De Olympische Zomerspelen van 1920 (Frans: Jeux olympiques d'été de 1920, Duits: Olympische Sommerspiele 1920), officieel de Spelen van de VIIe Olympiade, vonden plaats tussen 20 augustus en 12 september 1920 in de Belgische havenstad Antwerpen. Dit multisportevenement was de zesde editie van de moderne Olympische Spelen sinds hun oprichting in 1896.
De Olympische Zomerspelen van 1920 waren de eerste Spelen na het einde van de Eerste Wereldoorlog. In totaal traden 29 landen aan op deze Olympische Zomerspelen. De verliezende landen in de oorlog, zoals Duitsland en Oostenrijk, werden dan weer uitgesloten van deelname aan deze editie. Onder de deelnemende atleten waren de overgrote meerderheid mannen, terwijl er slechts in enkele sporten ook competities werden ingericht voor vrouwen. De jongste medaillewinnaar was de 14-jarige Zweed Nils Skoglund. Zijn 72-jarige landgenoot Oscar Swahn was dan weer de oudste gemedailleerde.
De openingsceremonie vond plaats op 14 augustus 1920 in het Olympisch Stadion in de Antwerpse wijk het Kiel. In Antwerpen werd hierbij voor het eerst in de olympische geschiedenis de olympische vlag gehesen, werden er voor het eerst duiven vrijgelaten als symbool van vrede en legde voor het eerst een olympisch deelnemer, de Belg Victor Boin, de eed af. Om klimatologische omstandigheden vonden het kunstschaatsen en het ijshockey enkele maanden voorafgaand aan de openingsceremonie plaats, reeds in april 1920. In totaal stonden 25 sporten op het programma van deze Olympische Zomerspelen, waarvan korfbal en waterpolo bij de vrouwen evenwel slechts als demonstratiesport aan bod kwamen. IJshockey, nochtans een wintersport, maakte in Antwerpen zijn debuut op de Olympische Zomerspelen. Touwtrekken beleefde er dan weer zijn zwanenzang en zou na de Zomerspelen van 1920 worden geschrapt van het olympisch programma.
De meeste sporten werden georganiseerd in Antwerpen of in de Antwerpse buitenwijken. Enkele disciplines werden echter elders afgewerkt. Zo week men voor de polo- en zeilwedstrijden uit naar Oostende, vond een deel van het schieten plaats in het Kamp van Beverlo, vonden er enige voetbalwedstrijden plaats in Gent en Brussel en werd er geroeid op het Zeekanaal Brussel-Schelde nabij Vilvoorde. In het zeilen vond er bovendien een wedstrijd plaats op Nederlandse bodem, op het Buiten-IJ nabij Amsterdam.
Tijdens de Olympische Zomerspelen van 1920 traden enkele grote kampioenen naar voren, zoals de Finse atleet Paavo Nurmi, de Franse tennisster Suzanne Lenglen, de Belgische schutter Hubert Van Innis, de Italiaanse schermer Nedo Nadi en de Amerikaanse zwemmers Ethelda Bleibtrey en Duke Kahanamoku. Met 36 medailles waren deze Spelen de meest succesvolle uit de Belgische olympische geschiedenis. Nederland behaalde met 11 medailles zijn beste olympische resultaten tot dan toe.
Toewijzing
Kandidaatstelling miniatuur|Baron Édouard de Laveleye.
In 1912 vonden de Olympische Zomerspelen plaats in de Zweedse hoofdstad Stockholm. In de marge van deze Zomerspelen vergaderde het Internationaal Olympisch Comité (IOC) over de gaststad die in 1920 de Zomerspelen zou mogen ontvangen. Baron Édouard de Laveleye, de voorzitter van het Belgisch Olympisch Comité en de Koninklijke Belgische Voetbalbond, diende op dat ogenblik de kandidatuur in van Brussel als gaststad voor deze Zomerspelen. Naast Brussel werden ook Boedapest en Amsterdam door het IOC gekozen als kandidaat-gaststad. Een jaar later, in 1913, zou de Laveleye echter onder invloed van Charles Cnoops, de ondervoorzitter van de Belgische Federatie der Schermkringen, Antwerpen naar voren schuiven als kandidaat-gaststad en niet langer Brussel.
miniatuur|links|Baron Pierre de Coubertin.
