miniatuur|300px|Hubert en Jan van Eyck Het Lam Gods, 1432 De Vlaamse Primitieven was een groep kunstschilders uit de Nederlanden van de 15e en begin 16e eeuw, voornamelijk werkzaam rond de bloeiende steden Brugge, Gent, Leuven, Doornik en Brussel. Enkele bekende vertegenwoordigers van deze school waren Robert Campin, Jan van Eyck, Jheronimus Bosch, Rogier van der Weyden, Hugo van der Goes, Hans Memling, Dirk Bouts, Quinten Massijs (I) en Gerard David. De werken van de Vlaamse Primitieven waren een hoogtepunt in de kunstgeschiedenis van de oude Nederlanden. In de kunststroming vinden we vertegenwoordigers uit de gehele Nederlanden, maar ze vestigden zich voornamelijk in de Zuidelijke Nederlanden en dat had waarschijnlijk alles te maken met het feit dat daar het economische en politieke machtscentrum gevestigd was. Dankzij de internationale handel in Brugge raakten de werken van de Vlaamse Primitieven vrij snel bekend in heel Europa en beïnvloedde de Vlaamse stijl de schilderkunst van Italië tot aan de Oostzee. In Italië werd deze herontdekking van de werkelijkheid via de voorbeelden uit de klassieke oudheid terecht de renaissance genoemd, een wedergeboorte van de oude kunst. Noordelijk van de Alpen was er geen oude kunst die herboren kon worden, kunsthistorici gebruiken dan ook tegenwoordig liever de term ars nova in analogie met de term waarmee men de nieuwe muziek uit de oude Nederlanden aanduidt,Dirk De Vos, De Vlaamse Primitieven, de meesterwerken, Mercatorfonds, 2002, p. 11. of “Noordelijke renaissance”, naar de gelijkaardige beweging die zich voordeed in Italië. miniatuur|300px|Portret van Giovanni di Nicolao Arnolfini en zijn vrouw,Dirk De Vos, 2002, p. 60. Jan van Eyck, 1434, Olieverf op paneel, 83,7 x 57 cm, National Gallery, Londen
Ontstaan van de kunststroming De situatie noord - zuid Afgaande op het aantal schilderijen op paneel die dateren van voor de opkomst van de Vlaamse Primitieven zou men kunnen denken dat deze kunststroming nagenoeg uit het niets is ontstaan. In tegenstelling tot de situatie in Italië waar het paneelschilderen kon bogen op een lange traditie met namen zoals Giotto di Bondone, Taddeo Gaddi, Simone Martini, Duccio di Buoninsegna, Lippo Memmi en zoveel anderen, is er in de oude Nederlanden nauwelijks een schilderij uit de 14e eeuw te vinden.
In Frankrijk en met name in Parijs, het kunstcentrum bij uitstek in die periode, is de paneelschilderkunst nagenoeg onbestaande. In de gotische kathedralen worden de wanden beschilderd maar buiten het feit dat hierbij ook verf en borstels worden gebruikt is er geen vergelijk mogelijk met de frescokunst uit Italië. De miniatuurkunst daarentegen is van de kloosterscriptoria verhuisd naar ateliers in de stad. In deze ateliers is men omgeschakeld van de gesublimeerde voorstellingen van het geestelijke van de romaanse kunst naar de meer wereldse gotische kunst.
De mengkroes Avignon De aanwezigheid van het pauselijk hof in Avignon tijdens de Babylonische ballingschap der pausen van 1309-1376 creëerde in Avignon een klimaat dat uitermate gunstig was voor de culturele uitwisseling tussen artiesten van gans Europa.Stefano Zuffi, Il Quattrocento, Electa, Milano 2004. Vanuit Avignon werd de Italiaanse kunst bekend in de rest van Europa. Simone Martini en zijn leerling Matteo Giovannetti maakten paneelschilderingen en fresco’s in opdracht van het pauselijk hof. Aan de decoratie van het Pausenpaleis werkten kunstenaars uit gans Europa mee. Martini was een leerling van Memmo di Filippuccio en van Duccio di Buoninsegna.Encyclopédie Larousse Naast zijn leermeesters was hij ook beïnvloed door Giotto maar even goed door de Franse miniatuurkunst.Martini werkte in 1317 in Napels aan het hof van de Anjous voor Robert van Anjou waar hij een groot altaarstuk maakt dat de kroning van Robert van Anjou door de heilige Lodewijk van Toulouse voorstelt. Het is best mogelijk dat hij daar toegang had tot Franse kunstwerken en Franse miniaturen kon bewonderen. Martini’s stijl wordt getypeerd door het gebruik van zachte, gestileerde en vloeiende vormen en hoofse elegantie, elementen die hij waarschijnlijk van Franse voorbeelden uit de miniatuurschilderkunst heeft overgenomen. Omwille van deze mix van Italiaanse en Franse stijlelementen wordt hij beschouwd als een van de grondleggers van de internationale gotiek. Miniaturisten zoals Jacquemart de Hesdin (afkomstig uit Vlaanderen) hebben geput uit het werk van de Italiaanse meesters, zijn kruisdraging in het Louvre, afkomstig uit de Grandes Heures du duc de Berry refereert duidelijk aan de Polyptiek van Orsini, een werk van Martini. Ook Jean Pucelle nam in bepaalde werken zijn kennis van Italiaanse meesters te baat en de Gebroeders Van Limburg kenden blijkbaar eveneens de Italiaanse meesters.
