miniatuur|Het Begijnhof Breda thumb|right|Het Begijnhof van Amsterdam miniatuur|Een begijn, inwoner van een begijnhof. Fragment uit een manuscript van het begijnhof Sint Aubertus (Poortacker) te Gent. Gemaakt ca. 1840. Een begijnhof is een verzameling van individuele en/of gemeenschappelijke woningen, huizen en conventen van begijnen, meestal in de nabijheid van een kapel of kerk en al dan niet omgeven door een muur met een of meerdere toegangspoorten. Specifiek voor Nederland spreekt men van hofje om een reeks kleine huisjes aan te geven waarin alleenstaande of bejaarde personen verblijven.
Het begijnhof als bijzondere ruimtelijk gesitueerde stedelijke bewoningsvorm wordt alleen in de Nederlanden aangetroffen, sporadisch in Noord-Nederland en Wallonië.
De Nederlanden telden er te beginnen met de 12e eeuw na verloop van jaren een zeventigtal. De begijnenbeweging waaruit deze bewoningsvorm voortkwam is in de late middeleeuwen een alom voorkomend Europees fenomeen. Om politieke en religieuze redenen stierf de beweging voor 1400 uit in de rest van Europa, en werd ze in de Lage Landen sterk aan banden gelegd.
Ontstaan De Belgische historicus Henri Pirenne verklaart het succes van de begijnenbeweging door een vrouwenoverschot dat ontstond door geweld, oorlogen en militaire en paramilitaire operaties, waarbij veel mannen om het leven kwamen. De vrouwen hadden dikwijls geen andere kans om te overleven dan zich te verenigen en gezamenlijk hulp te vragen bij rijke weldoeners. Op dezelfde wijze kenden in de 12e eeuw de vrouwenkloosters aanvankelijk een groot succes, maar de strikte regels en de beperking in aantal per klooster binnen de premonstratenzer- en cisterciënzerabdijen deed vele vrouwen zoeken naar een minder dwingende omgeving. Bovendien had het aanvankelijke succes van deze abdijen tot gevolg dat talrijke aanvragen tot toetreding geweigerd moesten worden, temeer omdat meerdere van die kloosters een zekere hoge geldsom en soms ook de eis om van adel te zijn als een van de toetredingsvoorwaarden oplegden. Stadsorden zoals de arme klaren en de dominicanessen kenden omwille van het ontbreken van die laatste voorwaarde meer succes.
Aanvankelijk werd dit probleem opgelost door de oprichting van dubbelkloosters in het geval van de premonstratenzers omdat mannen en vrouwen er in hetzelfde klooster werden ondergebracht. De stichting van deze dubbelkloosters mislukte omdat ondanks de scheiding bij gebed en misviering de menselijke natuur de bovenhand behield. De vele problemen leidden tot de opheffing ervan, en de zogenaamde "mulieres religiosae", of "virgines continentes" moesten hun toevlucht zoeken tot andere vormen van religieus leven en wonen.
Doorgaans werden de eerste grote centra waarin toegewijde vrouwen zich vestigden rond een hospitaal geconcentreerd waaraan een eigen kerk was verbonden. Voorbeelden hiervan zijn de centra waaruit de latere begijnhoven ontstonden in steden als Hoei, Nijvel, Leuven, Sint-Truiden, Zoutleeuw, Borgloon, Luik en Oignies.
Evolutie in de vorming miniatuur|Vooral in Duitsland werden begijnen vervolgd. Om een onderscheid te maken tussen de oorspronkelijke vorm van de begijnenleven en de vormen die deze beweging in latere stadia omhelsden onderscheidt L.J.M. Philippen: Alleen, of nog bij hun ouders of familieleden, in afzonderlijke huizen levende vrome vrouwen. Begijnenbewegingen die alleen of samenleefden, verspreid in de stad, in georganiseerde vorm onder toezicht van geestelijken. In afzondering levende begijnengemeenschappen in een ommuurd begijnhof, volgens het stratenplan, het pleinmodel of een gemengde vorm opgebouwd. De afgesloten vorm was tussen het sluiten van de poorten bij het vallen van de avond en de ochtend. Als begijnenparochies georganiseerde gemeenschappen erkend als parochie onder leiding van een eigen kapelaan.
