebouwd, vermeerderd met de arbeid die is verricht om uit die materialen het uiteindelijke goed te produceren. Voor de materialen geldt echter weer hetzelfde, zodat, terugredenerend, alle waarde door arbeid wordt bepaald: waarde begint op het moment dat mensenwerk grondstoffen uit de natuur haalt en ze in het economisch verkeer brengt.
Waardetheorieën op basis van arbeid zijn te vinden bij de klassieke economen, die ze overigens alleen toepassen op goederen met een zekere vervangbaarheid, die in massa geproduceerd kunnen worden.
Sinds de twintigste eeuw wordt het begrip arbeidswaardeleer meestal met de marxistische economie geassocieerd, terwijl de moderne hoofdstroom van de economie de arbeidswaardeleer heeft vervangen door de grensnutaanpak.Campos, Antonietta (1987). "marginalist economics" (marginalistische economie), The New Palgrave: A Dictionary of Economics, v. 3, blz. 320
Petty en Locke De vraag, wat prijs en waarde bepaalt, rees in het Europa van de vroegmoderne tijd en werd aanvankelijk vooral subjectivistisch beantwoord: waarde werd door de meeste mercantilistische denkers gezien als marktprijs, het resultaat van de wetten van vraag en aanbod. Een van de eersten die tegen dit idee ingingen was de zeventiende-eeuwse Engelse econoom William Petty, die zich afvroeg wat dan de waarde van elk goed zou zijn als de markt in evenwicht was. Achter de speling van de markt zou volgens Petty een natuurlijke waarde van het goed schuil gaan.
Het mechanisme dat een evenwichtsprijs tot stand kan brengen had Petty nog niet scherp; wel probeerde hij natuurlijke waarden te verklaren vanuit productiekosten, die weer opgebouwd waren uit de kosten van arbeid (loon) en grond (pacht). Na een vruchteloze poging om de kosten van grond te reduceren tot die van arbeid, concludeerde hij dat de kosten van arbeid in de praktijk de dominante factor waren.Screpanti en Zamagni 2005, pp. 45-46.
John Locke bouwde voort op Petty's idee en formuleerde op grond van diens arbeidswaardetheorie een rechtvaardiging van de particuliere eigendom. Locke was echter vooral geïnteresseerd in een juridische onderbouwing van dit nieuwe fenomeen, niet in economische vraagstukken.
Smith: labour commanded vs. labour expended miniatuur|249x249px|"Als bijvoorbeeld bij een jagersvolk het gewoonlijk twee keer zoveel werk kost om een bever te doden, als het doden van een hert kost, dan ruilt men een bever natuurlijk voor twee herten of is de bever twee herten waard. Het is natuurlijk dat wat gewoonlijk de opbrengst van twee dagen of twee uur werk is, twee keer zoveel waard moet zijn als wat gewoonlijk de opbrengst van één dag of één uur werk is." Adam Smith, The Wealth of Nations, boek I hoofdstuk 6. De klassieke formulering van de arbeidswaardetheorie wordt gevonden bij Adam Smith. In de eerste zin van The Wealth of Nations stelt Smith onomwonden dat arbeid de bron is van alle rijkdom:The Wealth of Nations, inleiding.The annual labour of every nation is the fund which originally supplies it with all the necessaries and conveniencies of life which it annually consumes, and which consist always either in the immediate produce of that labour, or in what is purchased with that produce from other nations.Verderop in het boek werkt Smith dit idee verder uit tot een waardetheorie, dat wil zeggen, een theorie van de prijsverhoudingen die op markten tot stand komen. Hij probeert eerst te verklaren waarom diamant een hogere waarde heeft dan water, terwijl water toch duidelijk nuttiger is dan diamant (de klassieke waardeparadox). Smith verdeelt waarde in twee delen, gebruikswaarde en ruilwaarde. De gebruikswaarde (het nut) bepaalt óf een goed waarde heeft, omdat een goed zonder nut niet verhandeld zal worden, maar verklaart niet meer dan dat, want gebruikswaarde is afhankelijk van de context en niet meetbaar. Ruilwaarde, daarentegen, wordt in een markteconomie dagelijks gemeten in geld. Deze waarde wordt volgens Smith verklaard door arbeid: diamant is meer waard dan water als het meer moeite kost om diamant uit de grond te halen dan om water te vinden. De ruilwaarde van een goed moet dus worden gemeten in de hoeveelheid arbeidstijd waarvoor het goed geruild kan worden (labour commanded), na correcties voor bijvoorbeeld de scholing en ervaring van degene die de arbeid levert. Omdat arbeidstijd niet goed meetbaar is en geld in waarde fluctueert, stelt Smith graan voor als een praktische waardemaatstaf. Dit basisvoedsel van de arbeider, stelt hij, kent een prijs die constant genoeg is voor dit doeleinde.The Wealth of Nations, boek I hoofdstuk 5.