Pre-eyckiaans realisme Ook al sluit deze internationale gotiek al veel meer aan bij de leefwereld aan het hof toch blijft ze nog zeer geïdealiseerd en vaak onnatuurlijk in de voorstelling van personen en architectuur. De stijl van de Vlaamse Primitieven had zijn wortels in de Internationale Gotiek waarvan in de periode tussen 1350 en 1420 een aantal meesters zich gaan distantiëren door hun meer realistische stijl die men het "pre-eyckiaans realisme" is gaan noemen.Maurits Smeyers, Vlaamse miniaturen van de 8e tot het midden van de 16e eeuw, Davidsfonds – Leuven, 1998, p. 175. Een prachtige illustratie van dit Vlaamse realisme kan men vinden in de “Middelnederlandse Apocalyps van omstreeks 1400”Parijs, Bibliothèque nationale de France, signatuur ms-néerl. 3)Op de website van Moleiro kan men een aantal van deze miniaturen in detail bekijken. van de hand van een onbekende Vlaamse miniaturist.
Vanaf de tweede helft van de 14e eeuw zien we meer en meer artiesten uit Vlaanderen, Henegouwen, Luik, Limburg, Gelderland en Holland naar Frankrijk trekken, eerst onder Jan II van Frankrijk en daarna onder zijn zoon Karel V, om te werken voor het koninklijk hof of voor de broers van Karel V: Filips de Stoute, Jan van Berry en Lodewijk I van Anjou.
Sommigen onder hen verrichten baanbrekend werk. Zo is er de anoniem gebleven Vlaming, de Meester van Le Remède de Fortune, die genoemd is naar het werk van Guillaume de Machaut dat hij tussen 1355 en 1360 verluchtte. Hij verrichtte baanbrekend werk op het gebied van ruimtelijke suggestie in het tweedimensionale vlak van een miniatuur.Maurits Smeyers, 1998, pp. 180-185. Hofschilder Jan Boudolf maakt in 1371 met zijn presentatieminiatuur van een Bible Historiale (Den Haag, Museum Meermanno) een waarschijnlijk behoorlijk realistisch portret van de vorst en introduceert de diafragmaboog om de ruimte tussen de koning en de toeschouwer af te sluiten. Dit zal nagevolgd worden tot in de tijd van Petrus Christus, Rogier van der Weyden en Dirk Bouts. De Bruggeling Jacob Coene (1405-1430), die geassocieerd wordt met de Boucicaut-meester, was de bedenker van het luchtperspectief. Hij was ook een voorloper op gebied van de afbeelding van het landschap, zoals het voorbeeld hierbij duidelijk illustreert.
En ook de eerste schilders die in deze evolutie betrokken waren, Jean de Beaumetz uit Atrecht en Jan Maelwael uit Gelre, waren aan het werk in Dijon voor Filips de Stoute. Melchior Broederlam uit Ieper kreeg samen met Jacob de Baerze uit Dendermonde van Filips een opdracht voor het uitvoeren van een groot retabel voor Champmol, maar zij werkten in hun eigen atelier. Broederlam schilderde een vrij levensechte Jozef in het paneel met de Vlucht naar Egypte die in een schilderij van Brueghel niet uit de toon zou vallen. En we mogen zeker de Gebroeders van Limburg uit Nijmegen niet vergeten, die als miniaturisten prachtig werk leverden voor Jean de France, Duc de Berry.
