thumb|Portret van Nederburgh kopie van een schilderij uit 1800, vervaardigd in 1862 door Cornelis de Cocq Sebastiaan Cornelis Nederburgh (Den Haag, 7 maart 1762 - 's-Gravenzande, 3 augustus 1811) was een conservatief Nederlands staatsman die medeverantwoordelijk was voor de Charter van 1803, welke de basis vormde van de Nederlandse koloniale politiek na de overname van de Vereenigde Oostindische Compagnie door de Nederlandse overheid. Ook was hij een niet onverdienstelijk dichter.

Jeugd, studie en advocatuur Nederburgh werd geboren als zoon van Herman Nederburgh, advocaat te 's-Gravenhage en later pensionaris van Rotterdam (1769-1788). Zijn moeder was Dina Adriana Spruyt. Hij schreef zich in aan de Universiteit Leiden op 13 september 1777 (met de vermelding dat hij geboren was te Rotterdam) om rechten te studeren. Hij promoveerde op 21 september 1783 met de dissertatie De violenta jurium defensione. In 1784 werd hij aangesteld als schepen van de ambachtsheerlijkheid Cool. Op 16 februari 1784 accepteerde hij de functie van secretaris van het Hof en de Hoge Vierschaar van Schieland.Gezien de relatie met Rotterdam kan vermoed worden dat een zekere mate van patronage door zijn vader niet uitgesloten is. Zijn intelligentie en welsprekendheid waren in Den Haag evenmin onopgemerkt gebleven. Datzelfde jaar op 5 december besloten de Raad van State en de Staten-Generaal hem beide tegelijkertijd aan te stellen als hun advocaat. Een bijna duizelingwekkende stap voorwaarts voor de toen 23-jarige jurist.

Gunsteling van de prins In 1786 legde de tweede advocaat van de Vereenigde Oostindische Compagnie, Pieter Graafland Joansz, zijn functie neer. Tezamen met Jacobus van Neck en Willem Cornelis Dekker, beiden advocaat te Amsterdam, werd Nederburgh voorgedragen bij de stadhouder als vervanger.De prins van Oranje gold sinds de hervormingen in de jaren veertig van de 18e eeuw als het opperste gezag van de VOC. Op 13 januari 1787 werd Nederburgh benoemd in de functie. Een paar maanden later was er alweer een opening: de eerste advocaat van de VOC, mr. F.W. Boers, mocht, na vier jaar verzoeken, eindelijk aftreden wegens gezondheidsredenen. De kandidatenlijst van 19 juli van dat jaar voor de vervangers van Boers las in preferentie als volgt: Daniel Adriaan Meerman van der Goes, pensionaris van Amsterdam, Nederburgh, en Isaäc Gales, advocaat te Amsterdam.

Nederburgh kreeg uiteindelijk de baan en werd nog datzelfde jaar eerste advocaat van de VOC. Daarmee werd hij niet alleen de raadsman van de Kamer van Amsterdam, maar ook de ontwerper van alle van de VOC uitgaande documenten en afgevaardigde bij de Staten-Generaal en vreemde regeringen, terwijl hij op permanente basis zitting kreeg in de vergaderingen van de bewindhebbers en in die van de commissie voor de geheime zaken. Voor de buitenwereld was er geen twijfel meer: Nederburgh was een gunsteling van de prins van Oranje. Gezien het tijdsgewricht – de patriotten lieten zich steeds steviger gelden – werd dit niet echt als iets positiefs gezien.

De Kaapkolonie In 1791 zag de VOC geen uitweg meer uit de economische moeilijkheden die het resultaat waren van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784). Nederburgh ontving de opdracht om een geheim rapport samen te stellen met als thema hoe het tij nog te keren was. Zijn rapportageHet advies luidde om stringente bezuinigingen door te voeren en inkomsten te verhogen, zo mogelijk via een uitbreiding van bijvoorbeeld dwangarbeid. leidde ertoe dat hem de opdracht gegeven werd om samen met kapitein ter zee Simon Hendrik Frijkenius, de bezittingen in Afrika en Indië te bezoeken en na te gaan wat er zou kunnen worden gedaan. Zijn opdracht was ‘het opsporen van verregaande malversatiën en frauden en het daarstellen van de noodige redressen en reformen’. In Indië zou dit in overleg gaan met gouverneur-generaal Willem Alting en directeur-generaal H. van Stockum.