Ter illustratie geeft Smith zijn beroemde beschrijving van een fictieve ruileconomie van jager-verzamelaars (de early and rude state), waarin nog geen noemenswaardige productiemiddelen beschikbaar zijn, maar al wel een volledig ontwikkelde markt: de vangst van een jager komt aan hem alleen toe en is onmiddellijk verhandelbaar. Smith stelt de vraag hoe op deze markt de prijsverhoudingen worden bepaald en concludeert dat de enige productiefactor, arbeid, de enige mogelijke maatstaf is: de vangst van de jagers heeft een waarde die evenredig is aan de arbeidstijd die zij kwijt zijn aan het vangen van het product (labour expended). Als het vangen van een bever in deze economie een aantal uur kost en dat van een hert , dan ruilen bevers tegen herten volgens een koersSmith springt vervolgens vanuit deze primitieve economie naar een kapitalistische, waarin alle grond in particuliere handen is en waarde wordt gecreëerd door het toepassen van arbeid op kapitaal (stock). Het resultaat is een product met door arbeid toegevoegde waarde, maar de beloning voor die arbeid moet de arbeider nu delen met de eigenaar van het kapitaal. Hoewel de eigenaar van kapitaal ook werk verricht, is die niet van dezelfde orde als die van de arbeider. Zijn beloning is winst, niet loon, en wordt bepaald door de hoeveelheid arbeid en kapitaal die hij investeert, niet de uren die hij zelf werkt.The Wealth of Nations, boek I hoofdstuk 6. Als bevers en herten nu in fokkerijen geproduceerd worden die beide een uurloon betalen, winstmarges en aan de prijs toevoegen en op competitieve markten opereren, dan is de prijsverhoudingDe verhouding tussen de ingezette arbeidsuren, labour expended, is nu niet meer gelijk aan de waardeverhouding, de labour commanded: met zijn loon kan de arbeider slechts een deel van zijn product kopen. Smith laat bovendien zien dat een eventuele afwijking van (natuurlijke) prijzen ten opzichte van 'zuivere' arbeidsprijzen voortkomen uit de eigendomsverhoudingen, niet de werking van de markt.
Ricardo: arbeidsprijzentheorie miniatuur|David Ricardo (portret uit 1821).Een verdere ontwikkeling van de arbeidswaardetheorie is te vinden bij David Ricardo. Ricardo haakte aan bij Smith, na op te merken op dat er twee verklaringen voor waarde zijn, schaarste en arbeidstijd. Hiermee verdeelt hij de waren in twee categorieën: die waarvan de waarde door schaarste bepaald wordt (kunstwerken, zeldzame munten, wijn van uitzonderlijk goede grond) en de overgrote meerderheid van industrieel reproduceerbare waren, waarop door concurrentie de waardebepaling door arbeid van toepassing is.
Net als Smith merkt Ricardo op dat geld in waarde fluctueert, maar hetzelfde ziet hij gebeuren met graan, dat in waarde daalt door verbeteringen in de landbouw: als de landbouw productiever wordt, is immers minder arbeid nodig om het te verbouwen. Gevolg is dat het voor Ricardo noodzakelijk is om te zeggen dat de waarde van arbeid zelf verandert, als graan goedkoper te produceren of importeren wordt, terwijl voor Smith de waarde van alle andere waren zou zijn gestegen.Ricardo (Principles, hoofdstuk 1) geeft het voorbeeld van arbeiders die betaald worden in graan. Als het loon stijgt van één bushel graan naar 1½, terwijl de waarde van graan halveert, dan is Smith volgens Ricardo verplicht te zeggen dat de waarde van arbeid tegelijk stijgt en daalt. Deze observatie had voor Ricardo ook een politieke consequentie: hij mengde zich in de discussie over de graanwetten (de Britse importheffingen op graan) aan de zijde van de tegenstanders, omdat goedkoop graan goedkoop levensonderhoud, en dus goedkopere goederen zou opleveren.
Ricardo was minder dan Smith geïnteresseerd in arbeid als de bron van waarde, als in de bepaling van relatieve productieprijzen van goederen, die hij vanuit hun arbeidsinhoud verklaarde. Daarom spreekt men bij Ricardo wel over een arbeidsprijzentheorie (labour theory of price) in plaats van een arbeidswaardetheorie (labour theory of value). Hij gebruikte arbeid als een standaardgoed en stelde dat deze zo'n 93% van de prijsvariaties kon verklaren.
In zijn Principles of Political Economy gebruikt Ricardo het volgende voorbeeld: Een boer betaalt honderd man een jaarloon van £50 om graan te verbouwen, zonder noemenswaardig gebruik van kapitaalgoederen; hij investeert dan een kapitaal van £5000. Als de algemene winstvoet op kapitaal 10% is, dan verkoopt hij het graan voor een waarde van £5500. Een kapitalist betaalt honderd man £50/jaar om een machine te bouwen. Zijn investering is eveneens £5000, dus de machine heeft een (verkoop-)waarde, inclusief 10% winst, van £5500. In het volgende jaar laat de kapitalist honderd man met de machine katoen verwerken, opnieuw voor £50/jaar. Zijn investering is nu £5000 plus de waarde van zijn machine à £5500. De waarde van zijn katoen is dan gelijk aan arbeidskosten plus 10% winst op het gehele kapitaal à £10.500: £5000 + 10% × (£5000 + £5500) = £6050. In Ricardo's voorbeeld verschillen de prijzen in het tweede jaar omdat de graan- en katoensectoren verschillende kapitaalintensiteiten hebben ontwikkeld. Hij werpt twee beroemde hypotheses op: Aangezien de opbrengsten van productie verdeeld worden tussen arbeid en kapitaal (als loon en winst) zal een verhoging van het reële loon de winst drukken. De effecten zijn echter verschillend in de graan- en katoensectoren: de producten van de eerste, arbeidsintensieve sector zullen relatief duurder worden, die van de tweede goedkoper omdat hier winst een groter aandeel in de prijs heeft. Het verschil zal echter klein zijn, max. 7%, omdat de kapitalisten een loonstijging met een groter effect zullen blokkeren. Verbeteringen in de productiviteit zullen de grootste factor zijn in prijsveranderingen: kapitalisten zijn op dagelijkse basis op zoek naar efficiëntere productiemethoden. Beide hypotheses waren in Ricardo's tijd niet te bewijzen door gebrek aan prijsstatistieken. Pas midden twintigste eeuw werden ze getoetst, met positieve resultaten.
Marx