Op 9 augustus 1913 besloten de Laveleye en Cnoops samen met graaf Henri de Baillet-Latour en Robert Osterrieth een voorlopig comité (comité provisoire) op te richten om de kandidatuur van Antwerpen te ondersteunen. De Baillet-Latour was lid van het IOC, terwijl Osterrieth de voorzitter was van de Royal Yacht Club de Belgique. Op initiatief van het voorlopig comité droeg het Belgisch Olympisch Comité later in 1913 officieel Antwerpen voor bij het IOC als kandidaat om de Olympische Zomerspelen van 1920 te organiseren. Enige tijd daarna bezocht de Franse baron en oprichter van de moderne Olympische Spelen Pierre de Coubertin Antwerpen voor het eerst teneinde er de sportinfrastructuur te beoordelen. In 1914 bracht het voorlopig comité een bidbook uit met als Franstalige titel "Aurons-nous la VIIe Olympiade à Anvers en 1920?"Zullen wij de VIIe Olympiade hebben in Antwerpen? Het was de eerste maal dat de kandidatuur van een gaststad met een bidbook werd ondersteund.
Hoewel de definitieve toewijzing pas zou volgen in 1916, in de marge van de Olympische Zomerspelen die dat jaar zouden plaatsvinden in Berlijn, werden begin 1914 bij een tussentijdse stemming in Parijs de kandidaturen behouden van Antwerpen en Boedapest. Uit deze weliswaar niet-definitieve stemming bleek Boedapest een streepje voor te hebben op Antwerpen. Enkele weken later brak echter de Eerste Wereldoorlog uit. Vanwege de oorlog kwamen zowel de Olympische Zomerspelen van 1916 in Berlijn als de kandidatuur van Boedapest (gelegen in Oostenrijk-Hongarije) op de helling te staan. Antwerpen werd dan weer bezet door de Duitsers, wat onzekerheden met zich meebracht aangaande de organisatie van de Zomerspelen van 1920.
Definitieve toewijzing In 1915 stelde de Franse stad Lyon zich kandidaat voor het geval Antwerpen de Zomerspelen van 1920 niet zou kunnen organiseren. Plots zouden ook niet-Europese steden, zoals Cleveland, Philadelphia, Atlanta en Havana, worden getipt als mogelijke gaststeden. Antwerpen besloot echter zijn kandidatuur te handhaven. Eveneens in 1915 verhuisde Pierre de Coubertin de hoofdzetel van het IOC naar de Zwitserse stad Lausanne. Aldaar vond enige maanden na de Wapenstilstand, van 5 tot 8 april 1919 het achttiende en eerste naoorlogse IOC-congres plaats in het Casino de Montbenon, de toenmalige hoofdzetel van het IOC. Tijdens dit congres werd op 5 april 1919 besloten dat Antwerpen de Spelen van de VIIe Olympiade van 1920 zou toegewezen krijgen. Met de toewijzing aan Antwerpen wilde het IOC "eer bewijzen aan het leed dat het Belgische volk tijdens de oorlog is aangedaan", een verwijzing naar de Duitse opmars door België tijdens de Eerste Wereldoorlog en de zogenaamde Rape of Belgium in 1914. De Zomerspelen in Antwerpen zouden de eerste zijn sinds de Olympische Zomerspelen van 1912 in Stockholm. De geplande editie van 1916 in Berlijn werd uiteindelijk immers afgelast vanwege de Eerste Wereldoorlog die op dat ogenblik nog steeds aan de gang was.
Organisatie miniatuur|De Franse oprichter van de Olympische Spelen Pierre de Coubertin (tweede van links) en Belgische voorzitter van het uitvoerend comité Henri de Baillet Latour (tweede van rechts) tijdens een IOC-vergadering in Lausanne (Zwitserland) in 1921, enkele maanden na de Olympische Zomerspelen van 1920 in Antwerpen.
Twee weken na de toewijzing van de Olympische Zomerspelen aan Antwerpen werd op 17 april 1919 een uitvoerend comité (comité exécutif) opgericht dat de organisatie van de Olympische Zomerspelen van 1920 in handen zou nemen. Dit comité telde acht leden en bestond uit voorzitter graaf Henri de Baillet Latour, ondervoorzitters baron Édouard de Laveleye en Robert Osterrieth, secretaris-generaal Albert Verdyck, secretaris-rapporteur Rodolphe William Seeldrayers en de gewone leden Charles Cnoops, Alfred Grisar en Paul Havenith.Rapport officiel, blz. 3. Graaf de Baillet Latour, baron de Laveleye, Osterrieth en Cnoops waren eerder al lid van het voorlopig comité. Seeldrayers was net zoals baron de Laveleye actief in de Voetbalbond.Rodolphe William Seeldrayers zou later voorzitter van de wereldvoetbalbond FIFA worden. Grisar en Havenith waren dan weer respectievelijk oprichter en voorzitter van de Beerschot Voetbal en Atletiek Club, de lokale sportclub wiens stadion zou worden omgevormd tot het Olympisch Stadion en op wiens terreinen veel olympische disciplines zouden doorgaan.
