Majungasaurus is een geslacht van uitgestorven vleesetende theropode dinosauriërs behorend tot de groep van de Neoceratosauria, dat tijdens het Laat-Krijt leefde op Madagaskar. De enige benoemde soort is Majungasaurus crenatissimus.

Op het einde van de negentiende eeuw werden door Franse onderzoekers tanden en stukken bot gevonden van een vleesetende dinosauriër die ze de naam Megalosaurus crenatissimus gaven. Pas in 1955 kreeg het dier zijn eigen geslacht: Majungasaurus, wat 'sauriër uit Mahajanga' betekent. Er was eerst zo weinig over de soort bekend dat een stuk schedel ervan in 1979 de aparte naam Majungatholus kreeg en men dacht dat dit een planteneter was. Pas in 2007 werd de verwarring grotendeels opgelost na de vondst van veel vollediger skeletten. De wetenschappers hebben nu een vrij goed beeld van hoe het dier eruitzag.

Majungasaurus was een middelgrote roofsauriër van ongeveer zes meter lengte. Hij had een korte brede kop met vrij kleine tanden en een stevig gebouwd gedrongen lichaam met heel kleine voorpoten en korte achterpoten. Hij joeg op grote sauropoden die hij ombracht door zich met zijn brede bek in hun lichaam vast te happen om er dan grote stukken vlees uit te wrikken. Voor dat doel was de schedel van Majungasaurus zwaargebouwd. Veel schedelbeenderen waren stevig met elkaar vastgegroeid. Die botten waren daarnaast binnenin uitgehold en bovenop voorzien van een beenpantser met bizarre bulten en uitsteeksels, waaronder een verticale hoorn midden op de kop.

