miniatuur|Brugse druk van Den Troost der Aermen uit 1765 door Joseph Van Praet. Bewaard in de Openbare Bibliotheek Brugge. Joseph-Ignace Van Praet (Brugge, 22 juli 1724 - 20 januari 1792) was een uitgever, boekhandelaar en societyfiguur in het 18de-eeuwse Brugge.
Levensloop Van Praet was de zoon van Joseph Van Praet (1691-1724) en van Anne-Marie Herregoudts (1685-1749), dochter van kunstschilder Jean-Baptiste Herregoudts (Roermond, 1646 - Brugge, 1721) en van Anne-Pieternelle Timmermans († 1727). Kunstschilder Herregoudts was zich na 1680 in Brugge komen vestigen, was medestichter van de Brugse Kunstacademie en had naam gemaakt als schilder van portretten en van religieuze en historische taferelen. Joseph Van Praet senior was lakenhandelaar. Na zijn vroegtijdige dood zette zijn weduwe de zaak verder, vanaf circa 1745 bijgestaan door Joseph-Ignace. Hij bleef de zaak verder zetten tot in 1760.
In 1750 trouwde hij met zijn verre nicht, Marie-Anne Hergosse (Amiens, 1725 - Brugge, 1808). Het echtpaar kreeg negen kinderen. Vier stierven jong: Félicité (1752-1753), Johannes (1758), Augustinus Jacobus (1766) en Henrica (1766). Twee dochters bleven in leven. Marie-Anne, het oudste kind (1751-1827) en haar zus Félicité-Thérèse (1755-1827). De drie zoons waren Joseph-Basile Van Praet (° 1754), François Van Praet (° 1759) en Augustinus Van Praet (° 1770). Deze laatste werd de vader van Jules Van Praet en de schoonvader van Paul Devaux.
Talrijke activiteiten De bezige bij Joseph Van Praet was professioneel actief in de Kamer van Koophandel als lakenhandelaar en vervolgens in het librariërsgild als drukker-uitgever.
Hij oefende ook activiteiten uit als ontvanger. Vanaf 1760 en tot aan zijn dood was hij ontvanger van het ambacht en de heerlijkheid van Sijsele, van de kerk en de parochie van Beernem, van het Ambacht en de heerlijkheid Nieuwen en de heerlijkheid Walschen in Beernem. Vanaf 1769 werd hij ook baljuw van de heerlijkheid Tillegem en bleef dit tot in 1786.
In 1746 was hij medestichter van de muziekvereniging "Confrerie van het Concert", zetelde onafgebroken in het bestuur en was vanaf 1777 tot aan zijn dood in 1792 de penningmeester.
In 1755 werd hij lid van het genootschap van de Brugse Kunstacademie, waarvan zijn grootvader J. B. Herregoudts destijds een van de stichters was. In 1775, ter gelegenheid van een grondige reorganisatie werd hij assessor of bestuurslid en in 1778 werd hij tresorier, wat hij eveneens tot aan zijn dood bleef.
In 1749 werd hij lid van de Sint-Jorisgilde en speelde er vele jaren een bijzonder actieve rol. Hij behoorde ook tot de Sint-Jorisgilde Jonghof (1749), tot de Sint-Sebastiaansgilde van Sint-Kruis (1752) en tot de Sint-Sebastiaansgilde in de Carmersstraat (1774). Hij was er in de Sint-Jorisgilde net op tijd bij om de heropleving van de gilde mee te maken. In 1750-51 werden 125 nieuwe leden ingeschreven. Dit was evenveel als men in de dertig voorafgaande jaren had lid gemaakt. Het is niet overmoedig te veronderstellen dat de actieve Van Praet in deze heropleving mee de hand had.
Hij werd een actieve schutter en nam meestal deel aan de verplaatsingen naar andere schuttersverenigingen. Weldra werd hij hofmeester of "regisseur" en hij nam zijn taak zodanig ter harte dat hij een uitgebreide studie over de gilde opstelde en publiceerde.
Lakenhandelaar werd drukker In 1762 deed Van Praet de overstap van de lakenhandel naar de boekhandel en drukkerij, hierdoor van zijn hobby zijn beroep makende. Al in 1764 werd hij gouverneur van het librariërsgild en in 1768-69 en 1774-75 bekleedde hij opnieuw deze functie. Hij was niet alleen, aangezien Brugge een tiental actieve drukkers telde. Zijn voornaamste concurrenten waren Joseph De Busscher, Joseph Bogaert en De Moor.