De Vlaamse primitieven miniatuur|left|Robert Campin, Middenpaneel van de Mérode triptiek. De Vlaamse Primitieven bouwden voort op deze traditie en in de veelal religieuze taferelen die ze schilderden gingen ze de dagelijkse werkelijkheid gebruiken om de Bijbelse taferelen voor te stellen in de vertrouwde omgeving van hun klanten. Robert Campin met zijn grote atelier in Doornik neemt de fakkel over van Maelwael en Broederlam. Campin werkt weinig of niet voor de hertog en zijn hof maar voornamelijk voor de rijke burgerij. Dit is een trend die we kunnen vaststellen bij alle belangrijke schilders vanaf zijn tijd, ook de religieuze werken die ze maken zijn meestal in opdracht van de gegoede burgerij zij het voor plaatsing in een kerk. De grote uitzondering hierop is Jan van Eyck die nog hofschilder was bij Filips de Goede, maar blijkbaar de vrijheid had voor anderen te werken, anders zou hij nooit het Lam Gods geschilderd hebben. Wat de techniek betreft schakelden ze grotendeels over op oliegebonden verf ter vervanging van de tempera techniek die voordien zowel in de paneelschildering als in de miniatuurkunst nagenoeg standaard was. Door het gebruik van olie als bindmiddel voor hun pigmenten slagen ze erin het detailniveau van hun schilderijen naar een nieuwe hoogte te tillen. Ook het gebruik van het ruimtelijk perspectief was een erfenis van de pre-eyckiaanse miniaturisten, maar werd door de Vlaamse Primitieven verder uitgewerkt.
Terminologie miniatuur|Poster door Amedée Lynen van de tentoonstelling "Les Primitifs Flamands à Bruges" (1902) De term “Vlaamse primitieven” of “primitifs flamands” komt uit de jaren 1840. Toen men onder de invloed van de romantiek de gotische schilderkunst begon te herwaarderen werd de term “primitif” geïntroduceerd om de vroeg Italiaanse schilderkunst te beschrijven.Vanessa Paumen, De Vlaamse Primitieven: What's in a name?. Naar analogie ging men de laatgotische schilders waarvan de productie in Vlaanderen, Brabant en Doornik te situeren was, "Les Primitifs flamands" of in het Nederlands de "Vlaamse Primitieven" noemen.De voertaal van het culturele leven, kunsthistorici, musea en dergelijke was in het België van 1902 nog grotendeels eentalig Frans. Het woord 'primitif' moet hier begrepen worden in de betekenis van 'vroeg’, ‘eerst’ of ‘aanvankelijk’ zoals het gebruikt werd om de kunst van Fra Angelico te beschrijven, kunst met een “pureté primitif”. De term was niet bedoeld als een pejoratief epitheton.
Lang voor de tentoonstelling van 1902, in 1842, werd de term al gebruikt om de achterliggende schilderschool te benoemen als de “École primitive flamande”. Hoewel er in België en bij de Franse kunsthistorici nog discussie was over de te gebruiken terminologie, raakte de term snel ingeburgerd door het succes van de zogenaamde "Exposition des Primitifs Flamands", een grote overzichtstentoonstelling gehouden in Brugge in 1902.Over de impact van de Brugse tentoonstelling van 1902 zie: Eva Tahon, Veronique de Boi, Benoît Kervyn de Volkaersbeke & Piet Boyens, IMPACT 1902 REVISITED, Tentoonstelling van Oude Vlaamsche Kunst, Brugge 15 juni tot 15 september 1902, tent.cat., Arentshuis, Brugge, 2002. Dit evenement bracht bij onderzoekers, maar ook bij het grote publiek de schilderkunst uit de lage landen van de 15e eeuw blijvend onder de aandacht.
Het cultuurnationalisme van de Duitsers heeft ertoe geleid dat zij de term Vlaamse Primitieven trachtten te vervangen door een omschrijving die deze school bij het Duitse culturele erfgoed zou onderbrengen. Friedrich von Schlegel was een van de eerste Duitse romantici en cultuurnationalisten die de werken van Jan van Eyck claimden als altdeutschen Gemälden en hij plaatste hem in een Keulse school die al twee eeuwen voor Van Eyck een bloeiperiode doormaakte! De theorieën van Schlegel werden populair in kringen die bezig waren met de herontdekking van de noordelijke kunst, omdat ze de Germaanse traditie superieur noemden tegenover de Latijnse. Lisa Deam, Flemish versus Netherlandish: a Discourse of Nationalism, Renaissance Quarterly 51 (1998) pp. 1-33, pp. 15-16. De meest fervente aanhanger van de Schlegel theorie was bijna een eeuw later Max Friedländer, curator en directeur van het Kaiser Friedrich Museum in Berlijn.