Naast het uitvoerend comité werden er ook verschillende speciale commissies opgericht die zich zouden richten op specifieke onderdelen in de organisatie van de Olympische Zomerspelen. In totaal ging het om acht speciale commissies, met name een financiële commissie, een logementencommissie, een medaille- en diplomacommissie, een perscommissie, een propagandacommissie,Rapport officiel, blz. 4. een technische en programmacommissie, een toegangscommissie en een ontvangstcommissie.Rapport officiel, blz. 5.
Voor eventuele medische zorgen deed het uitvoerend comité een beroep op het Belgische Rode Kruis. Artsen bezochten tweemaal het Olympisch Stadion en het Zwemstadion om er medische posten in te richten. Tijdens de Olympische Zomerspelen zouden 47 artsen en 200 verplegers actief zijn in de marge van de olympische competities. In totaal geraakten zeven atleten zwaargewond, met onder meer verwondingen aan de arm, het sleutelbeen en de geslachtsdelen. Tijdens de marathon dienden zeven atleten in de ambulance te worden verzorgd vanwege uitputting. Daarnaast werden er ook medische zorgen verleend aan toeschouwers die last kregen van de warmte.Rapport officiel, blz. 47-48.
Deelnemers
Deelnemende landen miniatuur|Kaart met de landen die deelnamen aan de Olympische Zomerspelen van 1920.
Deelnemende landen aan de Olympische Zomerspelen van 1920 in AntwerpenRapport officiel, blz. 168. Land Mannelijkeatleten Vrouwelijkeatleten Totaal 1 0 1 12 1 13 326 10 336 19 0 19 5 0 5 52 0 52 2 0 2 150 4 154 18 0 18 14 0 14 62 1 63 296 8 304 47 0 47 218 16 234 173 1 174 15 0 15 15 0 15 25 0 25 4 0 4 129 1 130 3 1 4 188 6 194 13 0 13 58 0 58 118 1 119 274 14 288 38 1 39 247 13 260 79 0 79 Totaal 2.601 78 2.679
Aan de Olympische Zomerspelen van 1920 namen 29 landen deel, waarvan zes landen debuteerden op de Olympische Spelen. De zes debuterende landen waren Brazilië, Estland, Joegoslavië, Monaco, Nieuw-Zeeland en Tsjecho-Slowakije. Onder de 29 deelnemende landen waren er 18 Europese landen en 11 niet-Europese landen, waarvan drie landen uit Zuid-Amerika, twee uit Noord-Amerika, twee uit Azië, twee uit Afrika en twee uit Oceanië. In totaal hadden 31 landen de uitnodiging van het Belgisch Olympisch Comité om deel te nemen aanvaard, maar Polen en Roemenië waren later verhinderd en zo traden 29 landen aan in Antwerpen.
Daarnaast waren de landen die de Eerste Wereldoorlog hadden verloren uitgesloten van deelname aan de Spelen van 1920. Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, Bulgarije en het Ottomaanse Rijk mochten om deze reden niet deelnemen aan de Spelen. Nochtans hadden deze landen reeds deelgenomen aan eerdere edities van de Spelen. De uitgesloten landen zouden opnieuw aantreden op de Olympische Zomerspelen van 1924 in Parijs. Uitzondering bleef evenwel Duitsland, dat pas opnieuw aantrad op de Olympische Zomerspelen van 1928 in Amsterdam. Oprichter Pierre de Coubertin zat verveeld met de kwestie van de deelname van de verliezers van de oorlog aan de Olympische Zomerspelen van Antwerpen. Deze landen weren zou strijdig zijn met de gedachte dat de Spelen toegankelijk zijn voor iedereen, zonder onderscheid in politiek, religie of afkomst. De verliezers van de oorlog uitsluiten zou ingaan tegen het pacifistische karakter van de Spelen.Dat de Olympische Zomerspelen van 1920 in het teken stonden van vrede werd tevens onderstreept door het vrijlaten van duiven tijdens de openingsceremonie op 14 augustus 1920. Elf jaar na de Olympische Zomerspelen van Antwerpen zou hij hier in 1931 op terugkomen in zijn werk Mémoires olympiques in volgende bewoordingen: