De Codex Theodosianus (437) is een verzameling van ongeveer 2500 rescripten en een aantal edicten, uitgegeven door alle legitieme keizers sinds Constantijn (306-337), ingedeeld in zestien boeken per onderwerp. De Codex werd tussen 429 en 439 samengesteld door juristen in opdracht van Theodosius II (408-450) en zijn neef, de jonge West-Romeinse keizer Valentinianus III (425-455). De keizers wilden de wetten systematiseren, verduidelijken en daarmee tegelijkertijd hun eigen macht en autoriteit benadrukken. De Codex werd ontworpen als een gezaghebbend handboek van het Romeinse recht, geldig voor zowel het oostelijke als het westelijke deel van het Romeinse rijk.S. Mitchell, A history of the Later Roman Empire AD 284-641 (Chichester 2015) 36.thumb|Theodosius II

Laatantieke juridische context Romeinse keizers hadden in de periode van het klassieke Romeinse recht van 100 tot 230 n.C. geen wetgevende bevoegdheid.C. Jansen en R. Verhagen, ‘Constantijn en het recht’ in: C. Jansen en O. Hekster eds., Constantijn de Grote: traditie en verandering (Nijmegen 2012) 48-66, aldaar 52. Pas in de loop van de tweede eeuw groeide de keizerlijke verordening uit tot een officiële rechtsbron. De jurist Ulpianus (c. 170-223) schreef: “wat de keizer heeft besloten, heeft kracht van wet” (quod principi placuit legis habet vigorem).Dig. 1.4.1. pr. (Ulpianus). Op dat moment waren bijna alle belangrijke juristen werkzaam in de keizerlijke adviesraad of keizerlijke ambtenarij.C. Jansen en R. Verhagen, ‘Constantijn en het recht’, 49. Deze verandering van juridische context is typerend voor de overgang van het principaat naar het dominaat: de keizerlijke verordening werd de enige overgebleven rechtsbron.

Toch had de late keizerlijke wetgeving geen volledig autocratisch karakter. Over de uitvoering van het recht werd vaker onderhandeld dan dat het werd opgelegd en de formulering van wetten vond niet plaats in een juridisch of politiek vacuüm. De inhoud ervan werd bepaald door precedenten, huidig beleid, beschikbare informatie en druk van belangengroepen met toegang tot de consistorium (kroonraad).J. Harries, Law and empire in late antiquity (Cambridge 1999) 36. De openheid van keizers voor sociale verandering heeft hun wetgeving mogelijk beter aangepast aan de behoeften van het publiek en veranderende sociale mores dan anders het geval zou zijn geweest.Ibidem, 3. Keizers hadden het recht om te reageren, niet alleen op juridische druk maar ook op sociale en politieke druk. Dit recht was essentieel voor de legitimiteit van de keizer als wetgever; hij kon verwachten dat zijn wetgeving zou worden gesteund door de instemming van de samenleving als geheel, het ‘consensus universorum’.Ibidem, 4-5.

Totstandkoming van de codex Waarom werd de codex uitgevaardigd? De Codex Theodosianus vormde het eerste deel van drie codices die aanvankelijk zouden worden uitgevaardigd. Het tweede deel zou een codificatie van de teksten van invloedrijke juristen uit het Romeinse verleden worden en het derde moest alles bijeen brengen, maar deze zijn nooit gemaakt. Desondanks was de Codex Theodosianus een ambitieus plan om een eenzijdige formulering van de keizerlijke wetgeving voor het Oost-Romeinse Rijk en West-Romeinse Rijk te creëren.Ibidem, 24. Voordat de Codex werd uitgevaardigd, bestond Romeinse wetgeving uit een grote verzameling boeken, rechtsvormen en wetgeving.Ibidem, 9. Daarnaast bestonden er veel lokale juridische varianten en tradities, waardoor het recht verwarrend en ontoegankelijk was geworden.Ibidem, 2. Volledige kennis van het recht was hierdoor onmogelijk en rechtszaken werden gevoerd door vermeende experts die hun cliënten zouden kunnen uitbuiten. Verder bleven oude wetteksten geldig zolang ze in gebruik waren en dit veroorzaakte veel onduidelijkheid in het laatantieke rechtsstelsel.Ibidem, 84-85. Nieuwe keizerlijke wetteksten baseerden zich bovendien vaak op een combinatie van oudere juridische teksten en waren dan aangepast om het specifieke probleem dat onder aandacht was gebracht aan te pakken. Dit alles zorgde voor veel verwarring in het rechtssysteem.Ibidem, 24, 212. Daarom besloot Theodosius II tot het opstellen van een volledige verzameling wetten uit de bestaande Romeinse wetgeving. De Codex Theodosianus moest de chaos van het eigenlijke rechtssysteem oplossen, doordat het alle eerdere wetteksten verving en later niet meer mocht worden gewijzigd.Ibidem, 23-24. Er waren hiertoe al eerdere pogingen gedaan onder keizer Diocletianus, maar die had minder sterke overheidssteun.Ibidem, 15, 22. De codex vormde voor Theodosius II een prestigeproject: door een definitieve codex uit te vaardigen die bestond uit wetten van zijn keizerlijke voorgangers, plaatste hij zichzelf in de traditie van Romeinse keizers en ontsteeg hij tegelijkertijd zijn voorgangers. Dit was een van de manieren waarop Theodosius II zijn legitimiteit als keizerlijke wetgever ontleende.

Hoe werd de codex uitgevaardigd? De Codex Theodosianus werd opgesteld in verschillende fases door twee commissies. De eerste fase begon in 429 met een commissie van negen juridische experts, onder leiding van ene Antiochus. In de beginfase waren zij vooral bezig met het verzamelen van wetten. De tweede commissie kwam in 435 samen en bestond uit zestien rechtsgeleerden onder leiding van de quaestor Chuzon, de zoon van Antiochus. Zij zijn gestart met het bewerken van de verzamelde wetten voor de opstelling van de Codex Theodosianus. Het was hun taak om het verzamelde materiaal te ordenen, alle onnodige verwoordingen eruit te halen en eventuele stilistische aanpassingen te maken, wat de latere redactie voortzette.Ibidem, 23. De samenstellers van de Codex Theodosianus kwamen in 438 bijeen om hun concept van de leges generales - oftewel algemeen geldende wetten - nader uit te werken.

Besluiten van de keizer over juridische zaken konden als rescripten, oftewel officiële verklaringen, worden afgekondigd. De rescripten waren alleen bedoeld voor de specifieke zaak waarvoor de uitspraak gold. Toch werden rescripten vaak gebruikt in bredere jurisprudentie dan die desbetreffende zaak en zo kregen de rescripten een wettelijke status.J. Matthews, Laying down the law (New Haven en Londen 2000) 15-16; T. Honoré, Emperors and lawyers (Oxford 1994) 33. De tweede manier waarop keizers wetten uitvaardigden, was door middel van uitspraken in de vorm van een edict.Matthews, Laying down the law, 16-17. Een dergelijk edict was gericht aan het volk en gold voor het hele rijk.Ibidem, 15-16; F. Millar, The Emperor in the Roman World (Londen 1977) 566. Bij de Codex Theodosianus is er geen onderscheid gemaakt tussen een wetsbrief en een algemene beleidsuitspraak. De samenstellers van de codex in 438 waren verplicht om het concept van de leges generales - een algemene geldigheid van de wetten - toe te passen op de keizerlijke bepalingen die teruggingen tot Constantijn, terwijl de eerdere keizers die term zelf niet hadden gebruikt. Dit betekende dat documenten die meer dan een eeuw bewaard waren gebleven, nu in één systeem bewaard moesten worden, terwijl de originele teksten daarvoor niet waren ontworpen. Het resultaat hiervan was dat in de Codex de wijze waarop eerdere keizers hun wetgeving verspreidden niet goed naar voren komt.Harries, Law and empire in late antiquity, 25. Ook zijn er in de codex wetten opgenomen die niet langer van kracht waren. De wetteksten in de Codex Theodosianus weken dus af van de originele keizerlijke wetteksten. Verder hebben de opstellers van de codex de wetteksten onder elke titel in een chronologische volgorde geordend. Het was noodzakelijk om de data van de oorspronkelijke uitgave - met vermelding van het consulaat - op te nemen. De datum van uitgave was namelijk bepalend voor de geldigheid van de wet, echter betekent dit niet dat alle data kloppen.A. J. B. Sirks, ‘The Sources of the Code’, in: J. Harries en I. N. Wood eds., The Theodosian Code: Studies in the Imperial Law of Late Antiquity (Londen 1993) 45–67, aldaar 53. De samenstellers hadden veel moet knippen in deze wetten, omdat zij immers alleen de juridische componenten nodig hadden.Veel van de oorspronkelijke retoriek in de wetten werd geschrapt. Dit had als gevolg dat de context van de oorspronkelijke wetten veelal verloren is. Harries beschreef de Codex Theodosianus daarom als “a net full of holes”.Harries, Law and empire, 25.

Er bestaat daarom veel discussie over de achtergrond van de verschillende wetten in de Codex Theodosianus: de meningen zijn verdeeld over waar de eerste commissie de verzamelde wetten vandaan heeft gehaald. De gangbare visie, die hierboven is genoemd, stelt dat de opstellers van de Codex door het hele rijk reisden om provinciale archieven te doorspitten. Dit zou dan verklaren waarom het wel zes jaar duurde voor de tweede commissie aan het werk kon.Harries, Law and empire, 23; Sirks, ‘The sources of the Code’, 56. De rechtsgeleerde Sirks heeft een ander interpretatie geopperd. Volgens hem baseerden de opstellers van de Codex Theodosianus zich voornamelijk op kopieboeken uit centrale archieven in Constantinopel en Rome. Dit zouden zij dan hebben aangevuld met een relatief klein aantal wetten uit provinciale archieven.Ibidem. De bijdrage van de provinciale archieven uit het West-Romeinse Rijk was daarbij bovendien uitermate klein.R.W.B. Salway, ‘The publication and application of the Theodosian Code: Nth 1, the “Gesta Senatus” and the “Constitutionarii”’ Mélanges de l’École Française de Rome, Antiquite 125 (2013) 327-354, aldaar 335. De lange periode en verscheidene fasen in de opstelling van de codex zou liggen aan belangrijke gebeurtenissen die het proces onderbroken en aan de dood van enkele leden van de eerste commissie. Hoe dan ook hebben de verschillende commissies uiteindelijk het doel van de Codex Theodosianus bereikt, daarmee was het project van het verzamelen en de redactie geslaagd.Sirks, ‘The sources of the Code’, 62.

Retoriek in de codex Keizerlijke macht, zoals alle macht, werd onvermijdelijk geconstrueerd door middel van taal, ook in wetgeving. Een keizer regeerde met woorden, omdat zijn macht was gebaseerd op zowel praktische machtsuitoefening als op machtssymbolen: the language of power.N. Lenski, Constantine and the cities: imperial authority and civic politics (Pennsylvania 2016), 281; Harries, Law and empire in late antiquity, 212. De samenstellers van de Codex hebben in 438 de zogenaamde ‘overbodige’ retoriek niet in het wetboek opgenomen. MacMullen was degene die het belang van taalgebruik in laatantieke wetten heeft geagendeerd.R. MacMullen, ‘Roman bureaucratese’ in: R. MacMullen ed., Changes in the Roman Empire: essays in the ordinary (Princeton 1962) 67-77, aldaar 75. Volgens MacMullen zorgde het toenemende gebruik van retoriek en synoniemen voor verwarring: ‘In all this, the very object of language – to be understood – was forgotten’.MacMullen, ‘Roman bureaucratese’, 75. Volgens Harries en Lenski is retoriek in wetgeving wellicht verwarrend, maar essentieel om wetten te kunnen begrijpen. Veel van deze informatie kan gedeeltelijk worden teruggevonden door terug te gaan naar de volledige wetteksten, zoals de Novellae – wetten uitgevaardigd na de Codex Theodosianus – of naar vollediger uittreksels in de Codex zelf.Harries, Law and empire in late antiquity, 25; Lenski, Constantine and the cities: imperial authority and civic politics, 281. Maar als historici de wetten uit de Codex gebruiken als bron voor de laatantieke geschiedenis, moeten ze zich bewust zijn van wat ze niet weten en ook niet kunnen weten.

Het petition-response model