Op 4 november vertrok hij met Frijkenius naar Texel, vergezeld door secretaris Eduard Daniëls, oud-boekhouder van het Preparatoir besogneHet op 17 februari 1786 op voordracht van Holland door de Algemene Staten in het leven geroepen vijfde departement van de VOC, bestaande uit zes bewindhebbers uit Amsterdam, dat het eerst van de uit Indië gekomen correspondentie moest kennisnemen., en twee geheimschrijvers (zijn broer Johannes Jacobus Nederburgh en Frederik Otto de Bruyn). Vanuit Texel vertrok het gezelschap met het fregat ‘Amazoon’, begeleid door het fregat ‘Scipio’ en de brik ‘Comect’. Als gevolg van een lange, door tegenspoed geplaagde reis bereikte het gezelschap eerst op 18 juni 1792 de Simonsbaai. Daar werd het gezelschap op een landengte uitgeladen en moesten zij te voet verder naar Kaapstad. De kolonie bereikten zij pas op 23 juni 1792. Onderweg ontvingen zij ook bericht dat het lokale gezag al gedwongen was door een ontevreden burgerij om een proclamatie opnieuw in te stellen successierechten in te trekken.

Vanaf 3 juli 1792 fungeerde Nederburgh en Frijkenius in hun functie als commissaris-generaal samen als gouverneurs van de Kaapkolonie. Zij waren gestuurd om orde op zaken te stellen, maar zagen zich voor de taak gesteld om de ontevreden burgers en boeren, die land hadden gekregen buiten de VOC om, te helpen een beter bestaan op te bouwen. De VOC had het monopolie over de vrije handel en bedrijvigheid op de Kaap. De heren adviseerden de burgers en boeren dan ook om de walvisvaart op te zetten. Daarbij werd een door hen hervormd belastingsysteem ingesteld, wat initieel leidde tot een ware koopstop in de kolonie. De beide heren maakten zich twee dagen in de week beschikbaar voor elke burger met een klacht. Tevens reduceerden zij de kosten van de VOC in de Kaapkolonie door een grondige financiële hervorming.George M'Call Theal, History of South Africa under the administration of the Dutch East India Company, 1652 to 1795, Swan Sonnenschein & Co.: London, 1897 Een groter probleem vormde de zogenaamde zwarte markt: al sinds de oprichting van de kolonie hadden de bewoners hun geld verdiend met het kopen en verkopen van goederen aan passerende schepen. Een handel welke strikt gezien onder het gezag van de VOC vielen. Dit was expliciet verboden, maar werd door opeenvolgende gouverneurs oogluikend toegestaan: het was usance geworden en een vitaal onderdeel van de economie. Bijna al het circulerende muntgeld was afkomstig uit deze handel. Na een opgelegd verbod kwam het monetaire verkeer tot stilstand en de onroerendgoedmarkt verdween.

In maart 1793 werd door Nederburgh en Frijkenius een Bank van Lening opgericht om de ergste noden te verlichten: een hoeveelheid papier werd gedrukt, verklaard tot geldig betaalmiddel en uitgegeven. Het geld werd gezien als nepgeld, maar uiteindelijk wel aangenomen door de bevolking. Ondertussen werden flinke delen land waar de Hottentotten leefden toegevoegd aan de Kaapkolonie, en strafexpedities ondernomen tegen de Bosjesmannen die in 1793 een veestapel hadden geroofd. Sommige van de strafexpedities onder Nederburgh en Frijkenius liepen uit op een debacle: zo had men een geallieerd Namaleider, bijgenaamd "Afrikaander", uitgestuurd en bevoorraad om korte metten te maken met een aantal Bosjesmannen. In plaats daarvan werd de overheid op 7 augustus 1793 "beloond" met de buitgemaakte wapens van een rivaliserende groep Nama. Een plundertocht van de Xhosa (onderdeel van de tweede Xhosaoorlog) zorgde er onder andere voor dat de burgers van de Kaapkolonie niet meer bezig waren met economie, maar met overleven en het organiseren van verdere strafexpedities. Op 29 juli 1793 schreef Nederburgh een brief aan de stadhouder om deze te melden dat de gemoederen aan de Kaap gesust waren. Op 1 september 1793 legden Frijkenius en hij hun posten neer, en droegen het bestuur over aan Abraham Josias Sluysken, oud-agent van de VOC in Suratte die als gepensioneerde onderweg naar Nederland, was gestopt in de Kaapkolonie. Dit werd gedaan omdat beoogd vervanger (en interim voorganger) Johannes Isaac Rhenius hen niet echt geschikt leek.