Het ontstaan van religieuze stromingen van alleen levende vrome vrouwen had plaats tussen de 12e eeuw en het begin van de 13e eeuw, in de tijd dat ook de heksenvervolging de kop opstak en de naam begijn nog niet de huidige betekenis had maar eerder als spotnaam voor ketterse vrouwen gebruikt werd. Deze vrouwen leefden zowel verspreid in de stad als daarbuiten zonder enige vorm van organisatie.
Bij het begin van de 13e eeuw kwamen in het bisdom Luik vormen voor van vrome vrouwen die zich groepeerden rondom een leidinggevende figuur zoals de als heilig beschouwde Maria van Oignies en anderen. Dit gebeurde meestal in de buurt van een hospitaal of een kapel. Tussen 1205 en 1278 leverden de twee elkaar opvolgende gravinnen Johanna en Margaretha van Constantinopel impulsen en middelen voor het oprichten van begijnhoven in een periode van vrede en voorspoed. Zij verleenden ook steun aan de lagere klasse. Door toedoen van weldoeners zoals plaatselijke heren, graven of hertogen, verkregen de begijnen grond of enkele huizen waar ze zich konden vestigen onder toezicht van de plaatselijke parochiepriester. In verschillende steden in Frankrijk, Duitsland en Vlaanderen namen de bedelorden, franciscanen en benedictijnen, de zielszorg voor deze vrouwen op zich.
In de loop van de 13e eeuw neemt de omvang van de groeperingen toe zodat ze zich meer en meer buiten de stadspoorten vestigen in nieuw opgerichte begijnhoven omgeven met een gracht en ommuurd. Door hun eigen kerk hoeven ze zich niet meer naar de kerken in de stad te begeven. De naam begijn werd ondertussen, vanaf het midden van de 13e eeuw gebruikt om orthodoxe vrome vrouwen aan te geven en de ketterse bijgedachte zwakte langzaam af.
Ondanks veroordelingen blijven begijnen, door een afzonderlijke toestemming van de paus, in de Lage Landen, in sommige delen van Noord-Frankrijk en West-Duitsland bestaan. De begijnen maken echter moeilijke tijden door tijdens de beeldenstorm, de Spaanse repressie en de verschillende godsdienstoorlogen tussen protestanten en rooms-katholieken. Er werd door de Kerk steeds strenger toegekeken op de begijnhoven teneinde sommige als heidens gekwalificeerde praktijken zoals overgeleverde liederen en dansen daar te weren als ketterij. Toezicht en controle op de meesteres werd legitiem uitgeoefend door de pastoor. Tijdens de Contrareformatie verplichtte de kerk religieuze bewegingen zich te vestigen binnen de verdedigingswallen van de steden. Er ontstaan in de Lage Landen steden in de steden gevormd door de door een muur van de rest van de stad afgescheiden begijnhoven.
De uiteindelijke vorm, niet voor alle begijnhoven geldend, was het verkrijgen van de toestemming voor het oprichten van een eigen parochie, wat privilegiën betekendenm waaronder het begraven van de dode begijnen op het begijnhof.
Organisatie miniatuur|Grafsteen met wapenschild van jfr. Anna de Pape Hiërarchie Een De leiding van een begijnhof berust bij de grootjuffrouw. Deze door de begijnen gekozen verantwoordelijke heeft de leiding van het begijnhof met als taak de statuten te laten naleven en de algemene organisatie te controleren. Sommige grote begijnhoven konden meerdere grootjuffrouwen hebben.
Bij het uitoefenen van haar taken werd ze bijgestaan door een of meerdere momboren, mannelijke gevolmachtigden, die geldhandelingen voor het verwerven van eigendommen en eventuele rechtszaken voor het begijnhof uitvoerden. Dergelijke activiteiten waren verboden voor vrouwen.
twee De juffrouw van het hospitaal, die tevens de “kiste” of de “tafel van de Heilige Geest” beheerde. Het hospitaal verzorgde ook de behoeftige begijntjes die wegens ziekte of ouderdom niet meer konden zorgen voor hun eigen inkomen. Het geld om deze bijkomende dienstverlening mogelijk te maken kwam uit de kiste waarin naast de kleine wekelijkse bijdrage van de begijnen ook schenkingen of testamentaire giften terechtkwamen.
De juffrouw van de kerk (kosteres) die eveneens de leiding had van het koor dat de erediensten opluisterde. Zij beheerde de uitgaven voor de kerk, het onderhoud ervan en zij organiseerde de vorming van het koor en de oefenstonden.
