Het Oost-Pruisenoffensief (Russisch: Восточно-Прусская операция) was een onderdeel van de veldtocht van het Rode Leger aan het oostfront in de winter van 1945. Vanaf 13 januari 1945 tot 25 april 1945 vielen het 2e Wit-Russische Front, het 3e Wit-Russische Front en het 1e Baltische Front de Duitse Heeresgruppe Mitte in Oost-Pruisen aan. Na hevige gevechten werden de Duitse legers naar de Oostzeekust teruggedreven, omsingeld in verschillende pockets en ten slotte vernietigd. Omdat dit de eerste aanval van het Rode Leger op Duits grondgebied was, waren de gevechten bijzonder hevig. De Sovjets waren door hun oorlogspropaganda opgehitst om zich te wreken voor het leed van de voorbije jaren en de Duitsers waren vastbesloten om hun burgers te beschermen. Na een beleg van enkele maanden viel de hoofdstad Koningsbergen op 8 april 1945 in handen van het 3e Wit-Russische Front.

De aanval van het Rode Leger op deze Duitse provincie leidde tot een grote stroom vluchtelingen naar het westen. Talloze Duitse burgers kwamen om tijdens deze tocht onder barre weersomstandigheden. Dit offensief staat ook bekend als het Tweede Oost-Pruisische offensief, want het Rode leger had reeds in oktober 1944 een poging ondernomen om Oost-Pruisen te veroveren. Deze poging leidde tot de mislukte Gumbinnen-operatie.

Plan voor de winterveldtocht 1945 thumb|Veldtocht van het Rode Leger in januari 1945 Eind oktober 1944 begon Stavka aan de planning van de winterveldtocht van het Rode Leger. Het 1e Wit-Russische Front (maarschalk G.K. Zjoekov) zou de belangrijkste aanval uitvoeren langs de as Warschau-Berlijn tegen de Duitse Heeresgruppe A. Het 3e Wit-Russische Front kreeg de taak om de Heeresgruppe Mitte frontaal aan te vallen en te verdrijven uit het zwaar verdedigde Oost-Pruisen. Hiervoor kregen ze de hulp van het 1e Baltische Front. Het 2e Wit-Russische Front (Maarschalk K.K. Rokossovski) moest de rechterflank van het 1e Wit-Russische Front beschermen en oprukken langs de benedenloop van de Weichsel. Ze moesten de loop van de rivier volgen tot aan de monding bij Danzig. Als ze de havenstad bereikten, dan zouden de Duitse strijdkrachten in Oost-Pruisen van de rest van Duitsland worden afgesneden. Het 3e Wit-Russische Front en het 1e Baltische Front zouden daarna de omsingelde Duitse eenheden vernietigen.

Voor het offensief herschikte Jozef Stalin zijn bevelhebbers. Een van de belangrijkste wijzigingen betrof het commando over de fronten. Maarschalk Zjoekov verving maarschalk Rokossovski als bevelhebber van het 1e Wit-Russische Front. Maarschalk Rokossovski was woedend dat hij opzij werd geschoven naar een minder belangrijke positie. Stalin wou echter niet dat een maarschalk van Poolse afkomst de belangrijkste Russische aanval zou leiden.

Situatie aan het oostfront Sovjetzijde In de nasleep van het Memeloffensief had het 3e Wit-Russische Front een poging gedaan om Oost-Pruisen binnen te dringen in oktober 1944, maar was na hevige gevechten bij Goldap teruggedreven. Sindsdien had het Rode Leger geen nieuwe poging ondernomen. Het 3e Wit-Russische Front nam posities in van de Oostzeekust tot aan de Narew. Generaal Tsjernjachovksi beschikte over 708 600 soldaten en 839 tanks.

Ten zuiden van het 3e Wit-Russische Front lagen de troepen van het 2e Wit-Russische Front. Maarschalk K.K.Rokossovski had zijn legers geconcentreerd in twee bruggenhoofden over de Narew, ten noorden van Warschau. Hij had 881.500 manschappen en 1186 tanks. Opgehitst door de pamfletten van Ilja Ehrenberg en hun politieke commissarissen begingen de soldaten van het Rode Leger op grote schaal oorlogsmisdaden tegen krijgsgevangenen en de burgerbevolking.