Rampspoed in Indië Op 24 september 1793 stapten Nederburgh en Frijkenius aan boord om de reis naar Indië te maken. Na een voorspoedige reis kwamen ze al op 13 november in Batavia aan. In Indië werd Nederburgh met het ene probleem na het andere geconfronteerd: de familie van gouverneur-generaal Alting had de macht in de kolonie ferm in handen. Een van de eerste uitdagingen was het aanstellen van een nieuwe directeur-generaal: directeur-generaal H. van Stockum was al in 1791 overleden. Dit aanstellen ging in overleg met gouverneur-generaal Alting. Willem Jacob van der GraaffRaad van Indië en expansionistisch gouverneur van Ceylon zag zich, als beoogd opvolger van Alting, over het hoofd gezien en nam openlijk stelling tegen Nederburgh.

Een volgend conflict kwam met de Raad van Justitie te Batavia betreffende een rechtszaak. Het betrof de zaak tegen kapitein luitenant ter zee Thomas Yrons, beschuldigd van een ‘debauchant gedrag’, kwade behandeling van het scheepsvolk en ontvreemding van goederen. Yrons lag onder de ‘vehemente suspicie’ dat hij met een Chinees aan boord van het schip Dortwijk de ‘stomme sonde’ of crimen nefandum (sodomie) bedreven had. Tegen Yrons werd slechts geëist dat hij eerloos ontslagen werd, en verbannen uit Indië.Honderd jaar eerder zou de doodstraf geëist zijn. Nederburgh en de overige leden van de regering vonden de strafeis te slap en wilden inzage in de stukken. De Raad weigerde, en citeerde zelfs Charles de Montesquieu.

Ondanks het matigende advies van Frijkenius zette Nederburgh zijn wil door. Dit eindigde in het ontslag van drie leden van de Raad: A.C. Hartman, W.C. Hoesen en C.H.C. Wegener, deze laatste werd op 23 mei 1795 bovendien verbannen.

Vervolgens kwam Nederburgh onder vuur te liggen door de bevolking. De Kaapkolonie was ondertussen veroverd door de Engelsen, Ceylon verloren en de verdediging van Java werd niet echt serieus opgepakt volgens de bevolking. Nederburgh zou de oorzaak zijn, en veel te laks.

De Bataafse Republiek greep in: de Eerste Nationale Vergadering had een commissie benoemd voor de behartiging van de Indische belangen en handel. Deze commissie besloot Schout bij nacht Engelbertus Lucas als bemiddelaar naar Batavia te sturen. Bij de Saldanhabaai kwam Lucas met zijn schepen tegenover de Engelse vloot te liggen wat leidde tot de Capitulatie in de Saldanhabaai.

De commissie gaf vervolgens C.J. Prediger, die op het punt stond als Raad van Justitie naar Batavia te vertrekken, de geheime opdracht om ‘door omgang met alle standen, alle noodige informatie te bekomen, zoowel betrekkelijk het daar voorgevallene als ten opzichte van het politiek, militair, financieel en commercieel beleid der Regeering en den algemeenen geest des volks’. Frijkenius kwam op 7 juni 1797 te overlijden, Nederburgh stond er nu alleen voor.

De gezaghebber van Oost-Java bleek een handvol te zijn, Dirk van HogendorpAangesteld met de ondersteuning van Nederburgh in 1794. Zie ook: Robert van Niel, Java's Northeast coast, 1740-1840: a study in colonial encroachment and dominance, Universiteit Leiden, 2005 schreef een tweetal stukken waarin hij een scherpe kritiek leverde op het bewind van onder anderen de commissaris-generaal (lees: Nederburgh). Nederburgh liet van Hogendorp arresteren, maar deze wist te ontsnappen en terug te keren naar Nederland. De vete tussen de twee mannen werd geboren.Robert Nieuwenhuys, Mirror of the Indies: a history of Dutch colonial literature, University of Massachusetts: Amherst, 1982, , uit het Nederlands vertaald door Frans van Rosevelt, bewerkt door E. M. Beekman, oorspronkelijke titel Oost-Indische Spiegel (Querido: Amsterdam, 1972)