Blokken is een dystopische roman van de Nederlandse schrijver F. Bordewijk waarin een technologisch vergevorderde totalitaire heilstaat wordt beschreven. De eerste druk van Blokken verscheen in 1931 en werd uitgegeven door De Gemeenschap in Utrecht. A. M. Oosterbaan ontwierp de oorspronkelijke omslag.
Het boek staat bekend om zijn geserreerde, kille stijl en de harteloosheid waarmee het menselijke bestaan wordt voorgesteld. Enige invloed op het Nederlandstalige literaire veld kwam er pas toen Bordewijks boek Bint uit 1935 "overwegend ideologisch georiënteerde reacties" opriep, waarmee zijn naam en oeuvre een gevestigde waarde werden. De roman bestaat uit tien ongenummerde hoofdstukken en speelt zich misschien af in het toenmalige communistische Rusland. Desondanks zijn er enkele fascistische elementen terug te vinden.
Blokken is eveneens sterk beïnvloed door het kubisme en de constructivistische bouwkunst, wat in heel de roman zichtbaar is in de symmetrische opbouw, de vertelstijl en de "ver-blokte [weergave van de] werkelijkheid". miniatuur|Stofomslag 1e druk (1931)
Stilistisch is Blokken, samen met Knorrende Beesten (1933) en Bint (1934), een van de meest extreme voorbeelden van Bordewijks 'gewapend-betonstijl'. De taal is bondig, afgebeten, en wordt gekenmerkt door ellipsis en asyndetische zinsbouw. Beeldspraken en metaforen zijn vaak complex en poëtisch.
Blokken past in een traditie van dystopieën (negatieve toekomstvisies) zoals de Russische roman Wij (1920) van Jevgeni Zamjatin, de film Metropolis (1927) van Fritz Lang, Brave New World (1932) van Aldous Huxley, 1984 (1949) van George Orwell en Het reservaat (1964) van Ward Ruyslinck.
Paratekst De omslag van de eerste druk van Blokken is vormgegeven door Andreas Martinus Oosterbaan en bestaat uit een combinatie van wit, zwart en rood. De tekst op de cover is ingedeeld in blokken, als verwijzing naar de titel van de roman. Ronald Breugelmans, die in 1986 het nawoord heeft geschreven bij een facsimile-uitgave, sprak zich uit over deze omslag. Hij beweerde dat hij "zelden [...] een boek [heeft gezien] waarvan het uiterlijk zo met de titel overeenkomt". Opvallend zijn de gelijkenissen tussen de omslag van Blokken en de ontwerpen die het tijdschrift De Stijl hanteerde. Ook de redactieleden van dit tijdschrift kozen vaak voor de kleuren wit, zwart en rood. Bovendien beperkten de leden van de stroming De Stijl zich bij het ontwerpen van hun gelijknamige tijdschrift tot een zo eenvoudig mogelijke vormgeving. Dat valt te vergelijken met de simplistische opmaak van de cover van Blokken.
De roman is opgedragen "aan S.M. Eisenstein en A. Einstein, een filmcomponist en wijsgeer, meesters der verschrikking". Hiermee verwijst Bordewijk naar de Russische filmregisseur Sergej Eisenstein en naar de theoretisch natuurkundige Albert Einstein. Het is niet verrassend dat deze twee personen genoemd worden, aangezien beiden een grote invloed uitgeoefend hebben op de roman. Albert Einstein argumenteerde dat het tijd-ruimte-continuüm statisch en eindig is, wat zich uit in Blokken. Ook de Staat, de samenleving die Bordewijk in zijn boek beschrijft, is immers een gesloten, statisch systeem zonder uitweg. Dat verklaart waarom een lid van groep-A, een beweging die zich tegen het regime verzet, beweert dat ons heelal verbonden is aan oneindig veel heelallen. Ons universum zou slechts een onbenullig deeltje zijn van het oneindige. Daarnaast vertoont ook Eisensteins werk gelijkenissen met Bordewijks Blokken. Zo behandelen beiden een gelijkaardig thema en is er in geen van de werken sprake van een rechtlijnige verhaalhandeling.
