thumb|200px|right|Portret van Albert Guérisse in het concentratiekamp, gemaakt door medegevangene Brian Stonehouse

Albert Marie Edmond graaf Guérisse (Sint-Jans-Molenbeek, 5 april 1911 – Waterloo, 26 maart 1989) was een Belgisch militair arts, generaal en verzetsstrijder. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij onder de schuilnaam Patrick Albert "Pat" O'Leary leider van een van de belangrijkste ontsnappingslijnen voor geallieerde militairen in bezet Frankrijk. Het netwerk hielp meer dan zeshonderd Britse en Amerikaanse militairen en vliegeniers uit bezet gebied ontsnappen.

Na zijn arrestatie in maart 1943 werd Guérisse gemarteld en via verschillende concentratiekampen naar Dachau gedeporteerd. Daar behoorde hij in 1945 tot de leiding van het internationale gevangenencomité. Na de oorlog hervatte hij zijn militaire loopbaan, diende hij tijdens de Koreaanse Oorlog en werd hij generaal-majoor. Hij ontving tientallen Belgische en buitenlandse onderscheidingen, waaronder het Britse George Cross, de Distinguished Service Order en een benoeming tot Knight Commander in de Orde van het Britse Rijk.

Familie Albert Guérisse was een zoon van Eloi Guérisse en Maria Ardies. Hij trouwde in 1936 met Jeanne Mondry (1909–1947). In 1947 hertrouwde hij met Sylvia Cooper-Smith (1921–1985). Uit dit tweede huwelijk werd een zoon geboren, Patrick Guérisse.Oscar Coomans de Brachène, État présent de la noblesse belge, annuaire 1990, Brussel, 1990, p. 11.

Eerste loopbaan Guérisse studeerde geneeskunde aan de Katholieke Universiteit Leuven en vervolgens aan de Université Libre de Bruxelles, waar hij als leerling-militair arts werd opgeleid. In 1936 werd hij officier-arts en ingedeeld bij het in Spa gestationeerde 1e Regiment Lansiers.

Tijdens de Achttiendaagse Veldtocht in mei 1940 verzorgde hij tijdens de gevechten bij Juprelle en Geluwe gewonden onder vijandelijk vuur. Daarvoor werd hij onderscheiden met het Belgische Oorlogskruis met palm. Na de capitulatie van het Belgische leger op 28 mei 1940 besloot hij de strijd voort te zetten en zocht hij aansluiting bij de Britse troepen.

Op 1 juni vertrok hij met een groep Belgische officieren vanaf de kust tussen De Panne en Duinkerke naar Groot-Brittannië. Enkele dagen later werd hij met honderden andere Belgische militairen opnieuw naar Frankrijk gebracht, waar men hoopte de Belgische strijdkrachten te kunnen hergroeperen. Via Brest kwam hij terecht bij de medische opleidingsdienst in Les Sables-d'Olonne.

Toen ook Frankrijk militair instortte, wist Guérisse opnieuw aan gevangenneming te ontkomen. Hij trok naar Zuid-Frankrijk en bereikte samen met enkele andere Belgische officieren, onder wie Georges Danloy en Jean de Selys Longchamps, de Middellandse Zeekust. Vanuit Sète vertrok de groep eind juni op het Britse schip Northmoor. Op 27 juni kwam Guérisse in Gibraltar aan.

Daar sloot hij zich aan bij de bemanning van het Franse koopvaardijschip Le Rhin. De commandant, Georges Péri, stelde het schip ter beschikking van de Britten. Het vaartuig werd vervolgens voor clandestiene operaties gebruikt. Guérisse trad in Britse dienst en werd uiteindelijk als lieutenant commander opgenomen in de Royal Navy.

Patrick O'Leary Voor zijn geheime werkzaamheden nam Guérisse een Britse identiteit aan. Hij koos de achternaam O'Leary, naar een Frans-Canadese kennis uit zijn studietijd, en werd voortaan aangeduid als Patrick Albert O'Leary of kortweg Pat O'Leary. De Canadese identiteit moest bij een eventuele arrestatie verhinderen dat de Duitsers zijn Belgische afkomst en daarmee zijn familie zouden achterhalen.

In april 1941 werd Guérisse tijdens een geheime operatie aan de Franse Middellandse Zeekust gearresteerd door de autoriteiten van Vichy-Frankrijk. Hij wist te ontsnappen en ging onder de naam Adolphe Cartier clandestien verder.