De portierster speelde een belangrijke rol bij de controle van het verkeer in en uit het begijnhof. Zij is belast met het sluiten en openen van de poort, het noteren van de in- en uitgaande begijntjes tijdens de dag en de in- en uitgaande vreemdelingen voor leveringen van materialen en levensmiddelen, werklieden en bezoekers.
drie Op rang drie vernoemen we de juffrouwen van de conventen: ze zijn verantwoordelijk voor de algemene orde en de werking van het hen aangeduide convent; al naargelang het een convent voor novicen of voor arme begijnen betreft, zorgt zij voor de vorming en het laten respecteren van de specifieke regels ervan. Deze specifieke regels kunnen zijn opgelegd door de stichter en omvatten gebeden of andere godsdienstige oefeningen ter nagedachtenis van de stichter en zijn familie.
Verdere rangorde Eerst de begijnen die een eigen huis bezitten, dit huis kon verkregen worden door er een te bouwen met eigen middelen, of een bestaand huis te kopen bij de openbare verkoop in het begijnhof. Het bezit van een huis is voor de duur van een leven, waarna het huis in het bezit kwam van het hof en het opnieuw verkocht werd. De begijnen die een kamer huren, meestal een achterkamer in een van de grotere huizen. Zij moesten instaan voor het onderhoud van de kamer en indien hun inkomsten onvoldoende waren moesten zij een onderkomen zoeken in een convent. De begijnen en de novicen die in conventen verblijven. Zij hadden geen eigen inkomens en moesten werken om in hun onderhoud te voorzien, naargelang het convent kregen zij hulp bij de aankopen van voedsel, hout voor de verwarming en enkele extra's tijdens de winter. De kosten voor het onderhoud van de woning werden voorzien voor een lange periode door de stichter.
Deze rangorde was beslissend voor hun plaats in de kerk. Tijdens misvieringen namen de grootjuffrouwen vooraan plaats, gevolgd door de verschillende juffrouwen, de eigenaressen, de begijnen en de novicen.
Leven in een begijnhof Vrouwen die in een begijnhof leefden kozen bewust voor deze samenlevingsvorm omdat ze hun persoonlijke vrijheid wensten te bewaren bij het beoefenen van hun religieuze en dagelijkse praktijk. Wie tot een (vaak) gesloten kloosterorde toetrad kon persoonlijke bezittingen en rechten niet behouden, maar begijnen wel binnen de beperkingen van de leefregel. Velen waren dan ook eigenares van hun huis en hadden ook persoonlijke bezittingen daarbuiten. Het samenlevingsverband was niet alleen losser dan in een klooster, maar ook omkeerbaar in de tijd.
De dagelijkse verrichtingen voor eigen onderhoud en dat van de gemeenschap waren verdeeld naar rang en kunnen. Bepaalde begijnhoven waren gespecialiseerd in diensten aan de lokale bevolking, zoals dat van Sint-Truiden, dat over een eigen bleekweide beschikte om de was die men er voor anderen deed te drogen. Deze verrichtingen, voor een groot deel handenarbeid, werden in het dag- en weekschema geschikt rondom de uren van religieuze praktijk.
Uiteraard werd daarbij een religieuze kalender als leidraad gebruikt. Speciale aandacht ging naar feesten van de heilige drie-eenheid’ en de sacramentsdag (de sacrale communie), die overigens zijn ontstaan te danken heeft aan de Luikse begijn-kluizenares Juliana van Cornillon.
Voor het eerst in Europa werd vanaf het einde van de 13e eeuw in de grotere begijnhoven een schola cantorum opgericht, bedoeld om de meisjes die mogelijk als nieuwe begijnen gingen toetreden onderricht te geven, en vooral de liturgische gezangen, waaronder de litanieën, over te leveren. Volgens de oudste statuten van het Groot Begijnhof Mechelen van 1286-1300 moest die scoelmeesterse… met haren scolieren, er ook voor zorgen de getijden te zingen indien de priester dat niet kan.Mannaerts P. (2008): p. 21 Het is duidelijk dat met die dagelijkse rituelen en seizoenvieringen ook een traditie van oude gezangen en dansen werd in leven gehouden, die zelfs intra muros aanleiding bleken te geven tot verscherpte kritiek vanwege de kerkelijke vertegenwoordigers.