Synopsis
13 november. Nacht. Een reusachtig luchtschip, de Mammoth, vliegt door de hemel. Het is het grootste bestaande luchtschip en vormt “een stad boven de aarde”. Onder deze zwevende reus suist een kleiner vliegtuig voorbij, dat even later op het vliegveld van de hoofdstad landt. De passagiers worden door politierijen opgewacht. Dit is de Staat. De Staat is een rijk, waarin iedereen in steden leeft, internationaal verkeer uitgedoofd is, de auto enkel nog voor militaire doeleinden dient, menselijke voortplanting via het demografisch instituut geoptimaliseerd wordt en er alles aan gedaan wordt om het begrip 'sekse' en 'individu' te doen verdwijnen. De Raad, het hoogste bestuursorgaan in de samenleving, bestaande uit vijf mannen en vijf vrouwen, verplicht iedereen om dezelfde kleding te dragen, hetzelfde kapsel te nemen en de strikt geplande vijfdaagse werk-, rust- en feestkalender te volgen. De stadsplanning is even gestructureerd als het leven van de burgers: de mensheid beleeft haar afgelijnde dagen in vierkante woon- en werkkwartieren, nuttigt gezamenlijk haar maaltijden en marcheert op vrije dagen in vierkantig en rechthoekig geordende troepen door de vlakke natuur rond de stad.
De Staat steeds bezit de karaktertrekken van een totalitair regime, dat de kapitalistische ideologie uit alle macht probeert te weren. Zo is privacy onbekend, alleen zijn taboe en elke vorm van eigendom verboden. Muziek beperkt zich tot het zingen van nationale liederen. De enige overblijvende religie is die van de verheerlijkte astronomie. De Staat zet volledig in op de massa, het individuele beschouwt hij als staatsgevaarlijk en dus als ongewenst. Kritiek is ten strengste verboden en elke overtreding betekent gevangenis. Eens in de zoveel tijd nodigt de Raad echter wel een gevangene uit om zijn mening te verkondigen op een lezing, maar dat dient enkel als avondvullend entertainment voor de belangrijkste politici van de Staat. Zijn tegendraadse opvattingen zijn er dan ook louter om mee te lachen en na zijn preek over "het idée fixe [...] van de Bol" wordt de crimineel, die overigens een baard heeft en dus niet geüniformeerd is zoals de rest van het volk, weer veilig naar zijn vierkante cel geleid.
In de donkere stadskern daarentegen kiemt heimelijk de stem van een naderende opstand. Die buurt geldt voor de Staat als waarschuwing uit het verleden: de "wijk van het slechte voorbeeld" is met zijn patriciërswoningen, musea, kerken en ronde vorm het symbool van de kapitalistische samenleving. 's Nachts laten de leden van de opstandige groep-A zich hier geniepig insluiten om op een zolderkamer een bijeenkomst te houden. Zij eisen het recht om te vragen, om te twijfelen, om kritiek te uiten, om mens en individu te zijn. De beweging krijgt steeds meer aanhang en de Raad voelt onrust opborrelen in de hoofdstad. Dan breekt de opstand uit, maar de goed uitgeruste Raad weet hem met nietsontziende maatregelen snel neer te slaan en arresteert hierna de leiders van de rebellen, die zonder pardon publiekelijk geëxecuteerd worden. De stadskern is ondertussen verwoest en vervangen door een, opvallend, rond Kernplein.
Die overwinning op de staatsgevaarlijke anti-beweging moet gevierd worden en dat doet de Staat met drie grote feestelijkheden voor het volk: de lancering van een raket; de ontginning van een kolossale meteoriet; en ten slotte een luchtspiegeling, waarbij met gekleurde gassen het visioen van een toekomstige blokkenstad in de lucht geprojecteerd wordt. Hoewel het gevaar overwonnen is, is het evenwicht in de Staat nog steeds wankel.
Overal blijft het kwaad opduiken: de bevolking geeft zich over aan de verleiding van geld, juwelen, drank en spel. Dat gebeurt volgens de Raad onder de invloed van het kwalijke kapitalistische buitenland. Voor het volk voelt het daarentegen als een verademing om eens een individu te kunnen zijn. Wanneer op 15 maart de vierjaarlijkse wapenschouwing plaatsvindt, kan de Raad zijn ogen niet meer sluiten voor de werkelijkheid. Terwijl de geoptimaliseerde vloot en de horde helikopters zowel binnen- als buitenland moeten intimideren, ziet het bestuur vanuit de lucht hoe de stad een broeihaard van wanorde is geworden. De rechte lijnen van een solide samenleving veranderen langzaam in opstandige cirkelvormen. Het voortbestaan van de Staat ligt onder vuur.
Vervlakte Personages In de roman komen zelden individuele figuren aan bod, het romanpersonage als individu verdwijnt als het ware in Blokken. Zoals de burgers in een totalitaire staat verliezen de romanpersonages namelijk hun individuele kenmerken en fungeren ze vooral als werktuig voor de staat en de uiteenzetting van een experiment.
Wanneer Bordewijk toch afzonderlijke personages ten tonele voert, zijn ze vaak eendimensionaal en vlak en lijken ze zelfs geen eigen identiteit te hebben. Van psychologische ontwikkelingen is er al helemaal geen sprake. Zo duikt in het derde hoofdstuk een gevangene op die een lezing komt geven, maar hij wordt niet bij naam genoemd en de opvatting die hij verkondigt, is belangrijker dan zijn persoonlijkheid. Net zoals de rebellen van groep-A reduceert Bordewijk de gevangene tot een mening, een naamloze spreker. Enkel het uiterlijk van die laatste wordt nog beschreven: “Hij was klein, verschrompeld, bijziende, en er lag slechts kracht in zijn lange, sneeuwwitte beharing van hoofd en gelaat”.
De leden van groep-A treden nog anoniemer op. Zij zijn niets meer dan schimmen die in het donker opduiken en Bordewijk onderscheidt hen slechts met rangtelwoorden of onbepaalde voornaamwoorden: “Een zei”, “Een ander zei”, “De eerste zei”, “De zesde zei”. Pas in het zevende hoofdstuk worden de namen van de rebellen kenbaar gemaakt, maar ook daar blijft het louter bij een opsomming. De vermelding van hun namen draagt niet bij tot enige vorm van identiteit of identificatie als personage. De rol van personages zoals de rebellen of de spreker beperkt zich dus tot louter symbolisch. Bordewijk haalt hen enkel aan als vertegenwoordiger van een idee, mening of ideologie, net zoals in de Staat zelf kunstenaars en wetenschappers anoniem blijven.
Naast deze identiteitsloze figuren duiken nog enkele andere personages op in Blokken. Het hoofdpersonage is de naamloze collectivistische Staat. Hij bepaalt als abstracte instantie de inrichting van het leven. Het concept van ‘staat’ wordt gepersonifieerd en wordt zo, in tegenstelling tot de individuen van groep-A of de gevangene, wel een concreet personage: “De Staat loochende alle individuele waarden, in de eerste plaats de waarde van het individu.” Die personificatie wordt ook duidelijk in volgend voorbeeld: “In de tijd dat de Staat nog handel dreef met het buitenland [...]”. De Staat lijkt wel een echt bestaand wezen te zijn dat alle macht in handen heeft. Ook de Raad, het bestuursorgaan van de Staat, dat uit tien mensen - vijf vrouwen en vijf mannen - bestaat, krijgt een materieel karakter: “Maar de Raad kende de leden niet waaruit hij bestond, hij was de monoliet, gaaf van samenstelling en ongespleten.” Hoewel de Staat, als gepersonifieerd figuur in de roman, het voor het zeggen heeft, uit zijn macht zich concreet in de Raad die “als Norm, als Handeling, als Beslissing” geldt.
Hoewel er dus toch sprake is van personages in deze roman, is hun voorkomen uitermate identiteitsloos en afstandelijk. Naast de Raad, de Staat, de spreker op de lezing en de rebellen van groep-A verwijst Bordewijk slechts zeer algemeen naar romanfiguren als de bevolking of het volk, gezinnen of de mensheid. Dat doet hij zeer bewust, zo blijkt uit een radiogesprek met Bordewijk uit 1962. Daarin vertelt hij over de genese van Blokken als een roman "waarin geen mensen voorkomen, alleen maar massa's".
Verteller