Het ontsnappingsnetwerk De basis van de latere Pat O'Leary-lijn was eind 1940 in Marseille gelegd door de Britse officier Ian Garrow. De organisatie hielp aanvankelijk Britse militairen die na de nederlaag van Frankrijk waren achtergebleven en later vooral neergeschoten geallieerde vliegeniers. Vanuit Noord-Frankrijk liepen verbindingen via Marseille, Toulouse en Perpignan naar de Pyreneeën, waar vluchtelingen met hulp van gidsen naar Spanje werden gebracht. Het netwerk kreeg verbindingen met de Britse geheime diensten en met MI9, de Britse organisatie die zich bezighield met de ontsnapping en repatriëring van geallieerde militairen.

Nadat Garrow in juli 1941 in Marseille door de Franse politie was gearresteerd, nam Guérisse de leiding van de organisatie over. Onder zijn schuilnaam werd zij bekend als de Pat O'Leary-lijn, de Pat Line of het réseau Pat O'Leary.

Guérisse bouwde het netwerk verder uit. Het beschikte over koeriers, schuiladressen, vervalste of aangepaste identiteitspapieren, spoorverbindingen en passeurs. Geallieerde militairen werden vanuit verschillende delen van Frankrijk naar het zuiden gebracht en vervolgens via de Pyreneeën of door clandestiene operaties vanaf de Middellandse Zeekust geëvacueerd. Tijdens de zomer en herfst van 1942 organiseerde Guérisse ook evacuaties per schip vanaf de kusten van de Provence en de Roussillon.

Het werk bracht grote risico's met zich mee. Guérisse reisde zelf regelmatig door bezet Frankrijk, passeerde Duitse controles en begeleidde ontsnappers tijdens delen van hun reis. Het netwerk werd herhaaldelijk getroffen door infiltratie en verraad. Volgens het Musée de la Résistance en ligne werden uiteindelijk ongeveer zeshonderd geallieerde militairen via de organisatie geëvacueerd; een groot aantal medewerkers werd gearresteerd, gedeporteerd of gedood. De officiële Britse toelichting bij de toekenning van zijn George Cross schrijft aan de organisatie de succesvolle terugkeer van meer dan zeshonderd Britse en Amerikaanse militairen toe.

Marie-Louise Dissard en het Réseau Françoise In 1942 trad de Franse verzetsvrouw Marie-Louise Dissard, die de schuilnaam Françoise gebruikte, toe tot de Pat O'Leary-lijn. Zij kreeg de verantwoordelijkheid voor Toulouse en omgeving en organiseerde daar onder meer opvang, onderduikadressen en het vervoer van geallieerde militairen naar de ontsnappingsroutes richting de Pyreneeën.

Begin 1943 werd het netwerk door arrestaties zwaar getroffen. Guérisse werd op 2 maart 1943 na verraad gearresteerd. Dissard wist uit handen van de Duitsers te blijven. Zij zette de ontsnappingsactiviteiten voort en bouwde in maart 1943 vanuit Toulouse een nieuwe organisatie op. Deze kreeg naar haar schuilnaam de naam Réseau Françoise en vormde daarmee de voortzetting van een belangrijk deel van de Pat O'Leary-lijn.

Het Réseau Françoise bleef tot de bevrijding actief en hielp geallieerde vliegeniers, verzetsmensen en andere vervolgden via Zuidwest-Frankrijk naar Spanje te ontsnappen.

Arrestatie en concentratiekampen Na zijn arrestatie in maart 1943 werd Guérisse langdurig ondervraagd en gemarteld. De Duitsers probeerden hem ertoe te brengen namen, verblijfplaatsen en functies van andere leden van het netwerk prijs te geven. Hij weigerde die informatie te verschaffen.

Zijn werkelijke identiteit bleef voor zijn ondervragers verborgen. Hij hield vol dat hij Patrick Albert O'Leary was, een Canadese officier in Britse dienst. Daardoor werd zijn familie in België niet met zijn verzetsactiviteiten in verband gebracht.

Guérisse werd achtereenvolgens gedeporteerd naar Mauthausen, Natzweiler-Struthof, Neubremm en uiteindelijk Dachau. In Natzweiler verbleef hij onder anderen samen met de Britse geheim agent en kunstenaar Brian Stonehouse, die later het bekende kampportret van Guérisse maakte.

In Dachau behoorde Guérisse tot de internationale groep gevangenen die zich in de laatste fase van het kamp organiseerde. Tot de kern behoorden naast Guérisse onder anderen de Belg Arthur Haulot, de Fransman Edmond Michelet, de Pool Kazimierz Maliszewski en de Albanees Ali Kuci.

Na de bevrijding van Dachau door Amerikaanse troepen op 29 april 1945 werd Guérisse voorzitter van het internationale gevangenencomité dat samen met de Amerikaanse militaire autoriteiten de orde in het kamp en de verzorging en repatriëring van de gevangenen hielp organiseren.

Na de Tweede Wereldoorlog Na de oorlog bleef Guérisse aanvankelijk nog in Britse dienst. In 1946 werd hij betrokken bij het onderzoek naar oorlogsmisdaden. Daarna verliet hij de Royal Navy, nam zijn werkelijke naam weer aan en keerde terug naar het Belgische leger.

Hij hervatte zijn werkzaamheden als militair arts en werd onder meer verbonden aan het militair hospitaal in Brussel.

Koreaanse Oorlog In 1951 meldde Guérisse zich als vrijwilliger voor het Belgische contingent dat onder vlag van de Verenigde Naties deelnam aan de Koreaanse Oorlog. Hij leidde er de geneeskundige dienst.

Tijdens de gevechten ging hij onder vijandelijk vuur een gewonde militair ophalen. Daarbij werd gebruikgemaakt van een Amerikaanse tank en raakte Guérisse zelf gewond. Na ongeveer vijftien maanden keerde hij naar Europa terug.

Verdere carrière thumb|Albert Guérisse als generaal-arts

Na zijn terugkeer uit Korea zette Guérisse zijn loopbaan binnen de Belgische strijdkrachten voort. Hij werd onder meer adjunct van het hoofd van de medische dienst van het 1e Legerkorps en in 1961 hoofd van de medische dienst van de Belgische strijdkrachten in Duitsland.

Hij bereikte uiteindelijk de rang van generaal-majoor en beëindigde zijn militaire loopbaan in 1970 als directeur-generaal van de medische dienst van de Belgische strijdkrachten.

Guérisse bleef daarnaast nauw betrokken bij de herinnering aan Dachau. Hij was jarenlang voorzitter van het Comité International de Dachau en speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming en instandhouding van de gedenkplaats van Dachau. De KZ-Gedenkstätte Dachau noemt hem een drijvende kracht achter de oprichting van de gedenkplaats en de onderhandelingen daarover met de Beierse regering.

Adel en herinnering In 1981 werd Guérisse in de erfelijke Belgische adelstand verheven met de persoonlijke titel van ridder. Omdat de open brieven niet werden gelicht, kreeg die verheffing geen gevolg. Kort voor zijn overlijden volgde opnieuw een verheffing, ditmaal met de persoonlijke titel van graaf. Zijn nakomelingen behoren sindsdien tot de Belgische adel.Humbert de Marnix de Sainte Aldegonde, État présent de la noblesse belge, annuaire 2007, Brussel, 2007.

Zijn wapenspreuk luidde: Honores non quaero, fidelis sum (“Ik zoek geen eerbewijzen, ik ben trouw”).

Guérisse overleed op 26 maart 1989 in Waterloo. In Saint-Hubert, waar zijn familiebanden lagen en waarvan hij ereburger was, werd een monument ter herinnering aan hem opgericht.

Eretekens Guérisse ontving tijdens en na zijn militaire loopbaan tientallen onderscheidingen uit verschillende landen.

Tot zijn belangrijkste onderscheidingen behoorden:

België: Grootofficier in de Leopoldsorde Grootofficier in de Kroonorde Commandeur in de Orde van Leopold II Oorlogskruis met palm

Verenigd Koninkrijk: George Cross Honorair Knight Commander in de Orde van het Britse Rijk (KBE) Distinguished Service Order (DSO)

Frankrijk: Officier in het Legioen van Eer

Verenigde Staten: Legion of Merit

Zuid-Korea: Chungmu Distinguished Military Service Medal

De toekenning van het George Cross werd in november 1946 bekendgemaakt. In de officiële Britse motivering werden zijn ontsnapping na zijn eerste arrestatie, zijn leiding over de ontsnappingsorganisatie, zijn persoonlijke deelname aan het begeleiden van vluchtelingen en zijn weigering om tijdens martelingen informatie over zijn medewerkers prijs te geven, genoemd als grond voor de onderscheiding.

Literatuur Marcel Julian, H.M.S. Fidelity, 1956. Vincent Brome, The Way Back: The Story of Lieut.-Commander Pat O'Leary, G.C., D.S.O., R.N., Cassell, Londen, 1957. W. Ugeux, Histoires de résistants, Gembloux, 1979, p. 121–144. A. Crahay, Vingt héros de chez nous 1940–1964, Eigenbrakel/Strombeek-Bever, 1983, p. 303–318.