Hij werd een actieve drukker die zich op heel wat terreinen liet gelden: overheidsdrukwerk, gelegenheidsdrukwerk, almanakken, boeken en catalogi.
Overheidsdrukwerk thumb|Titelpagina van een van de boeken die gedrukt werden door Joseph Van Praet (1787) Hij slaagde er bijna onmiddellijk in al het drukwerk ten behoeve van het bestuur van het 'Brugse Vrije' binnen te halen. In 1767 werd hij bijkomend ook nog de officiële drukker voor het stadsbestuur van Brugge.
Gelegenheidsdrukwerk Van het talrijke gelegenheidsdrukwerk slaagde hij er in een behoorlijk deel naar zijn drukkerij te doen overkomen, voor vaste klanten zoals gilden en ambachten, kloosters, schuttersgilden, rederijkers, godvruchtige genootschappen, vermogende particulieren enz.
Boekdrukken Vooral in de eerste tien jaar was zijn drukkerij bijzonder werkzaam en rolde het ene werk na het ander van zijn persen. Vooral in de jaren 1765-1767 werkte het atelier tegen een hoog ritme, dat naderhand niet volgehouden werd. De eigen publicaties waren in overgrote meerderheid in het Nederlands: 42 van de 51 titels, met dan nog vijf in het Frans, drie in het Latijn en een in het Engels. Wat de onderwerpen betreft waren er 24 van godsdienstige aard, 7 over geneeskunde, 7 educatieve boeken, 8 met ambtelijke stukken en 5 van geschiedkundige aard.
Het eerste boek dat hij in 1763 drukte was het heiligenleven van Agnes de Saint-Amour. Deze volumineuze biografie (560 blz.) van de hand van de ascetische schrijver Michel-Ange Marin (Marseille 1697 - Avignon 1767) was pas enkele maanden voordien in Frankrijk gepubliceerd. Daarnaast publiceerde hij 'Raadgevingen voor de gezondheid van den gemeenen man, van landlieden en alle die de hulpe van een bequaem genees- of heelmeester ontbreken'. Dit was de vertaling door de Rotterdamse geneesheer Lambertus Bicker van de 'Avis au peuple sur la santé' die in 1761 in Lausanne was verschenen, van de hand van de Zwitserse geneesheer Simon-André Tissot (1728-1797). Al op 4 april 1764 had Van Praet de bisschoppelijke goedkeuring voor deze publicatie, zodat er ook hier weinig tijd verliep tussen de oorspronkelijke tekst en de vertaling, die in 1765 werd gedrukt.
De godsdienstige werken waren helemaal in de geest van de tijd. Zoals iedere Brugse drukker zijn eigen almanak uitgaf, was het drukken van sermoenen als het ware een must. Weinig drukkers hadden niet één of meerdere dergelijke publicaties in hun fonds. Van Praet vatte het groots op door in tien lijvige boekdelen de sermoenen van Petrus Massemin (1644-1742) uit te geven, met vooraan een al dan niet door hemzelf geschreven biografie van deze gevierde Brugse predikant.
Hoewel hij in 1763 al het boek van M. A. Marin had gepubliceerd, beschouwde Joseph Van Praet de sermoenen als "het eerste bezonder werk, dat uit myne Persse komt" zoals hij in zijn opdracht aan bisschop Caïmo schreef, hopende dat diens hoge bescherming de verkoop van het werk zou bevorderen "niet alleenelijk in dit Bisdom, maer heel het zelve Nederland door". Voor de eventuele drukfouten verontschuldigde Van Praet zich bij voorbaat, want zo schreef hij, het werk was "om de onverduldigheid van iedereen te voldoen, in min als een jaer van onze Persse gekomen".
In 1765, het topjaar in Van Praets boekdrukactiviteiten verscheen in drie delen (1632 blz.) de 'Jaer-boecken der stadt Brugge'. Hij hernam hiermee het gelijknamig werk in twee delen dat, zonder auteursnaam, in 1738 bij Pieter Van de Cappelle was gedrukt. Al op 26 januari 1763 verkreeg Van Praet keizerlijk privilegie om het boek te herdrukken zowel in het Nederlands als in het Frans (hiervan lijkt echter niets in huis te zijn gekomen) en er voor twintig jaar de alleenverkoop van te hebben. Op 12 mei 1765 kreeg hij de bisschoppelijke approbatie.
