thumb|Groot Bentveld Groot Bentveld is een landgoed in de Nederlandse gemeente Zandvoort (provincie Noord-Holland) met een meer dan duizend jaar oude geschiedenis. De huidige bebouwing is vanaf 1625 gebouwd. De naam Bentveld zelf lijkt te zijn afgeleid van het harde bentgras (Molinia), ook wel genaamd pijpendoorsteker, dat op vochtige zandgrond het beste groeit.Sterck-Proot, J.M., Geschiedenis van Aerdenhout, uitgave Vereeniging Haerlem, 2e druk, 1946, blz. 62-66. Sterck-Proot vermeldt op blz. 63 dat Ampzing in de Geschiedenis van Haarlem, 1628, deze afleiding al gaf. A. Loosjes zou volgens Sterck-Proot, door de kort vóór 1800 door Koenen op de toegangspoort geplaatste naam “Bendveld”, ten onrechte hebben gemeend dat dit bent was afgeleid van Beemd.Janse, H., Groot Bentveld, merkteken in Hollands duin, Heemschut 3, orgaan van de Bond Heemschut, Jaargang 48, juni 1971, blz. 96-97. Janse schrijft op blz. 96: “Het gebied valt samen met een vooruitgeschoven eiland van het oude duingebied, tussen de Aerdenhout en Zandvoort, een terrein, dat door zijn lage ligging nogal vochtig was. Uit het “Kuytegat” ontsprong de Grote Nel, waarvan in 1612 vermeld wordt, dat door zandophopingen en vervuiling (...) veel wateroverlast werd veroorzaakt in het gebied van Aerdenhout. Gezien deze vochtige toestand kunnen wij moeilijk meegaan met de verklaring van de naam Bentveld, die zegt, dat het een terrein met droog buntgras zou zijn. Eerder kunnen we ons verenigen met de verklaring van dr. J. de Vries in het Etymologisch Woordenboek, die meent, dat bent afgeleid is van een woord, dat bies betekent.”. Janse noemt niet de bron van voornoemde vermelding uit 1612.
Geschiedenis Bentveld wordt het eerst vermeld omstreeks het jaar 960 in een overzicht van de goederen van de St. Maartenskerk te Utrecht.Kruyff, J.J., Het landgoed Groot Bentveld onder Zandvoort, Buiten, 1e jaargang, No. 22, 12 oktober 1907, blz. 262-263. Kruyff noemt op blz. 262 de titel “Commemoratio de rebus Sancti Martini Trajectensis ecclesie que jam olim ibedem e fidelibus tradite sunt”. Kruyff noemt als bronnen: “v.d. Bergh oorkondenboek van Holland en Zeeland I, blz. 23, No. 33” en “von Richthofen’s Untersuchungen über Friesische Rechtsgeschichte 8o 1886 blz. 9 No. 6”. Onder de verschillende bezittingen van de Utrechtse kerk wordt onder meer “Benetfelda II Manti” genoemd. Vermoedelijk wordt hiermee de hofstede Bentveld bij Haarlem bedoeld.
17e eeuw Eerst in april 1596 wordt in de protocollen van de gemeente Zandvoort weer melding gemaakt van Bentveld. Hopman Nicolaas de Leur,Kruyff, blz. 262 en Janse, blz. 96 hebben het over Nicolaas de Leur terwijl Sterck-Proot, blz. 63 schrijft Nicolaas van der Leur. Overigens werd De Leur in 1601 het opperbevel opgedragen over de artillerie te Oostende, alwaar hij de dood vond tijdens de belegering door de Spanjaarden. krijgsbevelhebber onder prins Maurits, geeft het landgoed in eeuwige erfpacht aan Cornelis Sijmonsz. voor fl. 350 per jaar.In de erfpachtsakte was volgens Kruyff, blz. 262, onder meer opgenomen: “Het land genaamd het Bentveld, gelegen in den banne van Zandvoort, waarvan een gedeelte bezaaid is met tien zakken koren, een gedeelte met twintig zakken garst en ettelijke zakken erwten, met het huis, de schuur en de bepotingen daarop staande, strekkende van het Ceutegat tot achter aan den gemeenen drogen weg bij het groote water. Er zullen nog bij de woning en het land blijven drie paarden, drie wagens, karren, ploegen, eggen en ander gereedschap. Voorts tien koeien, pinken, vaarzen vijftien in getal en twee kalveren; vele rasters en sparren, alsook vleesch, vier zijden spek, boter, kaas, visch, haring en alle andere provisie bij het huis of de woning zijnde. Belend rondom met de wildernis.”. De Sijmonszen komen in de eerste helft van de zeventiende eeuw herhaaldelijk voor als pachters of eigenaren van gronden in Aerdenhout en deze naam is de oudst bekende van alle boeren uit die streek.Sterck-Proot, blz. 63.
Hoe het de eeuwige erfpachtsuitgave is vergaan is onduidelijk. In 1660 wordt Bentveld door Pieter van Alteren, ridder, vrijheer van Jaersveld, raad en fiscaal van de Admiraliteit binnen de stad Amsterdam, als lasthebber van jonkvrouw Elisabeth Cornelisdr. van der Nisse wonende te Goes,Kruyff schrijft op blz. 262 het volgende over Elisabeth van der Nisse: “(...), eene zeer aanzienlijke en rijke Zeeuwsche dame, was de eenige dochter van den Burgemeester van Goes, Cornelis van der Nisse, verwant aan de eerste geslachten van Zeeland. Zij huwde in februari 1664 met den Heer van Odijk, kleinzoon van Prins Maurits, tweeden zoon van Lodewijk van Nassau, Heer van de Lek, Beverwaard en Odijk en van Elisabeth, Gravinne van Hoorn.”. verkocht voor fl 10.000 aan Michiel Duncombe Esq. ten behoeve van William Lord Craven, baron van Hampstead, sinds 1640 als maarschalk, kolonel in dienst van de Republiek.Met betrekking tot William Lord Craven citeert Kruyff Jhr. C.A. Sypesteyn, blz. 262, uit zijn werk 'Het Hof van Boheme en het leven in den Haag in de 17de eeuw': “Hij was de zoon van een schatrijken Lord Mayor van London, een braaf en edel mensch, die alles wat hij had, vooral zijn groot fortuin, voor de Koningin van Boheme, Elisabeth Stuart, en hare kinderen opofferde. Hij was boven allen de vertrouwde helper in den nood. Toen haar gemaal, Frederik V in 1632 overleden was, liep spoedig in den Haag het praatje dat Craven, die daar bijna dagelijks aan huis was, in het geheim met de Koningin Elisabeth was getrouwd. Dat gerucht, telkens herhaald en door verscheidene Engelsche schrijvers als zeker voorgesteld, schijnt echter niet waar te zijn. Craven was 12 jaar jonger dan zij en de toon zijner brieven weerspreekt het gerucht. Het is te meer onwaarschijnlijk, omdat toen zij kort voor haar dood in Londen kwam, er ernstig sprake is geweest van een huwelijk te sluiten tusschen Craven en de oudste dochter Elisabeth, de Prinses van Boheme. Hoe dit ook zij, Craven bleef steeds een braaf en trouw vriend. Hij was kolonel in dienst der Republiek en als zoodanig beëdigd op 26 april 1640, en heeft zich aan het hoofd van zijn regiment menigmaal zeer onderscheiden. Sophie, de jongste dochter der Koningin, noemt hem in hare Mémoires “le bon homme Mylord Craven, qui avait la collation de sa bourse bien garnie prète toujours, et toujours mille petits byoux à donner aux personnes qui m’étaient affectionnées.” Koningin Elisabeth stierf te Londen op 23 februari 1662, oud 65 jaar. Haar zoon Rupert was van al haar kinderen de eenige die bij haar dood tegenwoordig was; de trouwe, edele vriend Lord Craven ontbrak daarbij natuurlijk niet. Deze zorgde met Koning Karel II en Prins Rupert voor de algeheele betaling van alle schulden. Aan hem vermaakte de Koningin hare weinige schilderijen, boeken en papieren.”.
