Pinus wallichiana, soms wel tranenden of himalayaden genoemd, is een plantensoort uit de dennenfamilie (Pinaceae). De soort komt van nature voor in de Himalaya en Hindoekoesj, van Afghanistan in het westen tot de Chinese provincie Yunnan in het oosten. Vanwege het elegante profiel wordt deze soort veel in Europese parken aangeplant.

Naamgevingsgeschiedenis Zaden van de soort werden in 1827 door de Engelse arts en botanicus Nathaniel Wallich uit Brits-Indië mee naar Engeland gebracht. Hijzelf had de soort in brieven aan David Don al de naam Pinus excelsa gegeven, en Don publiceerde die naam in 1824 als Pinus excelsa . Die naam was echter al eerder gebruikt als Pinus excelsa (1779), nu beschouwd als een synoniem van Picea abies , de fijnspar. Lamarcks naam is nooit als Pinus excelsa, in zwang geraakt, maar is wel lang gebruikt als Abies excelsa (1805) en Picea excelsa . Hoewel de naam niet geldig was, raakte Wallichs soort bekend onder de naam Pinus excelsa. In 1854 publiceerde John McClelland de naam Pinus griffithii als voorlopige naam voor het geval het exemplaar dat hij had mocht verschillen van Pinus excelsa . Die naam is daarna een tijd voor de soort in gebruik geweest maar omdat ze als voorlopig was gepubliceerd is die door de meeste botanici uiteindelijk afgewezen, ook toen duidelijk werd dat de naam die Don had gepubliceerd onhoudbaar was. Het duurde nog tot 1938 voordat Albert Bruce Jackson de naam Pinus wallichiana publiceerde als nomen novum voor P. excelsa.

Het taxon dat soms als ondersoort bhutanica van Pinus wallichiana wordt opgevat, wordt inmiddels beschouwd als de verwante maar aparte soort Pinus bhutanica.

Kenmerken thumb|left|Afhangende naalden en vrouwelijke kegels, bedekt met hars. Pinus wallichiana is een groenblijvende boom, die een hoogte van 30 tot 50 m kan bereiken en tot 1 meter in diamter op borsthoogte. Bij jonge bomen is de kroon open, bij oudere bomen is ze breder. Vaak raakt de kroon bij oudere bomen beschadigd door vorstverwering, zodat de top afsterft. Dre bast is donkergrijsbruin en fijn schilferend. De winterknoppen zijn roodbruin, cilindrisch-omgekeerd eivormig of cilindrisch-kegelvormig en iets harsachtig.

De naalden zijn blauwgrijs van kleur (buitenkant groen, binnenkant lichtblauw) en groeien, net als bij de verwante weymouthden (Pinus strobus), in bundels van vijf. Ze kunnen tot 20 cm lang worden en blijven relatief dun (ongeveer 1 mm), waardoor ze slap zijn en afhangen. In dit afhangen van de naalden en de grotere lengte van de vrouwelijke kegels onderscheidt Pinus wallichiana zich van de weymouthden. Ze hebben een vaatbundel en drie harskanalen.

De mannelijke, eivormige tot kort elliptische kegels groeien in ijle, dichte groepen aan de voet van jonge, nieuw uitlopende twijgen. Ze zijn ongeveer 1–1,5 cm lang. De microsporofyllen staan dicht spiraalsgewijs rond de centrale as, waarbij iedere microsporofyl twee microsporangia (stuifmeelzakjes) heeft. De vrouwelijke, harsachtige kegels kunnen tot 36 cm lang worden en zijn vaak krom van vorm, als bananen. Ze zijn 10-30 cm lang en 3-4 cm breed. Onrijpe vrouwelijke kegels zijn donker-grijsblauw en bedekt met een laagje heldere hars. Rijpe kegels zijn bruin van kleur en met witte hars bedekt. De apofyse is glanzend, vaak blauwgroen berijpt, ruitvormig en iets verdikt. De umbo is donkerbruin, iets uitstekend met stompe duidelijk naar binnen gekromde top. De gevleugelde pitten (vaak zaden genoemd) zijn bruin of zwartbruin, ellipsoïde-omgekeerd eivormig, 3-9 mm lang en 4-5 mm breed. De vleugel is 1-3 cm lang en 8-9 mm breed.

De bestuiving vindt plaats in april-mei en de pitten rijpen in de herfst van het tweede jaar.

De jonge bomen groeien zeer snel, tot 70 cm per jaar. Om deze reden is de soort geliefd in de bosbouw.

Vanwege de grote hoeveelheid hars wordt het hout voornamelijk als brandhout gebruikt. De hars van de boom wordt gewonnen als grondstof voor terpentijn.

Verspreiding Pinus wallichiana komt van nature voor in de gebergten van de Himalaya, de Karakoram en de Hindoekoesj, van Oost-Afghanistan in oostelijke richting via Noord-Pakistan en Noordwest-India tot aan Yunnan in Zuidwest-China.

Pinus wallichiana groeit in de gematigde zone, ongeveer tussen 1800 en 4300 m hoogte, en zelden lager dan 1200 m. Op veel plekken is het de eerste boomsoort onder de sneeuwgrens. In het voorland van gletsjers en op puinhellingen is de soort vaak ook de eerste grotere boom die verschijnt. Ze groeit daarnaast in gemengde oerbossen op berghellingen, samen met deodars, sparren, zilversparren en berken.

Sinds de introductie in 1827 is de soort veel aangeplant in Europese parken en tuinen. In Europa wordt de den meestal minder groot dan in de natuurlijke habitat.

In Nederland staat Pinus wallichiana in het Arboretum Oudenbosch, de Botanische Tuin Kerkrade en de Hortus Haren in Groningen.

Externe links

Arboretum de Villardebelle Mannelijke kegels

Wallichiana Categorie:Plant uit het Palearctisch gebied