Jaarlijkse almanak Een boekhandel en drukkerij zonder eigen jaarkalender kon in die tijd blijkbaar niet. De belangrijkste in Brugge was de Grooten Brugschen Comptoir Almanack die achtereenvolgens door Andries Wydts, Pieter De Sloovere en Jozef De Busscher werd gedrukt. Ze hadden hiervoor een exclusief octrooi, dat evenwel kon omzeild worden als men maar een andere inhoud vond voor een concurrerende almanak. Einde 1763 publiceerde Joseph Van Praet voor het eerst zijn 'Grooten comptoir almanack 's lands van den Vrijen' voor het jaar 1764, dat hij in een voorwoord met superlatieven van lof en onderdanigheid opdroeg aan de burgemeesters en schepenen van het Brugse Vrije.
Catalogi Een laatste onderdeel van de activiteiten van Van Praet bestond in het inventariseren van privé-bibliotheken en het drukken van veilingscatalogi. In 1767 drukte hij een eerste van die werkjes. Soms ging het om bescheiden drukwerk met een paar tientallen bladzijden, maar soms waren het boeken van 200 bladzijden en meer.
Eigen inbreng Het door Van Praet uitgegeven werk blonk zeker niet uit door originaliteit of militantisme. Het beperkte zich tot hoofdzakelijk Nederlandstalige, niet-controversiële geschriften, waarbij de godsdienstige werken het overwicht hadden. Niets ongewoons of opvallends maar de productie van een bescheiden en marktgerichte uitgever in een Vlaamse provinciestad van de Zuidelijke Nederlanden.
In de voorwoorden die Van Praet bij een aantal werken schreef, komt nochtans zijn persoonlijke mening om de hoek tevoorschijn. Zo gaf hij in het voorwoord tot de sermoenen van Massemin blijk van een grote gehechtheid aan de persoon van de Brugse bisschop Caïmo. De superlatieven die hij als "ootmoedigsten en onderdaenigsten dienaer" gebruikte, waren natuurlijk in de geest van de tijd, hoewel niets Van Praet verplichtte om zó lovend te zijn: "grooten en weerdigen bisschop - heel het Nederland door vermaerd en geagt - met alle de deugden die den Apostel in eenen bisschop verzoekt -" enz... Hij gaf hierbij ook uiting aan zijn gelovige en missionerende ingesteldheid, door als doel aan zijn publicatie te stellen, "niet alleen het verstand te verligten en de hoogste mysteriën van ons geloove aan alle christenen klaerelijk voor te stellen", maar vooral "de herten van alle doolende schaepen op het kragtigste te bewegen en tot boetvaardigheid te brengen".
Aan de 'Jaerboecken de stadt Brugge' gaf hij ook een lovende opdracht mee ter ere van de magistraat van Brugge en van het Vrije, onder wiens bescherming "de geleertheyt onder ons moet herleven, de konsten bloeyen en de naturelijcke gaven opgeheldert worden". Van Praet was dus een trouwe dienaar van het burgerlijk zowel als van het geestelijk gezag.
In zijn voorwoord tot de jaarboeken kwam ook tot uiting dat hij zo'n publicatie met kritische zin bekeek. Hoewel het toch drie volumes van elk 500 bladzijden besloeg, noemde hij het een "Werckxken" en een "Boeckxken" dat niet eens een volmaakte kroniek was, maar slechts een aanzet die kon leiden tot een vermeerderde en verbeterde uitgave om dan op basis daarvan een "volkomen historie" van Brugge te kunnen schrijven. De historische acribie kwam ook tot uiting in het drukken van een uitgebreide bibliografie met de opgave van alle werken die Custis voor het opstellen van zijn "jaarboeken" gebruikt had: bijna honderd Latijnse, Franse en Nederlandse werken, telkens secuur opgegeven met plaats en jaar van de druk.
Zijn kritische historische zin betoonde Van Praet ook in zijn voorwoord tot het Jaarboek der gilde Sint-Joris. Hierin dreef hij de spot met de hersenloze kroniekschrijvers die hun verbeelding als enige bewijsstukken aanvoerden en die, voor wat betreft de Sint-Jorisgilde de oorsprong gingen zoeken in de tijd van Julius Cesar of bij de Franken. Van Praet hield het bij een verzameling van authentieke documenten die hij in de archieven van de gilde aantrof en waarvan het oudste dateerde uit 1321. Hoewel hij hierbij onderstreepte dat hij niet de "eerzugt" had zich "uyt te geven voor historie-schrijver", toonde hij ook hierin dat hij een gezonde historische ingesteldheid had.
Boekhandel