Het Bentveld wordt in 1660 omschreven als een hofstede, met boomgaard, bouwhuisinge (boerderij) en 30 morgenEen Rijnlandse Morgen is 8516 m². (circa 25 ha) zaai- en weiland met vijvers en grachten en een valbrug voor het huis. Tevens heeft men rechten van vrije visserij en vogelarij.Sterck-Proot, blz. 64 en Janse, blz. 97. Het huis dateert in hoofdzaak uit deze tijd. Zulks blijkt onder meer uit balklagen met moer- en kinderbinten en een ruime overwelfde kelder.Janse, blz. 96 en 97.
Lord Craven verkoopt het landgoed na vijf jaar op 6 januari 1665 voor fl. 10.000 aan zijn collega Ferdinand Cary, sergeant-majoor en kapitein in staatsdienst gelegerd in het garnizoen te Rijnbeek. Ferdinand Cary verkoopt het landgoed op zijn beurt op 9 februari 1672 voor fl. 10.000 aan Robert Craven of Cravingh, ridder. Het is niet duidelijk hoelang Robert Craven in het bezit is geweest van het landgoed. Op 1 augustus 1701 wordt het landgoed bij executie en op last van Anthony Craven, nazaat van de Stuartgezinde Engelse eigenaar van 1660, verkocht voor fl. 3635 aan de makelaars Dirck Dergant, Meeuwis van der Weyden en Roelof van der Weyden.Janse, blz. 97, Kruyff, blz. 262 en Sterck-Proot, blz. 64.
18e eeuw Op 16 maart 1706 verkoopt een van drie voornoemde heren "een hofstede bestaande in Heerenhuis, huismanswoning, stalling, boomgaard, tuin, weiland, heelland alsmede plantagiën, gelegen buiten Haarlem door den anderen Hout onder den dorpe van Zandvoort, rondom gelegen in de grafelijksheid wildernissen, of duinen van Brederode, genaamd het Grote Bentveld"Janse, blz. 97. voor fl. 3000 aan Elisabeth Backer, dochter van Brigitta Spiegel en Willem Backer, weduwe van de Levant handelaar Mattheus Lestevenon.
De akte vermeldt, dat de grootte werd geschat op 30 morgen met zowel wei- als hooiland, met de bepoting en beplanting rondom het huis, alsmede het huis en tevens met gebruik van de wateren en droge plaatsen eromheen, nog eens 13 morgen groot.Kruyff, blz. 64.
Na de dood van Elisabeth Backer in 1718 bewoont haar zoon Mattheus Lestevenon, burgemeester van Amsterdam, gedurende “het goede” jaargetijde Groot Bentveld. Hij breidt het landgoed fors uit met grote duinterreinen. Eerst verwerft hij op 6 november 1722 bij publieke verkoping, gehouden in de Casteleineije van den Hove van Holland te ‘s Gravenhage "de Noordduinen het Bentveld met zijn aankleven", gelegen onder Vogelenzang, Bloemendaal en Overveen voor fl. 1470.Kruyff, blz. 262. Daarnaast koopt hij in 1731 van de Staten van Holland de heerlijkheid Strijen en is hij houtvester van Brederode.Sterck-Proot, blz. 64. Vervolgens koopt zijn zoon, eveneens Mattheus Lestevenon genaamd, inmiddels heer van de ambachtsheerlijkheid Brederode, dat hij erfde van zijn oudtante Elizabeth Tiellens, wier moeder een Lestevenon was, en ambassadeur in Frankrijk, op 7 september 1747 van mr. Nicolaes Witsen, schepen en raad van de stad Amsterdam, de hofstede Klein Bentveld voor fl. 7100.Kruyff beschrijft Klein Bentveld, blz. 262, als: “gelegen onder den banne van Tetterode, met huizing en verderen opstal, groot binnen hare schutting zoo aan plantagie, boomgaard en moestuinen, ruim vijf morgen en buiten de schutting twee morgen honderd vier en zestig roeden”.
In 1747 komen de landgoederen Groot Bentveld en Klein Bentveld derhalve in één hand. De grootte van de twee landgoederen is dan 556 morgen (circa 475 ha).
In de tweede helft van de 18e eeuw voorziet Mattheus Lestevenon de voorgevel van het huis van schuiframen en de dakopbouw van een klok. De vleugels aan de achterzijde behouden in hoofdzaak hun kruiskozijnen. Deze aanpassingen zijn thans nog aanwezig.
19e eeuw