Alexander Hamilton (Charlestown (Nevis), 11 januari 1755 of 1757Er is onduidelijkheid over het precieze geboortejaar van Hamilton. Bij zijn aankomst in de Dertien koloniën gaf hij zelf 1757 op en daar lijkt het meeste bewijs voor te zijn. In het testament van zijn moeder, die in 1768 overleed wordt, over haar zoon gezegd dat hij 13 jaar oud was. Dat zou dus duiden op 1755. Mogelijk is hier sprake van een foute weergave. Een andere verklaring is dat Hamilton jonger wilde lijken en daarom zelf een verkeerd jaartal opgaf. – New York, 12 juli 1804) was een Amerikaans politicus, militair, advocaat en econoom. Hij was de eerste minister van Financiën ("secretary of the Treasury"). Zijn economische uitgangspunten vormden een belangrijke basis waardoor de Amerikaanse economie zich snel kon ontwikkelen en de gevolgen van zijn keuzes zijn tot de dag van vandaag merkbaar. Zijn portret staat op het Amerikaanse $10-biljet.

Levensloop Jeugd Zijn moeder had haar eerste man verlaten zonder officieel te scheiden. Zij ontmoette James Hamilton en met hem kreeg ze twee zonen, Alexander en James. Hamilton werd geboren op het eiland Nevis, destijds een Britse kolonie in West-Indië. Zijn vader James liet het gezin in de steek en zijn moeder overleed in 1768. Zijn vroege jeugd bracht hij door op het Nederlandse Sint Eustatius, buureiland van Nevis. Hij verhuisde later naar St. Croix (nu Amerikaanse Maagdeneilanden) waar hij werd geadopteerd door een lokale koopman. Vervolgens viel hij op door een essay dat hij publiceerde in de Royal Danish-American Gazette, een gedetailleerd verslag van een orkaan die het eiland trof. Zijn essay maakte indruk op de lokale leiders die geld bij elkaar legden zodat hij in de Dertien koloniën kon studeren.

Amerikaanse revolutie Hamilton begon zijn studie in 1773 aan King's College in New York, de voorloper van de Columbia-universiteit. Hij raakte al snel betrokken bij het koloniale verzet tegen de Britten en publiceerde verschillende artikelen waarin hij zich uitsprak voor de revolutionaire zaak. Tegelijk verzette hij zich tegen het openlijke geweld tegen de Loyalisten. Zo zou hij een groep patriotten lang genoeg hebben tegengehouden door op hen in te praten, dat het hoofd van King's College genoeg tijd had om te ontsnappen.

Kort na de uitbraak van de Onafhankelijkheidsoorlog voegde Hamilton en veel van zijn medestudenten zich bij de militie van de staat New York. In zijn eigen tijd verdiepte hij zich in militaire geschiedenis en tactieken en hij maakte snel carrière. Samen met een aantal strijdmakkers veroverde hij een aantal kanonnen op de Britten en zodoende werd hun afdeling omgevormd tot een artillerieregiment, met Hamilton aan het hoofd in de rang van kapitein. In die hoedanigheid vocht hij mee in de Slag bij White Plains en de Slag bij Trenton. Vervolgens werd de jonge kapitein verschillende keren gevraagd om als assistent van verschillende generaals te dienen. Hamilton weigerde dit omdat hij dacht dat de snelste manier om carrière te maken was door glorie te verwerven op het slagveld. Toen de vraag kwam om generaal George Washington te assisteren in de rang van luitenant-kolonel, kon hij echter niet weigeren.

Als Washingtons persoonlijke assistent vervulde Hamilton een centrale positie. Hij correspondeerde met het Congres, gouverneurs, Continentaal Leger en invloedrijke tijdgenoten als John Laurens en Marquis de La Fayette. Hij stelde veel van de brieven en orders van generaal Washington op en gaf soms zelfs orders uit in naam van Washington onder zijn eigen handtekening. Toen duidelijk werd dat het einde van de oorlog naderde wilde Hamilton weer in actieve dienst gaan, omdat er anders weinig mogelijkheden voor militaire glorie zouden komen. Hij kreeg een reprimande van generaal Washington en gebruikte dat als excuus om na vier jaar op te stappen. In juli 1781 benoemde de generaal hem tot hoofd van een infanteriebataljon. Tijdens de beslissende Slag bij Yorktown gaf hij leiding aan drie bataljons. Nadat de Britten zich hadden overgegeven en daarmee een einde was gekomen aan hun massale militaire aanwezigheid in Noord-Amerika trok Hamilton zich uit het leger terug.

Lid van het Continentaal Congres thumb|200px|left|Hamilton, naar een gravure van Prud'homme De staat New York vaardigde Hamilton in 1782 af naar het Continentaal Congres. Daar werd hij al direct een opponent van voorzitter Thomas Jefferson. Hamilton was een vurige voorstander van een federale overheid met een sterk centraal gezag, en Jefferson voelde daar niets voor. Hij zag dat als bedreiging voor de pas verworven vrijheid en beschuldigde Hamilton ervan, dat deze de onderdrukking van de vrijheid door de Engelse koning wilde vervangen door een onderdrukking van de vrijheid door een federale regering. Onder de Articles of Confederation had het Congres weinig macht. Voor de uitvoering van zijn (oorlogs)plannen was het grotendeels afhankelijk van de financiële welwillendheid van de individuele staten. Het Congres mocht geen belasting innen en het was daardoor niet goed in staat het Continentaal Leger structureel te steunen met voedsel, munitie en uitbetaling van lonen.

Een amendement van Thomas Burke in februari 1781 op de Articles of Confederation, waardoor de federale overheid op alle goederen vijf procent importheffing mocht vragen, moest door de staten geratificeerd worden, maar werd door Rhode Island afgewezen. Hamilton haalde het Congres over om een delegatie naar Rhode Island te sturen om haar over te halen alsnog te ratificeren. De intrekking van Virginia van haar eigen ratificatie maakte een einde aan de onderhandelingen.

Intussen begonnen ontevreden soldaten steeds meer een bedreiging te vormen voor de stabiliteit in de jonge republiek. Een groep officieren ging in 1782 langs bij het Congres om achterstallig loon op te eisen. Verschillende Congresleden, onder wie Robert Morris en Gouverneur Morris, wilden de onvrede gebruiken om de staten tot meer financiële steun aan de federale overheid te dwingen. Andere oplossingen wezen zij af. Generaal Washington liet Hamilton weten dat hij het leger niet moest gebruiken voor zijn eigen politieke doeleinden. Uiteindelijk loste het Congres het probleem op door tijdelijk belasting te heffen op importproducten, voor een periode van 25 jaar. Daarmee zou er voldoende geld zijn om alle soldaten uit te betalen. Dit voorstel moest echter opnieuw geratificeerd worden en weer besloot Rhode Island dat niet te doen. Een groep soldaten trok in juni 1783 op naar Philadelphia. Het Congres week vervolgens uit naar Princeton, New Jersey.

Hamilton stapte in juli 1783 op als lid van het Congres en keerde terug naar New York. Daar begon hij een eigen advocatenpraktijk. In 1784 richtte hij de Bank van New York op. In 2007 werd dit The Bank of New York Mellon (BNY Mellon) na een fusie van The Bank of New York en Mellon Financial Corporation. In 1786 werd hij afgevaardigd naar de Annapolisconventie. Deze bijeenkomst vormde de opstap tot de Constitutional Convention van 1787. Met James Madison (Philo) en John Jay (Publius) schreef hij onder de naam Caesar de beroemd geworden artikelen over de Amerikaanse Grondwet, die gebundeld werden onder de naam de Federalist Papers.

Minister van Financiën In het eerste kabinet van George Washington werd Hamilton minister van Financiën (Secretary of the Treasury). Hij was voorstander van een sterke federale overheid. Daarmee stond hij lijnrecht tegenover minister van Buitenlandse Zaken Thomas Jefferson die juist vond dat de macht bij de individuele staten moest liggen. Deze beklemtoning van de federale regering wekte weerstand bij de verdedigers van de rechten van de afzonderlijke staten en zo ontstond vanuit deze tegenstelling het Amerikaanse partijwezen. Hamilton en zijn aanhangers werden de Federalisten genoemd en daartegenover stonden de Democratisch-Republikeinen van Jefferson.

In september 1789 werd Hamilton gevraagd een rapport te schrijven over de financiële situatie in het land, het werden er vier. , American Historic History, Harper & Row, New York, 1960, p.153 Het eerste verscheen op 14 januari 1790 en ging in op de schuldenpositie. Op 13 december van hetzelfde jaar verscheen het tweede rapport over de inkomsten van de overheid, voornamelijk accijnzen, en het derde rapport met het voorstel om een centrale bank op te richten. Op 5 december 1791 verscheen zijn vierde en laatste rapport over de economische ontwikkeling van de industrie.

Schulden Hamilton zag als een belangrijke voorwaarde voor een sterke federale regering dat zij ook financieel geloofwaardig was en daar was een gezonde financiële basis voor nodig. Founders Archives Report Relative to a Provision for the Support of Public Credit, 9 januari 1790, geraadpleegd op 27 januari 2020. Gearchiveerd op 27 januari 2020. De individuele staten hadden op dat moment voor miljoenen aan schulden openstaan. Hamilton besloot dat de Amerikaanse overheid die schulden zou overnemen, waarmee ook haar macht zou toenemen. Niet alle staten waren blij met deze oplossing. Virginia was bijvoorbeeld schuldenvrij en zou niet profiteren van het nieuwe voorstel, terwijl een staat als South Carolina, die juist had verzaakt de financiën op orde te brengen, veel profijt van het voorstel. Als compromis werd besloten dat de nieuw te stichten hoofdstad vanaf 1800 in Virginia of Maryland zou komen te liggen.

Inkomsten Accijnzen waren de belangrijkste bron van inkomsten voor de federale overheid. Daarmee kon tevens de interne markt worden beschermd. In 1794 leidde dit tot de zogeheten Whiskey-opstand. Boeren in een groot deel van het westen van Pennsylvania jaagden ambtenaren van hun erf die de accijnzen kwamen innen. Dit waren veelal veteranen van de Onafhankelijkheidsoorlog die vonden dat zij opkwamen voor dezelfde idealen als in die oorlog, namelijk vrij zijn van een federale overheid. President Washington greep snel in en stuurde een leger van vijftienduizend man, waaronder Hamilton, naar Pennsylvania. Nog voordat het tot een grootschalig gewapend treffen kwam legden de opstandelingen hun wapens neer. Door het neerslaan van de opstand nam het gezag van de federale overheid sterk toe.

Centrale Bank Hamilton stelde verder een centrale bank voor, naar het model van de Bank of England. Het startkapitaal van US$ 10 miljoen kwam voor een vijfde van de overheid en de rest van particulieren. De National Bank kreeg publieke taken, zoals het in circulatie brengen van papiergeld, schatkistbewaarder voor de overheid, verstrekken van kredieten en helpen bij de verkoop van staatsobligaties. Het bestuur bestond uit een raad met 25 leden, waarvan de meerderheid de particuliere aandeelhouders zou vertegenwoordigden. Voor de oprichting waren er slechts drie banken actief in het land, de Bank of North America, Bank of New York en Bank of Massachusetts.

Het wetsvoorstel werd zonder grote problemen door de Senaat aangenomen, maar in het Huis van Afgevaardigden was meer weerstand. Hamilton werd verweten de belangen van het noordoosten te laten prevaleren boven die van de zuidelijke staten die vooral met landbouw hun geld verdienden. Met de verhuizing van de hoofdstad van Philadelphia naar Washington werd een deel van de bezwaren tegemoet gekomen. Het wetsvoorstel werd uiteindelijk aangenomen met 39 stemmen voor en 20 tegen op 8 februari 1791.