Met de term staatshervorming wordt in België het proces aangeduid waarbij, door opeenvolgende grondwetswijzigingen, de unitaire Belgische staat van 1830 is geëvolueerd naar een federale staat met diverse deelentiteiten:
drie gewesten, meer bepaald: het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse (Hoofdstedelijke) Gewest; drie gemeenschappen, meer bepaald: de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap; drie gemeenschapscommissies in Brussel, meer bepaald de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke, elk hun eigen bevoegdheden.
De federalisering van België in strikte zin vond plaats tijdens de eerste vier staatshervormingen van 1970 tot 1993.Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "België. §3.1 Bestuur". Microsoft Corporation/Het Spectrum. Zij werd echter al voorafgegaan door onder andere de invoering van het territorialiteitsbeginsel in 1921 en de vastlegging van de taalgrens in 1962 en is gevolgd door andere 'federaliserende' hervormingen zoals de definitieve splitsing van de provincie Brabant in Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en het voortaan provincieloze Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 1995. In hoeverre de latere vijfde en zesde staatshervorming en eventuele toekomstige staatshervormingen nog steeds onderdeel zijn, of zouden moeten zijn, van het eigenlijke federaliseringsproces, of al stappen zijn in de richting van confederalisme of een uiteindelijke splitsing van België, is onderwerp van discussie.
In België wordt naar de thematiek van taalpolitiek en staatshervormingen ook verwezen met de politieke term 'communautair' (bv. communautaire spanningen).
Uit onderzoek blijkt dat op momenten dat in België een staatshervorming wordt doorgevoerd de overheidsuitgaven meer stijgen dan op andere momenten en dat splitsen dus tot efficiëntieverlies leidt.
Voorgeschiedenis van de staatshervorming De taalbreuklijn
1830: Taalvrijheid en verfransing Onder het Nederlandse bewind werd het Nederlands de officiële taal. Voor de Franstalige bourgeoisie was dat echter een minderwaardige taal omdat zij die taal gelijkstelde met de dialecten van het volk (hun huisbedienden, de arbeiders en de boeren), terwijl het Standaardnederlands voor het dialectsprekende volk eigenlijk een vreemde taal was. De verfranste ambtenarij en burgerij reageerden scherp tegen de verplichte vernederlandsing van het leger, het gerecht, het bestuur en het onderwijs.
Onder het bewind van Willem I verdubbelde het aantal lagereschoolleerlingen van 150.000 tot 300.000 dankzij de oprichting van 1500 nieuwe scholen. Omdat evenwel iedereen les kreeg in de volkstaal, betekende dit dat in heel Vlaanderen (Brussel inbegrepen) alle scholieren 'onderworpen' werden aan Nederlandstalig onderwijs. Eén der eerste daden van het Voorlopig Bewind was dan ook de afschaffing van álle openbare scholen in België, met uitzondering van de Franstalige universiteiten van Gent en Luik die dienden om de nieuwe elites op te leiden.
De Belgische onafhankelijkheid had rampzalige gevolgen voor het Nederlands in België. Artikel 23 van de nieuwe Belgische grondwet bepaalde: „Het gebruik van de in België gesproken talen is vrij; het kan alleen door de wet geregeld worden en uitsluitend voor de handelingen der overheid en voor de rechtszaken.“ Hoe de taalvrijheid er in de praktijk uitzag, bleek vrij snel. Op 26 november 1830 werd het Frans tot enige officiële taal gemaakt. Het Voorlopig Bestuur constateerde: “Het Nederlands en het Duits, talen die door de inwoners van sommige plaatsen worden gebruikt, verschillen van provincie tot provincie en soms van district tot district. Het is dus duidelijk dat het onmogelijk is een officiële wet- of decreettekst in het Nederlands of het Duits uit te vaardigen.” Dit was de reden waarom alleen de Franse versie van wetteksten voor geldig werd verklaard. Het mag aangemerkt worden dat de “inwoners van sommige plaatsen” ook toen al de meerderheid van de bevolking vormden. De afgevaardigden van de Vlaamse arrondissementen vormden dan ook wel de meerderheid in het Nationaal Congres, maar zij spraken de taal van de elite en dat was het Frans. Doordat vrijwel alle ambtenaren Franstalig waren, moest zich iedere Belg waar dan ook in het Frans tot de overheid wenden. Sommige rechters zagen het zelfs voor een belediging van het gerecht aan als men hen in het Nederlands aansprak. De taalvrijheid was dus vooral de vrijheid van de ambtenaren de taal van hun milieu te gebruiken.Vlaanderen tot 1914 neon.niederlandistik.fu-berlin.de
Er werd door de Belgische staat een verfransingspolitiek gevoerd, waarvan de gevolgen tot op de dag van vandaag voelbaar zijn. In Vlaanderen bleven de dialecten de onderwijstaal in de lagere volksschool. In de scholen voor de hogere standen was de onderwijstaal het Frans. Zo werd Brussel volledig verfranst en was de volledige ambtenarij (ook in Nederlandstalig Vlaanderen en Brussel) tot een eind in de twintigste eeuw volledig Frans. Het Nederlands werd als een samenraapsel van dialecten behandeld en niet als een taal die respect verdiende. Dit cultuurimperialisme leidde tot het ontstaan van de Vlaamse Beweging.
Ontstaan van de Vlaamse Beweging
De eerste grondwet en de Belgische wetgeving was dan ook alleen in het Frans opgesteld. Geleidelijk ontstond de Vlaamse Beweging, een emancipatorische beweging die ijverde voor een gelijkwaardige positie voor het Nederlands in het openbaar leven, maar die ook zeer nabij de syndicale arbeidersbeweging stond (waaruit in 1885 de socialistische Belgische Werkliedenpartij en in 1893 de Daensistische Christene Volkspartij ontstonden). Vooral de Daensisten waren flamingantisch en stelden dat de boeren en werklieden in Vlaanderen zich in hun eigen taal voor de rechtbank moesten kunnen uitdrukken. De Vlaamse Beweging ondersteunde dus de ontvoogdingsstrijd van arme boeren en dagloners, de werklieden in de steden tegen de kapitalistische en francofone bourgeoisie, die hun werkvolk in een schandalige armoede hield en hun taal misprijzend "flamand" noemde.
1873-1898: Nederlands wordt officiële taal
De eerste taalwet dateert van 1873. De invoering van het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen in 1893, effende de weg naar de zogenoemde Gelijkheidswet van 1898, waardoor het Nederlands de tweede officiële taal van België werd. De Gelijkheidswet was de eerste taalwet van nationale betekenis. De Belgische grondwet werd pas in 1967 voor het eerst in het Nederlands vertaald.
1883-1932: Vernederlandsing van het onderwijs In 1883 kreeg het Nederlands een grotere plaats in het officiële middelbaar onderwijs. In 1930 werd het onderwijs aan de universiteit van Gent definitief Nederlandstalig, en daarmee kreeg België zijn eerste Nederlandstalige universiteit.
1921-1938: Toepassing van de eentaligheid De verzuchtingen van de Vlaamse Beweging bleven lange tijd ongehoord, maar de Eerste Wereldoorlog en de gedeeltelijke bezetting van België door Duitsland was aanleiding voor een deel van de Vlaamse Beweging, de zogenaamde activisten, om in te gaan op het aanbod van vernederlandsing en met de Duitsers te collaboreren. Onder invloed van de Duitse bezetter werd zo de universiteit van Gent vernederlandst. Deze collaboratie werd de Vlaamse Beweging na de oorlog zeer kwalijk genomen en de meeste maatregelen werden weer ongedaan gemaakt. Vanuit het deel van de Vlaamse Beweging dat niet collaboreerde, ontwikkelde zich de radicaal Vlaamsgezinde Frontbeweging, die zich vooral inzette tegen het Franstalige beleid in het leger, en die protesteerde tegen de (al dan niet vermeende) wantoestanden die veroorzaakt zouden zijn door Franstalige officieren, wier bevelen door de Vlaamse soldaten niet werden begrepen, hetgeen veel Vlaamse slachtoffers veroorzaakt zou hebben.
Door de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht in 1919 waren de Vlamingen beter vertegenwoordigd in de Belgische politiek, wat het doorvoeren van de taalwetgeving bevorderde. In de jaren 30 van de 20e eeuw vond het territorialiteitsbeginsel toepassing in de taaltoestanden in België: de Vlaamse Beweging droeg steeds het alternatief van de tweetalige staat uit, wat door de Franstaligen als een onmogelijke toegeving werd beschouwd. Door middel van een reeks grote taalwetten werden daardoor twee eentalige gebieden erkend. Zo kwam er een einde aan de voortschrijdende verfransing van het openbare leven in de Vlaamse provincies.
In 1932 volgde de wet op het taalgebruik in bestuurszaken, waarmee vastgelegd werd dat in de respectievelijk Vlaamse en Waalse provincies de streektaal de bestuurstaal was. De rechtspraak in de twee gebieden werd in 1935 eentalig gemaakt en in 1938 kwam er een wet voor het taalgebruik in het leger. Maar het zou nog 30 jaar duren voor de twee taalgebieden wettelijk afgebakend werden. Pas in 1963 werd de taalgrens - de grens tussen het Frans- en Nederlandstalige gebied - wettelijk vastgelegd in artikel 4 van de grondwet.neon.niederlandistik.fu-berlin.de Het Nederlands in België
De verschillen tussen Nederlandstaligen en Franstaligen worden duidelijker Na de Tweede Wereldoorlog werden op enkele jaren tijd de verschillen tussen Nederlandstaligen (Vlamingen) en Franstaligen (Walen en Franstalige Brusselaars) scherper gesteld in een aantal conflicten.
De Koningskwestie De communistische en socialistische partijen verwijten Leopold III om België verraden (of verkocht) te hebben aan de Duitse bezetter, en verwijten hem om de streng katholieke dochter van een Duitsgezinde zakenman te hebben gehuwd na het verlies van zijn vrouw koningin Astrid, die zeer geliefd was bij de bevolking, zonder de wettelijke regels na te hebben geleefd (eerst huwen bij de ambtenaar van burgerlijke stand, dan pas in de kerk) en alleen in de kerk te zijn gehuwd, waardoor hij zijn grondwettelijke eed tweemaal heeft gebroken.
In 1950 bij het referendum over de vraag of Leopold III, gezien zijn houding tijdens de Tweede Wereldoorlog, terug de troon mag betreden dan wel moet aftreden (de zogenaamde Koningskwestie), kiest 72% van de Vlamingen onder invloed van de katholieke kerk voor de terugkeer van Leopold III, maar er is een grotere meerderheid tegen in Brussel en Wallonië waardoor de vooropgestelde 2/3 meerderheid niet gehaald werd. In België als geheel is er een meerderheid van 57% voor terugkeer dus probeert Leopold terug te keren. Hierop breken echter vooral in Wallonië en Brussel zware onlusten uit die de regering slechts met moeite kan bedwingen. Ondanks het positieve resultaat van het referendum, dient Leopold onder zware politieke druk vanuit de regering, troonsafstand te doen. Hierdoor wordt duidelijk dat de ene gemeenschap niet zomaar haar wil kan opdringen aan de andere op het institutionele vlak. Ook het Vlaams demografisch overwicht komt door het referendum aan bod. In beide gemeenschappen worden de verschillen duidelijk.
De Eenheidswet De rooms-blauwe regering Eyskens voert in 1960 met de Eenheidswet een reeks besparingen door. Hier komt hevig verweer tegen van de Franstalige vakbonden met zware stakingen tegen die wet, tegen de regering en tegen het systeem vanuit een regionalistische instelling. De Walen zien in dat zolang het economisch beleid op Belgisch niveau bepaald wordt, men niet de maatregelen kan nemen die nodig zijn voor Wallonië gezien de Vlaamse meerderheid in België (vandaar dat ze ook spreken van “un état belgo-flamand”). Dit leidt tot het erkennen van een verschil in sociaaleconomische aangelegenheden.
Leuven Vlaams