Slagorde van het Rode Leger 2e Wit-Russische Front (maarschalk Konstantin Rokossovski) 5e Garde Tankleger 2e Stoottroepenleger 3e Leger 49e Leger 50e Leger 48e Leger 70e Leger 65e Leger 3e Wit-Russische Front (generaal Tsjernjachovksi) 2e Gardeleger 31e Leger 11e Gardeleger 39e Leger 5e Leger 28e Leger

Duitse zijde Na de mislukte Goldap-Gumbinnen operatie in oktober 1944 was het relatief rustig gebleven in deze sector van het oostfront. De Duitsers maakten gebruik van deze luwte in de gevechten om hun verdediging verder te versterken. Er werden mijnenvelden gelegd, tankgrachten gegraven en nieuwe bunkers aangelegd. Generaal Georg-Hans Reinhardt maakte gebruik van de verdedigingstactieken, die de Sovjets bij Koersk hadden gebruikt. De mijnenvelden en tankgrachten moesten de aanvallende tanks in de richting van de gevreesde 88-mm antitankkanonnen leiden. De talloze bossen en moerassen van Oost-Pruisen zorgden voor een natuurlijke verdediging.

Adolf Hitler was ervan overtuig dat de belangrijkste aanval in Oost-Pruisen zou plaatsvinden en daarom werd Heeresgruppe Mitte versterkt met het Parachutisten-Pantserkorps Hermann Göring en Pantserkorps Großdeutschland.

Opstelling van de Wehrmacht Heeresgruppe Mitte (generaal Georg-Hans Reinhardt) 4e Leger (generaal Friedrich Hoßbach) Parachutisten-Pantserkorps Hermann Göring (generaal Wilhelm Schmalz) 41e Pantserkorps (generaal Helmuth Weidling) 55e Legerkorps (generaal Friedrich Herrlein) 6e Legerkorps (generaal Horst Großmann) 3e Pantserleger (generaal Erhard Raus) 26e Legerkorps (generaal Gerhard Matzky) 9e Legerkorps (generaal Rolf Wuthmann) 28e Legerkorps (generaal Hans Gollnick) 2e Leger (generaal Walter Weiss) 20e Legerkorps (generaal der Infanterie Rudolf Freiherr von Roman) 23e Legerkorps (generaal der Infanterie Walter Melzer) 27e Legerkorps (generaal Maximilian Felzmann)

Offensief Insterburg–Koningsbergenoffensief (13 januari 1945 - 26 januari 1945) Op 13 januari lanceerde het 3e Wit-Russische Front zijn aanval. Het tactische plan van generaal Tsjernjachovksi was eigenlijk niets meer dan een frontale aanval van vier legers op de Duitse verdediging. Als de doorbraak was geforceerd, dan zou het 11e Gardeleger ingezet worden. Het 31e Leger zou de verbinding met het 2e Wit-Russische Front vormen.

Vanaf de eerste dag kreeg het Sovjet-offensief problemen. Bij de eerste beschietingen had generaal Raus zijn troepen uit de eerste stellingen teruggetrokken. De Russische granaten vielen dus voornamelijk op lege stellingen. Zodra de beschietingen ophielden, namen de Duitsers terug hun posities in. In het noordelijke gedeelte van het front stonden het 39e Leger en 43e Leger (van het 1e Baltische Front) voornamelijk tegenover slecht getrainde Volksturmeenheden. Deze licht bewapende eenheden bezetten de sterke fortificaties van de Eerste Wereldoorlog, die langsheen de Memel waren opgetrokken. De verovering van deze bunkers en forten verliep echter erg langzaam, want de beide Sovjetlegers bestonden voornamelijk uit infanterie. thumb|Volkssturm

In het centrum probeerden het 5e en het 28e Leger een doorbraak te forceren in de richting van Insterburg. Op de eerste dag maakten de Sovjets goede vorderingen, maar daarna stokte hun opmars. De typische Pruisische dorpjes, met hun bakstenen huizen en versterkte ommuringen, vormden uitstekende verdedigingsstellingen. De Duitsers lieten de Sovjet naderen en pas op het laatste moment openden ze het vuur. Ze schakelden eerst de tanks uit en daar was de begeleidende infanterie een gemakkelijke prooi. De Sovjets konden hun artillerie niet inzetten, want dan zouden ze hun eigen troepen treffen. Wanneer ze zich hergroepeerden voor een nieuwe aanval, glipten de Duitse verdedigers onder dekking van de duisternis weg uit het dorp. Dankzij de plaatselijke Volksturm konden ze via kleine paden hun eigen linies terug bereiken. De Sovjets veroverden dan een leeg dorp en ze trokken verder naar westen. De volgende nacht slopen de Duitsers terug naar het dorp en overvielen de Sovjet troepen. Hierdoor was er geen duidelijke frontlijn meer en de bevelhebbers van het 5e en 28e Leger verloren het initiatief. Dorpen die waren veroverd, bleken enkele dagen later terug in handen te zijn van de Duitsers en dorpen waar hevig werd gevochten, bleken plots verlaten te zijn. Als er toch een doorbraak dreigde, dan zette generaal Raus zijn Pantserkorps Großdeutschland in.

thumb|Braunsberg In het gebied van het 2e Gardeleger bevonden zich minder dorpen, maar bestond het terrein uit bossen, meren en moerassen. Hier lagen de landgoederen van de Pruisische jonkers en deze vierkante herenboerderijen met hun hoge muren vormden geduchte verdedigingsstellingen. Vanaf oktober 1944 waren de Duitsers in de weer geweest om dit gebied te versterken met tankgrachten en mijnenvelden. Ze waren zodanig aangelegd dat de aanvallers naar de sterkste verdedigingspunten werden geleid. Het 2e Gardeleger moest hevig vechten om elke meter grond. De Duitse verdediging was des te fanatieker omdat ze wisten dat met elke dag dat ze standhielden er meer burgers naar het westen konden ontsnappen.

Ondanks zijn protest kreeg generaal Raus op 15 januari 1945 het bevel om het Pantserkorps Großdeutschland naar het zuiden te sturen. Er was een doorbraak aan het Weichselfront en alle beschikbare reserves moesten worden ingezet. Generaal Tsjernjachovksi besefte dat zijn aanval was vastgelopen en hij wierp zijn laatste reserve, het 11e Gardeleger, in de strijd tegen de verzwakte Duitse linkerflank. Op 18 januari 1945 sloeg dit leger een bres in de verdediging tussen de Inster en de Memel. Generaal Raus had geen reserves meer om het gat te dichten en hij beval een terugtocht naar Koningsbergen.

Generaal Tsjernjachovksi probeerde het 3e Pantserleger onder druk te houden, maar zijn troepen waren te vermoeid. Hij had enkele dagen nodig om hen te hergroeperen en de verliezen aan te vullen. Van deze luwte in de gevechten profiteerde generaal Raus om zijn leger naar Koningsbergen terug te trekken. Hij hoopte dat zijn leger zou worden geëvacueerd, maar Hitler beval hem stand te houden. Op 24 januari 1945 omsingelde het 3e Wit-Russische Front Koningsbergen. Het 3e Pantserleger en 200 000 vluchtelingen zaten vast in de stad. Een dag later werd ook Samland, met de havenstad Pillau omsingeld. Door de terugtocht was ook de positie van het 28e Legerkorps in het omsingelde Memel niet langer houdbaar. Ze werden op 27 januari 1945 over zee geëvacueerd naar Pillau.

Mława-Elbingoffensief (14 januari 1945 - 27 januari 1945) Vanuit twee bruggenhoofden over de Narew lanceerde het 2e Wit-Russische Front op 14 januari 1945 zijn aanval tegen de posities van het Duitse 2e Leger. Het doel van de linkervleugel, bestaande uit het 65e Leger en het 70e Leger, was Danzig. De rechtervleugel, gevormd door het 3e leger, het 48e leger en het 2e Stoottroepenleger, kreeg als opdracht om Marienburg te bezetten en de rechteroever van de Weichsel te veroveren. Reeds na twee dagen was de Duitse verdediging doorbroken en wierp maarschalk K.K.Rokossovski zijn mobiele eenheden in de strijd. Het 5e Gardetankleger rukte op naar de Baltische kust.

Op 20 januari 1945 gaf Stavka het bevel om de richting van de aanval te wijzigen. De aanval van het 3e Wit-Russische Front verliep minder goed dan verhoopt en maarschalk Rokossovski moest zijn collega ondersteunen door aan te vallen in de richting van centraal Oost-Pruisen. Door deze nieuwe aanvalsrichting ontstond er een groot gat tussen het 2e Wit-Russische Front en het 1e Wit-Russische Front, dat nog steeds in de richting van Berlijn oprukte. Stavka was er echter van overtuigd dat het Duitse leger niet meer voldoende reserves had om deze situatie uit te buiten.

De Duitse bevelhebbers werden verrast door deze nieuwe aanvallen. Allenstein viel op 22 januari in handen van de Sovjets. Onbewust dat de stad was gevallen, bleven de Duitsers nog steeds treinen met vluchtelingen naar het stadje sturen. Russische kozakken vielen de treinen aan en dwongen de vluchtelingen om te voet verder te trekken. Het 5e Garde Tankleger bereikte op 23 januari 1945 Elbing en kon in de verwarring ongehinderd de stad bezetten. Na een hevig gevecht werden de tanks terug uit het stadje verdreven. De opmars dreigde Heeresgruppe Mitte te omsingelen. thumb|Duitse positie