Vondst en naamgeving Majungasaurus heeft een zeer ingewikkelde naamgevingsgeschiedenis die aanleiding heeft gegeven tot een aantal taxonomische problemen die pas in 2011 zijn opgelost. thumb|left|De in 1896 beschreven fossielen Op het eind van de negentiende eeuw werd door het Franse leger een expeditie uitgevoerd vanuit het noorden van hun net veroverde kolonie Madagaskar. In het kader daarvan zette legerarts Félix Salètes een veldhospitaal op bij Maevarana. Geoloog kapitein Jean-Marie Colcanap had hem gevraagd daarbij meteen eens uit kijken naar mogelijke versteende resten die als gidsfossiel konden dienen voor de geologische kaart die hij aan het samenstellen was. Salètes meende echter dat hij als geneesheer wel wat beters te doen had en liet die taak over aan sergeant-majoor der mariniers Landillon die in 1895 inderdaad in de oeverwal van de rivier de Betsiboka een rijke fossielhoudende laag aantrof welke hij met groot enthousiasme uitgroef. Salètes zond de vondsten door naar de Franse paleontoloog Charles Jean Julien Depéret. Onder de resten bevonden zich twee tanden van een theropode: specimina FSL 92.306a, een achterste tand uit de praemaxilla van de bovenkaak en FSL 92.306b, een achterste tand uit de onderkaak. Deze vernoemde Depéret in 1896 als een soort van Megalosaurus: Megalosaurus crenatissimus. De soortaanduiding betekent 'zeer gekarteld' in Neolatijn en is een verwijzing naar de snijrand die over de volle lengte gekarteld is. Naast de tanden behoorde nog een reeks andere fossiele fragmenten, op verschillende locaties gevonden, tot de syntypen van de soort: FSL 92.289, een stuk staartwervel; FSL 92.290, een stuk voetklauw; FSL 92.343, het wervellichaam van een sacrale wervel en verder nog een wervellichaam dat tegenwoordig geen inventarisnummer heeft. Hoewel Depéret in de soortaanduiding verwees naar de tanden zou hij nooit uit de syntypen een lectotype kiezen. Wel bracht hij de soort in 1928 onder bij een ander geslacht, Dryptosaurus, als een Dryptosaurus crenatissimus. Gezien de schamelheid van de vondsten trok de soort weinig aandacht. thumb|350px|MNHN.MAJ 1, het stuk onderkaak dat Lavocat tot holotype wilde maken Gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw zouden er nog meer fossielen van theropoden uit de provincie Mahajanga verzameld worden en in de collectie van het Muséum National d'Histoire Naturelle te Parijs terechtkomen. In 1955 herkende René Lavocat, die zelf in Madagaskar opgravingen verrichtte, de tanden in een stuk rechteronderkaak, specimen MNHN.MAJ 1 in april 1954 door een dorpeling gevonden bij Berivotra, als die van Megalosaurus crenatissimus. Hij oordeelde dat de soort in een apart geslacht ondergebracht moest worden dat hij benoemde als Majungasaurus. 'Majunga' is een alternatieve spelling van 'Mahajanga'. Omdat Depéret geen lectotype had gekozen, wees Lavocat nu het stuk onderkaak als holotype van het geslacht en van de soort Majungasaurus crenatissimus aan. Dat was inconsequent van hem: aangezien hij ook van oordeel was dat de tanden door Depéret beschreven aan de soort toegewezen konden worden — zoals al bleek uit zijn gebruik van dezelfde soortaanduiding — had hij een van de tanden als lectotype moeten aanwijzen. Het op deze manier wijzigen van het typespecimen is niet toegestaan. left|thumb|MNHN.MAJ 4, welke voor de schedel van een pachycephalosauriër aangezien werd In 1979 benoemden Hans-Dieter Sues en Philippe Taquet een bol stuk schedeldak, specimen MNHN.MAJ 4 in 1976 in de Parijse collectie aangetroffen, als een lid van de Pachycephalosauria: Majungatholus atopus. Dat was een verrassende vondst daar deze groep niet van de (sub)continenten uit het eerdere Gondwana bekend was. Daarop wees ook de soortaanduiding die 'buitenissig' of 'niet op zijn plaats' betekent. In 1996 bewees de vondst van een skelet met gedeeltelijke schedel, specimen FMNH PR 2100, dat het vermeende schedeldak in feite de snuitkam van Majungasaurus was, die nu onder de naam Majungatholus verderging omdat Scott Sampson meende dat het typespecimen van Lavocat niet-diagnostisch was en de naam Majungasaurus daarmee een ongeldig nomen dubium. In 2007 echter stelde David Krause dat de kaak duidelijk identiek was aan andere gevonden exemplaren en de naam Majungasaurus dus wel degelijk valide was. Zij heeft dan prioriteit boven haar jongere synoniem Majungatholus. De geldige soortnaam is nu dus Majungasaurus crenatissimus. Krause echter, Lavocats holotype overnemend, liet na alsnog een lectotype te kiezen hoewel ook hij de oorspronkelijke tanden aan de soort toewees, zodat Majungasaurus nog steeds geen geldig typespecimen had. In 2011 echter wees de ICZN het dentarium aan als neotype. thumb|350px|Schedel en nek van FMNH PR 2836 De laatste jaren is een groot aantal fossielen van de soort gevonden. De vijf belangrijkste vindplaatsen hebben de aanduidingen MAD96-01, MAD96-21, MAD99-33, MAD99-26 en MAD05-42. Schedel en onderkaken zijn nu vrijwel volledig bekend alsmede het grootste deel van de postcrania: de delen achter de schedel. Behalve FMNH PR 2110 zijn er nog twee skeletten gevonden: FMNH PR 2278 en UA 8678. Ook een meer complete schedel is opgegraven: FMNH PR 2099. De overige vondsten bestaan uit losse botten en enkele duizenden losse tanden. De fossielen stammen voor wat de botten betreft uit de Anembalemba-afzetting van de Maevaranoformatie die dateert uit het middelste Maastrichtien, ongeveer 67 miljoen jaar oud; tanden zijn ook uit de opvolgende Miadana-afzetting gevonden die doorloopt tot 65,8 miljoen jaar geleden, dus tot in het laatste Maastrichtien. Vroegere literatuur vermeldde wel een datering uit het eerdere Campanien maar daar bleek later geen bewijs voor. Enkele fragmenten uit India, Argentinië, Egypte en Marokko zijn aan Magungasaurus toegeschreven maar die identificaties worden tegenwoordig als hoogstwaarschijnlijk onjuist beschouwd. Aan de soort is in 2007 een reeks artikelen gewijd die het een van de beter beschreven theropoden maakt. In 2012 werd een gedeeltelijk skelet gemeld, FMNH PR 2836 in 2005 gevonden in MAD05-42, met aanvullende delen van de voorpoten. In 2020 werden van dit exemplaar de pathologieën beschreven. Daarnaast werd gemeld dat op MAD05-42 ook de specimina UA 9944 en FMNH PR 3369 zijn gevonden.

Beschrijving Algemene bouw en grootte thumb|300px|Majungasaurus in grootte vergeleken met een mens Majungasaurus is een middelgrote roofsauriër. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lengte op zes meter, het gewicht op 750 kilogram. Majungsaurus heeft een korte, achteraan vrij brede, zwaargebouwde kop met stevige onderkaken. Een ruim onderste slaapvenster vergroot de bijtkracht. Een uitsteeksel van het postorbitale deelt van achteren de oogkas haast in twee, zodat de oogbol hoog in de bovenste helft gestaan moet hebben. Boven de ogen staan korte hoorntjes en boven op de kop bevindt zich een centraal hoog uitsteeksel. De nek is breed en gedrongen. De achterpoten zijn tamelijk kort, zodat de romp nogal laag boven de grond gehouden werd.

Diagnose Krause wist enkele onderscheidende kenmerken vast te stellen. De neusbeenderen zijn hoog en vergroeid; intern zijn ze sterk gepneumatiseerd, van luchtkamers voorzien die met de luchtzakken verbonden waren via tweezijdige openingen. De takken van de beide praemaxillae van de snuit die naar de neusbeenderen lopen, zijn intern onderling gescheiden door een dun uitgroeisel van het neusbeen. De maxilla van de bovenkaak draagt zeventien tanden. De voorhoofdsbeenderen komen achteraan samen om een rond geheel te vormen in plaats van een in het midden ingekeepte achterrand. De voorhoofdsbeenderen hebben midden bovenop een opvallende beenkegel die bij de verschillende volwassen exemplaren in afwijkende mate gepneumatiseerd is. Boven op het schedeldak heeft de verdikte samengroeiing van de wandbeenderen middenin een opvallende groeve. De onderkaak draagt zeventien tanden; het tanddragend been, het dentarium, strekt zich na de laatste tand nauwelijks verder naar achteren uit. De zijgroeve van de onderkaak is laag geplaatst. Tussen de kartelingen van de tanden bevinden zich zwak gevormde groeven. In de nek heeft de atlas een uitsteeksel, de epipofyse, dat sikkelvormig is. De middelste halswervels hebben zijuitsteeksels waarvan de voorkant en de achterkant in zijaanzicht parallel lopen. De voorste ruggenwervels hebben wervellichamen met van boven naar beneden langwerpige gewrichtsvlakken. De doornuitsteeksels van de ruggenwervels en de staartwervels zijn naar boven toe zowel dwars als in de lengterichting verbreed. De nekribben zijn gepneumatiseerd via meervoudige vergrote openingen in de binnenkant en kleinere openingen in de voorkant en achterkant van de glooiing tussen de beide ribkoppen.

Schedel thumb|300px|Een afgietsel van de schedel dat duidelijk de processus suborbitalis toont De snuit bij Majungasaurus is nog meer afgerond dan bij andere Abelisauridae: hij heeft een stompere voorkant en is relatief breder. De schedel is verstevigd doordat de fenestra antorbitalis en het neusgat klein zijn. De onderkaak daarentegen bevat vrij grote openingen. De schedel is bedekt met vastgegroeide huidverbeningen die een sterke verruwing van het oppervlak veroorzaken. Bij het levende dier waren die vermoedelijk bedekt met hoornlagen en grotere schubben zodat de schedelopeningen waarboven de huid gladder was duidelijk afstaken tegen de delen waar het bot vlak onder het huidoppervlak lag. Bij alle basale theropoden doet dit verschijnsel zich voor maar bij geen enkele bekende soort zo sterk als bij Majungasaurus. Dit maakt het ook mogelijk het uiterlijk van het dier met grote nauwkeurigheid te reconstrueren. Boven op de schedel moet de kop een haast bloemkoolachtige oppervlaktestructuur gehad hebben, met overeenkomstig dikke huidlagen. Hun dikte droeg vermoedelijk bij aan de beperkte grootte van de schedelopeningen doordat die aan hun randen dichtgroeiden. De mineralisering van het bot vanuit de huid beïnvloedde kennelijk ook de binnenkant van de schedel; verschillende tussenschotten, zoals het septum interorbitale tussen de oogkassen, die bij andere theropoden als kraakbeen aanwezig waren, zijn bij Majungasaurus verbeend zodat de soort unieke informatie verschaft over hun locatie en vorm.